Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7773

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21388
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoger gelegen gebieden hebben belang bij de watergangenstelsels in de lager gelegen uiterwaarden., welke noodzakelijk zijn voor de afvoer van het water van de hoger gelegen gebieden via de uiterwaarden naar de Nederrijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/628
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/21388

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de erfgenamen van X te Y, belanghebbenden,

tegen

een uitspraak van het dagelijks bestuur van het Waterschap Vallei & Eem, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbenden is ter griffie van het Hof een beroepschrift ontvangen op 29 oktober 1997, ingediend door A te Y, als hun gemachtigde.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 25 september 1997 betreffende de aan X opgelegde aanslag waterschapsomslag gebouwd voor het jaar 1997.

Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Voorzover nodig met toestemming van de voorzitter van de meervoudige belastingkamer hebben partijen conclusies van re- en dupliek ingediend.

Ter zitting van 18 september 1998 zijn verschenen A namens belanghebbenden en B, C, D en E namens verweerder.

De gemachtigde van belanghebbenden heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. Namens verweerder is een kaart overgelegd, waarop de primaire en secundaire watergangen in het beheersgebied van verweerder zijn aangegeven. De gemachtigde van belanghebbenden heeft de kaart kunnen inzien en heeft daarop kunnen reageren.

Het Hof heeft verweerder in de gelegenheid gesteld nader schriftelijk te reageren op de stellingen van belanghebbenden ter zitting. Verweerder heeft daarvan gebruik gemaakt bij brief van 14 januari 1999 met twee bijlagen en drie kaarten. Deze stukken zijn aan de gemachtigde van belanghebbenden ter kennis gebracht en deze heeft daarop gereageerd bij brief van 30 januari 1999 met bijlagen en foto’s. Deze reactie is ter kennis van verweerder gebracht.

Ter zitting van 11 juni 1999 zijn verschenen vorengenoemde gemachtigde van belanghebbenden en, namens verweerder B, C, E, allen voornoemd, alsmede F. Verweerder heeft voorafgaande aan deze zitting aan het Hof en aan de gemachtigde van belanghebbenden een pleitnota toegezonden en de gemachtigde van belanghebbenden heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Alle vorengenoemde stukken worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Verordeningen

Blijkens het Algemeen reglement voor het waterschap Vallei en Eem (hierna ook: het waterschap) heeft dit waterschap binnen zijn gebied onder meer de zorg voor de waterkering en de zorg voor het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer en worden de kosten voor deze taken toegedeeld aan de categorieën ingezetenen, gebouwd en ongebouwd.

Het algemeen bestuur van genoemd waterschap heeft ten behoeve van deze toedeling in de vergadering van 6 januari 1997 vastgesteld:

de Omslagverordening waterschap Vallei en Eem 1997,

de Kostentoedelingsverordening waterschap Vallei en Eem 1997, en

de Omslagklassenverordening waterschap Vallei en Eem 1997.

De verordeningen zijn goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van de provincies Utrecht en Gelderland bij besluit van 7 januari 1997, nr. 97440025, respectievelijk van 7 januari 1997, nr. MW97.602-6082008 en gepubliceerd op 7 januari 1997.

De omslagverordening houdt, voor zover van belang het volgende in:

"Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Begripsbepalingen

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

a.beheersgebied: het gebied, zoals omschreven in artikel 1 van het Algemeen reglement voor het waterschap Vallei en Eem, waarin de aan het waterschap opgedragen taken worden behartigd;

b. kadastrale registratie: de registratie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Kadasterwet;

c. taken: de zorg voor de waterkering (waterkeringszorg) en het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer (waterkwantiteitsbeheer).

Belastbaar feit en omslagplicht

Artikel 2

1.Ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de aan het waterschap opgedragen taken wordt onder de naam ‘omslag’ een directe belasting geheven.

2. De in het eerste lid bedoelde omslag wordt geheven van de omslagplichtigen:

a. bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3, ter zake van de in die hoofdstukken genoemde onroerende zaken, voorzover deze zijn gelegen in het beheersgebied en deze belang hebben bij de behartiging van de in die hoofdstukken nader omschreven taken;

b. bedoeld in hoofdstuk 4, ter zake van het hebben van woonplaats en het gebruiken van woonruimte in het beheersgebied.

Hoofdstuk 2 Omslagheffing ongebouwd

( . . . )

Hoofdstuk 3 Omslagheffing gebouwd

Omslagplicht zakelijk genothebbenden gebouwd

Artikel 7

1. Met betrekking tot de taken van het waterschap wordt de omslag geheven van degenen die in het

beheersgebied van het waterschap krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.

2. Als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een gebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de desbetreffende kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3. Ingeval een gebouwde zaak is onderworpen aan verschillende soorten van beperkt recht, wordt uitsluitend geheven van degene die het genot heeft van het beperkt recht, waaraan ingevolge artikel 24 van de Waterschapswet stemrecht is verbonden.

( . . . )

Tarieven gebouwd

Artikel 10

Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening waterschap Vallei en Eem 1997, bedragen de tarieven van de omslag, bedoeld in artikel 7, voor elke volle f. 5.000,- van de waarde in het economische verkeer:

a. voor de waterkeringszorg f. 0,26

b. voor het waterkwantiteitsbeheer f. 0,71"

2.2. De kostentoedelingsverordening houdt, voorzover van belang, het volgende in:

"Begripsbepalingen

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

a. waterschap: het waterschap Vallei en Eem;

( . . . )

d. zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken;

( . . . )

Waterkeringszorg

Artikel 3

De kosten voor de waterkeringszorg worden als volgt toegedeeld:

43 % aan de ingezetenen;

53 % aan de zakelijk gerechtigden gebouwd;

4 % aan de zakelijk gerechtigden ongebouwd.

Oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer

Artikel 4

De kosten voor het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer worden als volgt toegedeeld:

20 % aan de ingezetenen;

41 % aan de zakelijk gerechtigden gebouwd;

39 % aan de zakelijk gerechtigden ongebouwd."

2.3. De omslagklassenverordening houdt, voorzover hier van belang, het volgende in

" ( . . .)

Oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer

Artikel 5

1. ( . . . )

2. Voor de gebouwde onroerende zaken worden voor het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer drie omslagklassen ingesteld. De gebouwde onroerende zaken worden ingedeeld in één van de volgende omslagklassen:

*omslagklasse 5: gebouwde onroerende zaken, gelegen in gebieden die belang hebben bij het daar aanwezige watergangenstelsel;

*omslagklasse 6: gebouwde onroerende zaken, gelegen in gebieden die belang hebben bij het in een ander gebied gelegen watergangenstelsel;

*omslagklasse 7: gebouwde onroerende zaken, gelegen in gebieden die geen belang hebben bij het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer.

3. De begrenzing van de omslagklassen als bedoeld in lid 1 en 2 zijn aangegeven op de kaarten nrs.

4-3 en 4-4 welke onderdeel uitmaken van deze verordening.

Omslagklassen oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer

Artikel 6

1. ( . . . )

2. De op grond van artikel 9 van de Omslagverordening 1997 vastgestelde heffingsmaatstaf van de gebouwde onroerende zaken, die geheel of grotendeels zijn gelegen in de in artikel 5, tweede lid, genoemde omslagklasse-gebieden, wordt vermenigvuldigd met de volgende factor:

omslagklasse 5: 1,3;

omslagklasse 6: 0,3;

omslagklasse 7: 0;"

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. De aanslag ten bedrage van f 20,70 is opgelegd aan wijlen X, van wie belanghebbenden de erfgenamen zijn. De aanslag heeft betrekking op de waterschapsomslag voor het jaar 1997 en wel in het bijzonder de omslag voor de kosten van het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer met betrekking tot de gebouwde onroerende zaak (hierna ook: de onroerende zaak of het huis), plaatselijk bekend a-laan 6 te Y, met een vastgestelde waarde van f 575.000.

3.2. De onroerende zaak is gelegen binnen het gebied dat op de kaarten, genoemd in artikel 5, derde lid, van de onder 2.3 genoemde Omslagklassenverordening, is ingedeeld in de omslagklasse 6.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil de vraag of het gebied waarin de onroerende zaak is gelegen, dan wel de onroerende zaak zelf terecht in omslagklasse 6 is ingedeeld. Belanghebbenden stellen en verweerder betwist dat indeling had moeten plaats hebben in omslagklasse 7.

5. Standpunten van partijen

Het Hof verwijst daarvoor naar de stukken van het geding.

Kort en zakelijk samengevat zijn belanghebbenden van oordeel dat zij geen gelegenheid hebben gehad om bezwaar te maken tegen de onder 2 genoemde verordeningen c.q. van die mogelijkheid niet op de hoogte waren of konden zijn. Zij stellen voorts dat een hydrologische studie als basis voor de aanslag ontbreekt. Met betrekking tot de feitelijke situatie menen zij dat op het huis en de tuin vallend regenwater direct in de grond wordt opgenomen en wordt toegevoegd aan het grondwater van waaruit het verder met grote vertraging wordt afgevoerd. De afvoer van het grondwater naar de Renkumse en Heelsumse beken is niet noodzakelijk. Die beken zijn in het verleden gegraven voor de papierindustrie en worden thans verbeterd met het oog op natuurbehoud. Daarvoor krijgen de ingezetenen van het waterschap reeds een aanslag in de ingezetenenomslag. De verdere afvoer via de watergangen in de uiterwaarden rechtvaardigt evenmin de indeling omdat de grondwaterstand in de uiterwaarden wordt bepaald door de Rijnstand, door de ter plaatse vallende neerslag en plaatselijk door kwelwater van de aangrenzende heuvelrand. Afwatering in de uiterwaarden is slechts mogelijk als de waterstand in de uiterwaarden lager is dan in de Neder-Rijn, maar dan is er sprake van watervoorziening en niet van waterbezwaar. Voor de watergangen in de Rosandepolder is in het verleden nooit een aanslag opgelegd. Voorts is de waterverplaatsing van de hooggelegen gebieden naar de natte gebieden eerder een positieve bijdrage te noemen. Een en ander leidt tot de conclusie dat de onderwerpelijke onroerende zaak geen belang heeft bij de taakuitoefening van het waterschap in de zin van voordeel of baat. Indien het begrip belang in artikel 120, tweede lid van de Waterschapswet ook omvat de bijdrage van hoger gelegen gebieden aan het waterbezwaar in laag gelegen gebieden, dan zou de heffingsmaatstaf niet de waarde van de hoger gelegen onroerende zaak moeten zijn, maar zou geheven moeten worden naar de oppervlakte.

Verweerder heeft, op dezelfde wijze samengevat, aangevoerd dat belanghebbenden tegen de onder 2 genoemde verordeningen bezwaar hadden kunnen aantekenen hetgeen niet is gebeurd. Verweerder stelt voorts dat aan de verordeningen een in 1985 door de provincie Gelderland ingesteld grondig hydrologisch onderzoek ten grondslag ligt, waaruit een duidelijke hydrologische relatie blijkt tussen de hoger en lager gelegen gebieden op de Zuid-Veluwe. Verweerder voert met betrekking tot de feitelijke situatie aan dat het regenwater, voorzover dit niet in de riolering terecht komt, infiltreert in de bodem van het gebied waarin de onroerende zaak is gelegen en zich deels via een drietal in de benedenloop van de Slijpbeek uitkomende beken naar de uiterwaarden in de Neder-Rijn beweegt, waarna het na een relatief kort verblijf kan opwellen naar het oppervlak om als oppervlaktewater verder te worden afgevoerd. Deels beweegt dit geïnfiltreerde regenwater zich naar de kwelgebieden in de uiterwaarden. Voorzover het regenwater in de riolering terecht komt, treden - bij hoge neerslagintensiteiten - twee riooloverstorten in werking. Dit overstortwater stroomt tezamen met het water van de Zuid-Veluwse beken naar het in de uiterwaarden gelegen benedenstroomse deel van de Slijpbeek. Tussen de overstorten en de Slijpbeek liggen watergangen die speciaal voor die afvoer in stand worden gehouden.

Op grond van een en ander moet worden geconcludeerd dat de onroerende zaak deel uitmaakt van het beheersgebied van het waterschap en dat de onroerende zaak belang heeft bij de taakuitoefening van het waterschap. Het begrip belang moet niet alleen worden opgevat als het belang van degenen die gebaat zijn bij de waterschapsvoorzieningen, maar omvat ook het belang bij het treffen van voorzieningen tot opheffing van waterstaatkundige bezwaren voortvloeiende uit de vrije afvoer van hoger gelegen gebieden op lager gelegen gronden.

Voorts gaat het bij de vraag of belang bestaat bij de taakuitoefening van het waterschap niet om het individuele en subjectieve belang van belanghebbenden, maar om het objectieve belang van alle onroerende zaken die deel uitmaken van een gebied waarvoor een bepaald voorzieningenniveau noodzakelijk is.

Voor de totstandkoming van de kostentoedelingsverordening is een onderzoek ingesteld naar de toedeling van de waterschapslasten van het waterschap. De verordening is voorts gebaseerd op artikel 51 van het Algemeen reglement dat als volgt luidt:

"ARTIKEL 51.

1. Bij de toedeling van kostenaandelen in het kader van de ingevolge artikel 119 van de Waterschapswet vast te stellen verordening neemt het waterschapsbestuur de volgende uitgangspunten in acht:

2. De kosten van de waterkeringszorg worden toegedeeld:

a. aan de categorie ingezetenen;

b. aan de categorie gebouwd;

c. aan de categorie ongebouwd.

3. Het aandeel van de ingezetenen in de kosten van de waterkeringszorg wordt bepaald op basis van de bevolkingsdichtheid van het gebied.

4. De resterende kosten van de waterkeringszorg worden aan de categorieën gebouwd en ongebouwd toegedeeld, in verhouding van de globale waarde in het economisch verkeer van het geheel van de gebouwde en ongebouwde onroerende zaken gelegen in de bij die taak belanghebbende gebieden.

5. De kosten van het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer worden toegedeeld:

a. aan de categorie ingezetenen;

b. aan de categorie gebouwd;

c. aan de categorie ongebouwd.

6. Het aandeel van de categorie ingezetenen in de kosten van het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer wordt bepaald met inachtneming van de mate waarin deze categorie voor haar functioneren in het waterschapsgebied afhankelijk is van de waterstaatkundige verzorging door het waterschap.

De resterende kosten van het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer worden toegedeeld aan de categorieën gebouwd en ongebouwd, in verhouding van de bij benadering te bepalen kosten van het waterstaatkundige vereiste voorzieningenniveau van het geheel van de gebouwde en ongebouwde onroerende zaken in de bij die taak belanghebbende gebieden."

Ook voor de totstandkoming van de omslagklassenverordening is een onderzoek ingesteld. Daarbij geldt dat die omslagklassen niet zodanig verfijnd kunnen worden ingesteld dat als het ware per perceel een aparte omslagklasse moet worden vastgesteld. Wel is voor het gebied waarin de onroerende zaak is gelegen - een hooggelegen gebied - een lager voorzieningenniveau noodzakelijk, maar dat rechtvaardigt slechts de indeling in omslagklasse 6 en niet die in omslagklasse 7.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Met betrekking tot de vraag of belanghebbenden wel of geen bezwaar hebben kunnen maken tegen de onder 2 genoemde verordeningen overweegt het Hof het volgende.

Het Hof acht op grond van hetgeen verweerder heeft aangevoerd aannemelijk dat bij de totstandkoming van die verordeningen de formele vereisten in acht zijn genomen. Belanghebbenden hebben voor het tegendeel onvoldoende aangevoerd. Dat zij in feite niet hebben geweten van de mogelijkheden die zij hadden om tegen die verordeningen bezwaar te maken doet daaraan niet af. Voorzover zij met hun stellingen dienaangaande hebben willen betogen dat reeds daarom de aan hen opgelegde aanslag moet worden vernietigd, wijst het Hof dat betoog af. Voorzover verweerder heeft willen stellen dat aan belanghebbenden niet meer het recht toekomt om op te komen tegen hetgeen in die verordeningen is geregeld, verwerpt het Hof ook dat betoog. Indien bij de totstandkoming van verordeningen formele vereisten niet in acht zijn genomen of die verordeningen bepalingen bevatten die in strijd zijn met hogere regelgeving, kan aan die verordeningen, al dan niet na daartoe aangevoerde grieven door een omslagplichtige, verbindende kracht worden ontzegd. In casu is daarvan echter niet gebleken. Aan de verordeningen kan evenzeer verbindende kracht worden ontzegd indien bij marginale toetsing zou blijken dat een onredelijke en willekeurige heffing tot stand is gekomen, waarop de regelgever niet het oog kan hebben gehad.

6.2. De conclusie van belanghebbenden dat het gebouwde eigendom a-laan 6 te Y geen belang heeft bij de taakuitoefening van verweerder begrijpt het Hof aldus dat belanghebbenden primair stellen dat de kostentoedelingsverordening van het waterschap in strijd is met het bepaalde in artikel 119, zesde lid van de Waterschapswet en subsidiair dat de omslagklassenverordening van dat waterschap in strijd is met het bepaalde in artikel 120, zevende lid van die wet.

6.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de taak oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer een aan het waterschap opgedragen taak is welke zij binnen het beheersgebied moet uitoefenen. De aan die taakuitoefening verbonden kosten dienen te worden omgeslagen over de categorieën omslagplichtigen, waartoe ook behoren de eigenaren van gebouwde eigendommen binnen het beheersgebied. De kostentoedelingsverordening is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 51 van het Algemeen reglement van het waterschap. Gesteld noch gebleken is dat die groep eigenaren als geheel, geen enkel belang hebben bij de taakuitoefening door het waterschap. Evenmin zijn door belanghebbenden feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat het aan die eigenaren toegedeelde percentage van de kosten van het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer te hoog zou zijn. Omdat het in artikel 119, zesde lid van de Waterschapswet genoemde belang betrekking heeft op het belang dat de categorieën van omslagplichtigen hebben bij dit taakonderdeel van het waterschap en geen betrekking heeft op het individuele belang, faalt de primaire grief van belanghebbenden.

6.2.2. Ook de subsidiaire grief van belanghebbenden treft geen doel. In de omslagklassenverordening van het waterschap zijn voor wat betreft het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer met betrekking tot de gebouwde eigendommen drie omslagklassen onderscheiden. Op deze wijze is rekening gehouden met de verschillen in hoedanigheid en ligging van de gebouwde eigendommen teneinde te voorkomen dat de eigenaren van die eigendommen onevenredig voor- of nadeel ondervinden. Deze indeling is voorts door belanghebbenden op zichzelf niet bestreden en berust, naar het Hof aannemelijk acht, mede op het hydrologisch onderzoek dat door de provincie Gelderland in 1985 is verricht. Verweerder heeft het rapport van dit onderzoek overgelegd en daarmee de stelling van belanghebbenden dat geen hydrologisch onderzoek zou zijn verricht genoegzaam weerlegd. Er is in beginsel dan ook geen reden om aan deze verordening verbindende kracht te ontzeggen.

De gebouwde eigendom van belanghebbenden is blijkens die omslagklassenverordening ingedeeld in de omslagklasse 6. Bij indeling in de omslagklasse 5 hebben belanghebbenden geen belang omdat dit slechts kan leiden tot een hogere omslag. Belanghebbenden willen dan ook dat de gebouwde eigendom a-laan 6 te Y wordt ingedeeld in omslagklasse 7, welke blijkens de verordening van toepassing is op gebouwde onroerende zaken welke zijn gelegen in gebieden welke geen belang hebben bij het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer. In dit kader dient het begrip belang niet alleen te worden opgevat in de zin van profijt hebben, maar omvat het ook het belang dat de hoger gelegen gebieden hebben bij de werkzaamheden van het waterschap welke noodzakelijk zijn om wateroverlast voor de lager gelegen gebieden te voorkomen. Het Hof acht aannemelijk dat de genoemde gebouwde eigendom wel belang heeft bij dit beheer en met name bij het onderhoud en beheer van de, in het bijzonder in de lager gelegen gebieden aanwezige watergangenstelsels die het van de hoger gelegen gebieden afkomende water moeten leiden naar de Neder-Rijn. Deze watergangenstelsels zijn voor het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer noodzakelijk om wateroverlast voor de lager gelegen gebieden, tengevolge van de afvoer van de hoger gelegen gebieden, te voorkomen.

6.3. Belanghebbenden hebben nog gesteld dat de heffingsmaatstaf van de waarde in het economische verkeer onjuist is, althans voor de gebouwde eigendommen in hoger gelegen gebieden waarvan de eigenaren slechts belang hebben bij de taakuitoefening door het waterschap om wateroverlast in de lager gelegen gebieden te voorkomen. Het Hof verwerpt ook deze grief, omdat niet kan worden ingezien dat binnen de categorie van eigenaren van gebouwde eigendommen onderscheid zou moeten worden gemaakt naar de aard van hun belang. Ook de wetgever heeft dit onderscheid, blijkens het bepaalde in artikel 120, tweede lid van de Waterschapswet, niet willen maken.

6.4. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat aan de kostentoedelingsverordening en de omslagklassenverordening verbindende kracht niet kan worden ontzegd, dat de aanslag met het bepaalde in die verordeningen in overeenstemming is, dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een onredelijke en willekeurige heffing waarop de regelgever niet het oog kan hebben gehad en dat het beroep mitsdien ongegrond moet worden verklaard.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 27 januari 2000 door mrs. Holdert, Onnes en Kwantes, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.