Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7774

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20426
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Baatbelasting R-straat e.o Hilversum. De onderhavige zaak is gebaat. Alle gebate zaken zijn in baatbelasting betrokken.

Geen niet-verhaalbare kosten verhaald. Verordening leidt niet tot onredelijke en willekeurige belastingheffing, en is niet strijdig met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/20426

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van de sectie betalingsverkeer en belastingen van de gemeente Hilversum, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ingekomen op 5 augustus 1997, ingediend door mr. A (B & C Belastingadviseurs) te Q als zijn gemachtigde (hierna: de gemachtigde). Het beroep, dat is aangevuld bij brief van 18 november 1997, is gericht tegen de uitspraak van verweerder met dagtekening 30 juni 1997 betreffende de aanslag in de baatbelasting R-straat e.o.

De aanslag werd opgelegd ter zake van het object S-straat 0 te Z tot een bedrag van f 25.428, en werd bij de bestreden uitspraak verminderd tot een aanslag voor het jaar 1997 van f 2.706,08.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag.

Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Met toestemming van de voorzitter van de belastingkamer heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. Verweerder heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

Ter zitting van 2 oktober 1998 zijn verschenen de gemachtigde en verweerder.

Partijen hebben pleitnota's (met bijlagen) voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Van de overgelegde stukken hebben de partijen kennis kunnen nemen en ze hebben zich er over kunnen uitlaten.

Na de zitting is de behandeling van de zaak schriftelijk voortgezet. Er heeft een briefwisseling plaatsgehad ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden.

Ter zitting van 11 juni 1999 zijn verschenen de gemachtigde en verweerder.

De gemachtigde heeft een pleitnota (met bijlagen) voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Verweerder heeft daarvan kennis kunnen nemen en heeft er zich over kunnen uitlaten.

2. Regelgeving

2.1. Op 10 december 1992 heeft de raad van de gemeente Hilversum het "Bekostigingsbesluit herinrichting R-straat e.o." (hierna: het Bekostigingsbesluit) vastgesteld. Dit besluit is op 21 of 24 december 1992 in een plaatselijke krant bekendgemaakt.

Het Bekostigingsbesluit betrof de financiering van voorzieningen welke tot stand zouden worden gebracht in het K-gebied (tezamen hierna: de heringerichte openbare ruimte), en die zouden bestaan uit sierbestrating etc, verlichting, straatmeubilair, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen (hierna: de voorzieningen).

De kosten verbonden aan het treffen van de voorzieningen werden geraamd op f 9.000.000, waarvan 85% zou worden verhaald op de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van onroerende zaken gelegen binnen een gebied zoals aangegeven op de bij het Bekostigingsbesluit behorende kaart (hierna: het plangebied).

2.2. Het Bekostigingsbesluit is genomen in samenhang met het op 23 december 1992 door de gemeenteraad vastgestelde ontwikkelingsplan "Binnenstad beter in beeld". Dit plan voorzag in verbetering c.q. herinrichting van het winkel- en verblijfsgebied van nader aangewezen gedeelten van de binnenstad van Hilversum.

2.3. De 'Verordening op de heffing en invordering van de baatbelasting R-straat e.o.' (hierna: de Verordening) is op 9 oktober 1996 vastgesteld en op 7 november 1996 in een plaatselijke krant bekendgemaakt.

De Verordening is in werking getreden met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking en de datum van ingang van de heffing is 1 januari 1997.

2.4. De Verordening luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

"Artikel 1 - Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder;

a. een onroerende zaak:

1. een gebouwd eigendom, waaronder in ieder geval

wordt verstaan een gebouw met eventuele toebehoren

en of grond ten aanzien waarvan een splitsing in

appartementsrechten heeft plaatsgevonden;

2. een ongebouwd eigendom;

3. een samenstel van:

- twee of meer aaneengebouwde of aangrenzende ge-

bouwde eigendommen; of:

- twee of meer aangrenzende ongebouwde eigendom-

men; of:

- aangrenzende gebouwde en ongebouwde eigendommen;

voorzover voor die eigendommen eenzelfde genot- hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een gerechtigde tot een appartementsrecht

hiervan uitgezonderd, wordt aangemerkt als belas-

tingplichtige;

4. een samenstel van:

- twee of meer aaneengebouwde of aangrenzende ge-

bouwde eigendommen; of:

- aangrenzende gebouwde en ongebouwde eigendommen;

voorzover die eigendommen deel uitmaken van een onroerende zaak ten aanzien waarvan een splitsing

in appartementsrechten, al dan niet in combinatie

met een ondersplitsing van een zodanig apparte- mentsrecht, heeft plaatsgevonden. (...)

Artikel 2 - Belastbaar feit

1. Onder de naam "Baatbelasting R-straat e.o."

wordt in de vorm van een heffing ineens een belasting

geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in

de gemeente binnen de bolletjes omlijning op de bij

deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerk-

te kaart, die op 1 november 1995 zijn gebaat door de

in de tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand

zijn gebracht door of met medewerking van het gemeen -

tebestuur. (...)

Artikel 4 - Maatstaf van heffing

1. (...)

2. De oppervlakte van een onroerende zaak wordt bepaald

op het aantal volle vierkante kadastrale meters van de begane grond -van de onroerende zaak die grenst

aan de heringerichte openbare ruimte- waarbij op hele

meters naar beneden wordt afgerond.

3. De frontbreedte wordt bepaald op de lengte gemeten van de kadastrale kaart, van dat deel van een onroe-

rende zaak dat grenst/gelegen is aan de heringerichte

openbare ruimte. (...) Indien er meerdere zijden (...) zijn gelegen aan de heringerichte openbare ruimte (...) geldt de som van alle zijden. (...)

Artikel 5 - Belastingtarief

De belasting bedraagt:

1. voor elke vierkante meter (...) f 50,30

2. voor elke strekkende meter (...) f 1.618,67. (...)".

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom van de onroerende zaak S-straat 0 te Hilversum. Deze onroerende zaak is verhuurd als winkelpand en ligt in het bij het Bekostigingsbesluit aangegeven plangebied en tevens in het gebied dat op de bij de Verordening behorende kaart is aangegeven met een bolletjes-omlijning. Voorts grenst deze onroerende zaak aan de heringerichte openbare ruimte.

3.2. De kosten van de herinrichting van het voorzieningengebied hebben uiteindelijk in totaal f 8.636.069,77 bedragen, volgens de hierna volgende berekening.

Daarvan is door de gemeente 85%, te weten f 7.340.659,30, via de onderhavige baatbelasting verhaald op de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (hierna: de genothebbenden) van de onroerende zaken gelegen binnen het gebied, dat op de bij de Verordening behorende kaart is aangegeven met een bolletjes-omlijning, en die op 1 november 1995 door de voorzieningen zijn gebaat.

Door verweerder is de volgende berekening gemaakt:

Kosten herinrichting R-straat e.o. f 8.803.356,77

af: correctie achterstallig onderhoud f 546.000,00

Correctie herinrichting part. eigendom f 675.224,66

f 7.582.132,11

bij: renteverlies voorfinanciering f 1.053.937,66

Totale kosten f 8.636.069,77

================

Te vorderen bedrag middels baatbelasting 85% van f 8.636.069,77

f 7.340.659,30

3.3. De aanslag baatbelasting is opgelegd naar een bedrag ineens van f 25.428, waarbij is uitgegaan van een oppervlakte van 55 m2 en een frontbreedte van 14 m, een en ander zoals bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid van de Verordening.

Bij de bestreden uitspraak is -kennelijk op grond van het bepaalde in artikel 6 van de Verordening- op verzoek van belanghebbende de regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende vijftien jaren toegepast.

De aanslag voor het jaar 1997 is uit dien hoofde nader berekend op f 2.706,08.

Aan de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslag is overigens niet tegemoetgekomen.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil

1. of de onderhavige onroerende zaak door de voorzieningen is gebaat;

2. of alle onroerende zaken die door de voorzieningen zijn gebaat in de heffing van baatbelasting zijn betrokken;

3. of door middel van baatbelasting kosten worden verhaald welke niet verhaald mogen worden;

4. of de Verordening leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing;

5. of de Verordening strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5. Standpunten van partijen en behandeling ter zittingen

5.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

5.2. Partijen hebben met betrekking tot de geschilpunten, zakelijk samengevat, de volgende stellingen ingenomen:

5.3. Geschilpunt 1: Is de onderhavige onroerende zaak gebaat?

Belanghebbende stelt dat de voorzieningen in de heringerichte openbare ruimte geen baat opleveren voor de onderhavige onroerende zaak. De onroerende zaak is noch gunstiger komen liggen, noch beter bereikbaar geworden als gevolg van de herinrichting.

De herinrichting van de binnenstad heeft er niet toe geleid dat er met de in de heringerichte openbare ruimte gelegen onroerende zaken meer omzet en/of winst is behaald. In het heringerichte gebied is over de gehele linie sprake van een neerwaartse omzetontwikkeling; er komt na de herinrichting veel leegstand voor; er is ook sprake van dalende huurprijzen. Als de voorzieningen al enige baat hebben opgeleverd dan is het nuttig effect te verwaarlozen gering.

Belanghebbende stelt ook nog dat hij -volgens vaste jurisprudentie- niet geacht kan worden gebonden te zijn aan uitlatingen van een ondernemersvereniging, waarvan vertegenwoordigers zouden hebben verklaard bereid te zijn mee te betalen indien sprake is van een bestrating die de binnenstad iets extra's geeft.

Verweerder stelt dat door de voorzieningen een aantrekkelijk en autoluw winkel- en verblijfsgebied tot stand is gekomen. De onroerende zaak is daardoor wel degelijk gebaat. Het bedrijfsresultaat van belanghebbende speelt geen rol bij de vraag of baat aanwezig is; het gaat om het object als zodanig. Het object zelf is in casu in een voordeliger positie gekomen.

5.4. Geschilpunt 2: Zijn alle gebate onroerende zaken in de heffing betrokken?

Belanghebbende stelt dat de kosten van de voorzieningen niet zijn omgeslagen over alle onroerende zaken die door de voorzieningen zijn gebaat, en dat daarom de Verordening onverbindend is.

Belanghebbende stelt ten eerste dat onroerende zaken gelegen rond het L-gebied eveneens worden gebaat door de voorzieningen. Deze onroerende zaken liggen in het gebied dat door het Bekostigingsbesluit werd bestreken, terwijl ze bij de Verordening niet in de baatbelasting worden betrokken.

Ten tweede stelt belanghebbende dat een drietal onroerende zaken, waarin een slagerij, een café en een kledingzaak gevestigd zijn, welke niet aan de voorzieningen grenzen doch op een afstand van minder dan zeven meter daarvan gelegen zijn, eveneens gebaat zijn. Nu er onroerende zaken zijn die evenmin aan de voorzieningen grenzen en op een veel grotere afstand daarvan gelegen zijn, doch die wél in de heffing betrokken worden, zulks door toepassing van de zogenoemde samenstelregel van artikel 1 van de Verordening, hadden de drie genoemde onroerende zaken eveneens in de heffing betrokken moeten worden.

Belanghebbende stelt ten derde dat het noordelijk gedeelte van het kadastrale perceel N 7137, waarvan een wijziging van de bestemming van openbare weg in bouwterrein op de peildatum 1 november 1995 door verweerder te voorzien was, ten onrechte niet in de heffing is betrokken. Bij pleitnota van 2 oktober 1998 (blz. 8) stelt belanghebbende dat naast perceel N 7137 ook de percelen N 3729, N 5629 en N 7253 om dezelfde redenen ten onrechte niet in de heffing zijn betrokken.

Verweerder stelt dat de in het Bekostigingsbesluit gegeven aanduiding van het gebied, dat door de in te voeren baatbelasting zal worden bestreken globaal mag zijn in die zin, dat dit gebied niet precies gelijk behoeft te zijn aan het gebied dat uiteindelijk in de heffing van baatbelasting wordt betrokken.

Met betrekking tot de drie onroerende zaken die niet aan de voorzieningen grenzen doch daarvan op een afstand van minder dan zeven meter gelegen zijn, stelt verweerder dat voor die percelen de baat zo gering is dat ze niet in de baatbelasting behoefden te worden betrokken. Ze kunnen niet vergeleken worden met de Hilvertshof, aangezien daarbij sprake is van een overdekt winkelcentrum van één eigenaar, met gemeenschappelijke afsluitbare ingangen, dat als één object is aangemerkt en als zodanig in de heffing is betrokken.

Met betrekking tot het kadastrale perceel N 7137 stelt verweerder dat op de peildatum 1 november 1995 nog geen sprake was van een concreet afgebakend afzonderlijk object dat kon worden geacht gebaat te zijn. Op de peildatum was de Koornstraat, waarvan de onroerende zaak deel uitmaakte, nog openbare weg; na de realisering van de winkelpassage heeft het grootste deel van N 7137 de functie van straat in de passage gekregen.

5.5. Geschilpunt 3: Worden door middel van de baatbelasting kosten verhaald welke niet verhaald mogen worden?

Belanghebbende stelt dat de gemeente kosten van onderhoudswerkzaamheden aan de bestrating ten onrechte als kosten van voorzieningen via de baatbelasting verhaalt. De gemeente heeft jarenlang nagelaten voldoende onderhoud aan de bestrating te plegen. Het bedrag dat door de gemeente als 'achterstallig onderhoud' is berekend, te weten f 546.000, en dat op de verhaalde kosten van de voorzieningen in mindering is gebracht, is te laag vastgesteld. De meest eenvoudige herbestrating zou ten minste f 1.638.772 bedragen, exclusief directiekosten en renteverlies. De Verordening is om deze reden onverbindend.

Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat ten onrechte geen correctie is toegepast voor de kosten van nutsvoorzieningen.

Verweerder stelt -naar het Hof begrijpt- dat zij op de te verhalen kosten van de voorzieningen 50% van de kosten van de aangebrachte sierbestrating in mindering heeft gebracht in verband met achterstallig onderhoud. Deze kosten zijn de door de accountant gecontroleerde en goedgekeurde werkelijke uitgaven voor de bestrating en dienen eerder als maatstaf voor de vermindering te worden genomen dan de door belanghebbende gehanteerde richtprijzen.

Verweerder weerspreekt dat de gemeente jarenlang heeft nagelaten normaal onderhoud te verrichten. Zo belanghebbende gelijk heeft met de post nutsvoorzieningen is deze post verwaarloosbaar klein. Een en ander kan er niet toe leiden dat er door middel van baatbelasting meer wordt verhaald dan er aan kosten zijn gemaakt.

5.6. Geschilpunt 4: Leidt de Verordening tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing?

Belanghebbende stelt te dezen primair dat artikel 1 van de Verordening in samenhang met de daarop door de gemeente

gegeven toelichting er ten onrechte toe leidt dat voor gerechtigden tot een appartementsrecht artikel 253, eerste lid, van de Gemeentewet wordt toegepast. Indien echter een gebouw in appartementsrechten is gesplitst, bestaat dat gebouw uit zelfstandige gedeelten. Voor elk van die gedeelten is de gerechtigde tot het appartementsrecht de genothebbende in de zin van de Verordening. Er is geen sprake van één onroerende zaak waarvan meerdere genothebbenden kunnen worden aangewezen. Het is dan onjuist om slechts één appartements-gerechtigde aan te slaan; ze moeten afzonderlijk worden aangeslagen. Artikel 1 van de Verordening leidt in samenhang met artikel 253 van de Gemeentewet tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing.

Subsidiair stelt belanghebbende dat de tariefstelling tot onredelijke en willekeurige uitkomsten leidt doordat de nadruk gelegd wordt op de frontbreedte en niet op de oppervlakte.

Door deze tariefstelling ontbreekt een billijke verhouding tussen de mate van gebaat zijn van de diverse onroerende zaken. De eigenaren van onroerende zaken met een zeer grote oppervlakte worden onevenredig bevoordeeld.

Verweerder stelt dat de afbakening voor de baatbelasting uit mag gaan van de onroerende zaak als zodanig, zonder rekening te houden met een onderverdeling in zelfstandig bruikbare gedeelten.

Nu de objectafbakening, de heffingsmaatstaf en de tarifering op elkaar aansluiten, is de Verordening daardoor innerlijk

consistent. Een afbakening zoals door belanghebbende voorgestaan zou bij hoogbouw leiden tot onredelijke verschillen tussen de onderste bouwlaag en de bouwlagen daarboven.

Verweerder meent dat de tariefstelling niet onredelijk is.

5.7. Geschilpunt 5: Is de Verordening in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur vastgesteld?

Belanghebbende brengt naar voren dat het plangebied veel omvangrijker is dan het gebied dat uiteindelijk bij de Verordening als gebaat gebied is aangewezen. Ongeveer 35% van het oorspronkelijk als gebaat aangewezen gebied is niet in de Verordening begrepen, waardoor tenminste 140 percelen niet in de baatbelasting worden betrokken.

Verder is in de Toelichting op het Bekostigingsbesluit en op een op 3 november 1992 voor belanghebbenden gehouden voorlichtingsbijeenkomst door de gemeente aangegeven dat het tarief van de in te voeren baatbelasting ongeveer f 33 per f 1.000 waarde in het economisch verkeer (vastgesteld volgens de Verordening onroerend-goedbelastingen 1992) zou gaan bedragen. Zulks zou tot een aanslag van f 14.190 hebben geleid in plaats van de opgelegde aanslag ad f 25.428. Door de aanmerkelijke verkleining van het gebate gebied en door wijziging van de voorgenomen heffingsmaatstaf in een voor hem nadelige maatstaf is de rechtszekerheid voor belanghebbende zodanig ernstig geschaad, dat geconcludeerd wordt dat de Verordening is vastgesteld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel.

Verweerder stelt dat met het oog op de rechtszekerheid in het Bekostigingsbesluit een gebied wordt aangegeven waarbinnen een baatbelasting zou kunnen gaan gelden. Dat gebied mag globaal worden aangeduid. Met het vaststellen van het Bekostigingsbesluit is als het ware voldaan aan de cautieplicht. De latere afwijking van het oorspronkelijk aangegeven gebate gebied is niet onaanvaardbaar groot.

Met betrekking tot de vaststelling van de heffingsmaatstaf stelt verweerder dat daarover slechts uitspraken onder voorbehoud zijn gedaan; de in strijd met die uitspraken vastgestelde Verordening is deswege niet onverbindend. Ook is de maatstaf zoals vastgesteld in redelijkheid toegestaan en voldoende objectief.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Voorop moet worden gesteld dat nu belanghebbende stelt (zie 5.3) dat zijn onroerende zaak niet is gebaat, op verweerder de last rust te bewijzen dat zulks wel het geval is.

Verweerder heeft naar 's Hofs oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbendes onroerende zaak is gebaat.

Door de totstandbrenging van de voorzieningen is een winkelgebied ontstaan dat fraaier en voor winkelend publiek aantrekkelijker is dan het tevoren was. Daardoor is de onroerende zaak -objectief bezien- in een voordeliger positie gebracht, en als zodanig gebaat.

Of na de herinrichting van het winkelgebied met de onroerende zaak meer of minder omzet of winst is behaald, of dat er in het algemeen sprake was van een neerwaartse omzetontwikkeling is, nu het om de onroerende zaak als zodanig gaat, niet van belang. Zulks zou slechts anders kunnen zijn als een -niet slechts tijdelijk- teruglopende omzet rechtstreeks zou zijn terug te voeren op de totstandbrenging van de voorzieningen. Daarvoor heeft belanghebbende echter onvoldoende gesteld of aannemelijk gemaakt.

6.2.1. Belanghebbende stelt (zie 5.4) dat niet alle gebate onroerende zaken in de heffing zijn betrokken, en dat de Verordening daardoor onverbindend is.

Tot de gebate onroerende zaken die niet in de heffing zijn betrokken rekent belanghebbende ten eerste de onroerende zaken die wel in het plangebied van het Bekostigingsbesluit liggen,

maar niet in het gebied waar de Verordening betrekking op heeft. Naar 's Hofs oordeel brengt het gelegen zijn van onroerende zaken in het plangebied op zichzelf nog niet mee dat die zaken door de later tot stand gebrachte voorzieningen zijn gebaat. Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs van het tegendeel bijgebracht. Voor zover ten aanzien van (sommige van) die zaken toch zou kunnen worden gesproken van enige baat, heeft het volgende te gelden.

De gemeentelijke regelgever heeft in de Verordening ervoor gekozen, kennelijk om uitvoeringstechnische redenen, om als gebate onroerende zaken slechts aan te merken die onroerende zaken die direct grenzen aan de heringerichte openbare ruimte. Naar 's Hofs oordeel heeft die regelgever hiervoor in redelijkheid kunnen en mogen kiezen. Het Hof stelt daarbij voorop dat de beantwoording van de vraag of een onroerende zaak door aangebrachte voorzieningen wordt gebaat tot op zekere hoogte arbitrair is. Zo zal de herinrichting van een winkelgebied een zekere uitstraling hebben, waarvan de invloed op de mate van gebaat zijn niet objectief is vast te stellen.

De regelgever mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat onroerende zaken die niet grenzen aan de heringerichte openbare ruimte in het algemeen niet of slechts in verwaarloosbaar geringe mate door die voorzieningen zullen zijn gebaat. Die zaken zijn dan terecht als niet-gebaat in de zin van de Verordening aangemerkt.

6.2.2. Ten tweede gaat het belanghebbende om drie nader omschreven onroerende zaken (perceelsnummers N 7449, N 7549 en N 716) die niet aan de heringerichte openbare ruimte grenzen, maar er op minder dan zeven meter afstand van en recht tegenover liggen.

Belanghebbende stelt -naar het Hof begrijpt- dat die onroerende zaken als gebate onroerende zaken moeten worden aangemerkt omdat andere onroerende zaken, die feitelijk verder van de heringerichte openbare ruimte liggen dan de bedoelde drie onroerende zaken, door de werking van de zogenoemde samenstelregel van artikel 1, onder a, punt 3, van de Verordening, in de heffing worden betrokken. Deze stelling wordt verworpen.

Er is geen sprake van ongelijke toepassing van de Verordening op gelijke gevallen. De gemeentelijke regelgever is er kennelijk en terecht vanuit gegaan dat aan elkaar grenzende eigendommen van dezelfde genothebbende als één geheel kunnen worden gebruikt en dat om die reden zodanige eigendommen door de voorzieningen zijn gebaat, ook als zij niet direct grenzen aan de heringerichte openbare ruimte. Daarvan is bij de drie genoemde onroerende zaken geen sprake.

6.2.3. Belanghebbende stelt voorts nog dat het noordelijk gedeelte van de M-straat (perceel N 7137) en de daaraan grenzende percelen N 3729, N 5629 en N 7253 ten onrechte niet in de baatbelasting zijn betrokken.

Het Hof verwerpt die stelling. Op de peildatum 1 november 1995 had het noordelijk gedeelte van de M-straat de functie van openbare weg; na latere realisering van een winkelpassage heeft dat gedeelte grotendeels de functie van straat behouden.

Hoewel op de peildatum reeds een wijziging van het bestemmingsplan was voorzien, was met betrekking tot concrete invulling van bouwplannen nog weinig of niets bekend. Er was dan ook nog geen sprake van duidelijk afgebakende of af te bakenen afzonderlijke onroerende zaken. Onder deze omstandigheden kunnen de onroerende zaken die later ontstaan zijn op of grenzend aan het perceel N 7137 niet geacht worden op 1 november 1995 door de voorzieningen gebaat te zijn. Verweerder mocht deze onroerende zaken mitsdien buiten de heffing laten. Hetgeen belanghebbende bij pleitnota van 2 oktober 1998 nog naar voren heeft gebracht doet daaraan niet af.

6.3. Belanghebbende stelt (zie 5.5) dat de Verordening onverbindend is omdat verweerder kosten van normaal c.q. achterstallig onderhoud aan straten en nutsvoorzieningen via de baatbelasting op de belastingplichtigen verhaalt.

Daargelaten de vraag of zulks tot onverbindendheid van de Verordening zou moeten leiden, oordeelt het Hof dat verweerder, op wie te dezen de bewijslast rust, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij steeds normaal onderhoud aan de straten heeft gepleegd, en ook voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake was van zodanig achterstallig onderhoud aan bestrating, dat zij daarmee, nu zij ter zake f 546.000 op de totale kosten in mindering heeft gebracht, niet voldoende rekening heeft gehouden.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat ook sprake was van achterstallig onderhoud in nutsvoorzieningen, is het Hof van oordeel dat belanghebbende tegenover de betwisting daarvan door verweerder onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden heeft gesteld. Voor het geval echter met gering achterstallig onderhoud in nutsvoorzieningen ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden, geldt naar 's Hofs oordeel, in aanmerking nemend hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 3 november 1999 (BNB 1999/448*) heeft overwogen, dat een naar verhouding zeer geringe tekortkoming in de aan het tarief ten grondslag liggende berekening niet zonder meer tot onverbindendheid van de Verordening behoeft te leiden.

6.4.1. Belanghebbende stelt (zie 5.6) dat de Verordening tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leidt. Voorzover belanghebbende daartoe aanvoert dat gerechtigden tot een appartementsrecht niet zelfstandig in de baatbelasting worden betrokken, verwerpt het Hof die stelling.

Met het bepaalde in artikel 1, onder a, punt 4, van de Verordening is kennelijk, mede gelet op de daarop gegeven officiële toelichting, beoogd in appartementsrechten gesplitste gebouwen als één onroerende zaak aan te merken. Hieraan ligt blijkbaar de gedachte ten grondslag dat de niet op de begane grond gelegen appartementen in een appartementsgebouw, zonder deze bepaling en gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Verordening, niet in de heffing zouden kunnen worden betrokken, doch door deze bepaling daarin -zij het indirect- wel zullen worden betrokken. Het Hof acht dit een juist uitgangspunt.

Niet valt in te zien waarom dit uitgangspunt, zoals belanghebbende stelt, in samenhang met artikel 253, eerste lid, van de Gemeentewet, tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing zou leiden.

6.4.2. Belanghebbendes grief met betrekking tot de tariefstelling verwerpt het Hof eveneens. Voorop staat dat de vaststelling van het tarief niet aan de belastingrechter ter toetsing staat. Dat kan slechts anders zijn als sprake is van een onredelijk en willekeurig tarief. Verweerder heeft bij de tariefstelling gekozen voor een tarief gebaseerd op de heffingsmaatstaf frontbreedte en oppervlakte, in afwijking van de oorspronkelijk beoogde heffingsmaatstaf waarde in het economisch verkeer. Deze keuze mocht verweerder maken. Ook de hoogte van de tarieven voor frontbreedte en oppervlakte leidt naar 's Hofs oordeel niet tot onredelijke en willekeurige uitkomsten. Daaraan doet niet af dat belanghebbende, doordat zijn onroerende zaak op de hoek van twee straten is gelegen, een naar verhouding hoge aanslag krijgt. Zulks is een gevolg van de hoedanigheid van die zaak.

6.5.1. Belanghebbende stelt (zie 5.7) dat de Verordening in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel, is vastgesteld omdat het plangebied groter was dan het in de Verordening aangewezen omslagplichtig gebied, en omdat de heffingsmaatstaf van de Verordening een geheel andere is dan was aangegeven in de Toelichting op het Bekostigingsbesluit en omdat het te betalen bedrag beduidend hoger was dan voortvloeide uit de gemeentelijke voorlichting daaromtrent.

6.5.2. Het Hof overweegt hieromtrent het volgende. Het Bekostigingsbesluit heeft tot functie een zekere duidelijkheid voor de burgers te scheppen, met name ten aanzien van de mogelijke omvang van het omslaggebied, en een indicatie te geven met betrekking tot de omvang van het totale kostenverhaal voor het desbetreffende omslaggebied. Daaraan is inherent dat het omslaggebied in het Bekostigingsbesluit tot op zekere hoogte globaal wordt aangeduid en dat het aldus aangeduide gebied in ieder geval niet kleiner is doch veelal groter zal zijn dan het uiteindelijk vastgestelde omslagplichtige gebied.

Nu voorts bij het Bekostigingsbesluit nog geen definitieve beslissingen zijn genomen omtrent met name de maatstaf van hef-fing, en nu het de gemeenteraad in beginsel vrijstond om bij het vaststellen van de heffingsmaatstaf en het tarief af te wijken van de aanvankelijk in de Toelichting op het Bekostigingsbesluit en bij de gemeentelijke voorlichting gedane uitlatingen, kan een individuele belastingplichtige zich er niet met vrucht op beroepen dat de Verordening in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld, omdat de hoogte van de aanslag aanmerkelijk verschilt van hetgeen hij op dat punt verwachtte.

6.6. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan verweerder.

7. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is, en er zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 27 januari 2000

door mrs. Holdert, Onnes en Kwantes, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier.

De beslissing is op die dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof

(zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de

bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenmin- ste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het

beroep in casatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.