Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8196

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/01564
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aangetoond in het kader van zijn dienstbetrekking meer autokosten te hebben gemaakt dan zijn autokostenvergoeding. Forfaitaire bedrag van het arbeidskostenforfait aftrekbaar. Vooruitbetaalde rente niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/7.3.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/01564

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X wonende te Z, be-langhebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 19 mei 1999, ingediend door A te Q als gemachtigde en aangevuld bij brief van 3 augustus 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 17 mei 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

De aanslag is opgelegd op 18 december 1998 naar een belastbaar inkomen van f 82.531. Na bezwaar is deze aanslag verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen van f 63.629.

Het beroep strekt uiteindelijk tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van f 49.867.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 17 februari 2000 zijn verschenen A, gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur, vergezeld van B en C. Bij die gelegenheid is door de gemachtigde een pleitnota - met bijlagen - overgelegd en voorgedragen. De inhoud van deze pleitnota en de bijlagen geldt als hier ingelast. De inspecteur heeft ter zitting een kopie van een loonafrekening overgelegd. De gemachtigde is door het Hof in de gelegenheid gesteld op evenvermelde afrekening te reageren, hetgeen hij heeft gedaan middels een fax van 16 maart 2000. Vervolgens is de inspecteur in de gelegenheid gesteld een reactie op deze fax te geven, hetgeen is gedaan bij brief van 12 april 2000. Desgevraagd hebben partijen geen nadere mondelinge behandeling verzocht.

Het Hof rekent de hiervoor genoemde loonafrekening, de fax van 16 maart 2000 en de brief van 12 april 2000 tot de gedingstukken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1946 en gehuwd, heeft in het onderhavige jaar een WW- en een WAO-uitkering genoten voor een bedrag van f 50.908. Belanghebbende heeft voor 20 uur per week arbeid in dienstbetrekking verricht bij D B.V. gevestigd te R. D B.V. bemiddelt bij de verhuur aan investeerders van percelen grond in Ghana waarop teakbomen worden aangeplant en opgekweekt. Bovendien bemiddelt D B.V. bij de verkoop van teakbomen aan beleggers. In het kader van zijn dienstbetrekking neemt belanghebbende contact op met potentiële beleggers en legt hij daarna een bezoek aan hen af. Hierbij heeft belanghebbende Nederland en een deel van België als rayon.

2.2. Blijkens een faxbericht van D B.V., gedagtekend 27 april 1999, heeft belanghebbende voor het jaar 1997 f 29.993 loon genoten plus f 14.400 onkostenvergoeding (per maand f 300 telefoonkostenvergoeding en f 900 autokostenvergoeding).

2.3. Uit de ter zitting overgelegde loonafrekening blijkt dat belanghebbende f 11.608,94 aan provisies van D B.V. heeft ontvangen, welke zijn begrepen in het onder 2.2. vermelde loon. Deze afrekening heeft alleen betrekking op “bijzonder loon”, per kas uitbetaald in januari 1997.

2.4. Belanghebbende heeft in 1997 ten behoeve van zijn werkgever een kilometeradministratie bijgehouden uitkomende op 38.313 kilometers.

2.5. Belanghebbende heeft een contract met E. Blijkens een jaaropgave van E over het jaar 1997 bedragen de aftrekbare kosten in verband met het contract f 2.689,35. Uit een afschrift van belanghebbendes girorekening blijkt dat per boekingsdatum 27 maart 1997 f 4.000 is betaald ten name van de bankgirocentrale.

3. Geschil

Uiteindelijk is tussen partijen nog in geschil of het werkelijke bedrag van de op de inkomsten uit arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten hoger is dan forfaitaire bedrag ingevolge artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Voorts houdt partijen verdeeld of belanghebbendes belastbaar inkomen dient te worden verminderd met f 4.000 aan vooruitbetaalde rente ingevolge het E contract.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de onder 1. opgenomen pleitnota.

4.2. Ter zitting van 17 februari 2000 hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan het volgende toegevoegd:

Gemachtigde:

Ik ben verbaasd over de door de inspecteur gepresenteerde loonafrekening. Ik vraag me af waarom de inspecteur daar zo laat mee komt. Door het administratiekantoor van D B.V. is mij niet gezegd dat er een bedrag per kas is betaald. Het reiskostenforfait kan vervallen.

Met betrekking tot de vooruitbetaalde rente aan E is er documentatie geweest, doch deze is niet opgenomen in de jaaropgave van E. Op dit moment beschikken wij dienaangaande niet over meer stukken.

De inspecteur:

De loonafrekening, waaruit blijkt dat belanghebbende voor een bedrag van f 11.608,94 aan provisie van D B.V. heeft genoten, is afkomstig van het administratiekantoor van D B.V. Nu er een loonbeschikking is afgegeven, is er waarschijnlijk geen loonbelasting ter zake van evengenoemde provisie ingehouden.

De betaling van vooruitbetaalde rente ingevolge het E contract is ons nergens uit gebleken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, wordt het bedrag van de op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid betrekking hebbende kosten gesteld op 10 percent van evengenoemde inkomsten, doch niet minder dan f 247 en niet meer dan f 2.598 (het arbeidskostenforfait), tenzij een hoger bedrag blijkt. Dit betekent dat in het geval belanghebbende zijn werkelijke kosten in aftrek wenst te brengen, hij moet aantonen dat zijn niet vergoede kosten boven het voor hem van toepassing zijnde forfaitaire bedrag uitgaan, welk bedrag voor belanghebbende uitkomt op f 2.598.

5.2. Het Hof acht belanghebbende met het noemen van 38.313 kilometers niet geslaagd in het aantonen dat hij in het onderhavige jaar in het kader van zijn dienstbetrekking meer autokosten heeft gemaakt dan de ontvangen autokostenvergoeding. Niet alleen zijn de bezochte adressen niet vermeld maar bovendien blijkt niet van de gevolgde route. Aldus is enige controle op de juistheid van die gegevens niet mogelijk.

Hierbij heeft het hof mede in aanmerking genomen het feit dat de kilometerstand op 29 juli 1997, blijkende uit een garagenota, aanzienlijk verschilt van de kilometerstand op dezelfde dag in evenvermelde kilometeradministratie en belanghebbende hiervoor geen afdoende verklaring heeft gegeven.

5.3. Nu de overige door belanghebbende in het kader van zijn dienstbetrekking gestelde kosten niet uitgaan boven het door de inspecteur in aanmerking genomen arbeidskostenforfait van f 2.598, is slechts dit forfaitaire bedrag aftrekbaar.

5.4. Met het onder 2.5 genoemde afschrift heeft belanghebbende naar ’s Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt in het onderhavige jaar voor een bedrag van f 4.000 rente vooruit te hebben betaald aan E, nu op dit afschrift een omschrijving ontbreekt en als begunstigde de bankgirocentrale is vermeld. Voorts is in de onder 2.5 bedoelde jaaropgave geen melding gemaakt van vooruitbetaalde rente tot dit bedrag.

5.5. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep niet gegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot het vergoeden van kosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep niet gegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 31 augustus 2000 door mr. Boersma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Trippert als griffier. De uitspraak is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.