Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7744

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/02033
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In rechte te beschermen vertrouwen, gewekt door de gemeentelijke overheid met betrekking tot de waardevaststelling op grond van de Wet woz geldt onder omstandigheden alleen ten opzichte van de door die gemeentelijke overheid te heffen belastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/380
Belastingblad 2000/714

Uitspraak

98/02033

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen van de gemeente Castricum, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ingekomen op 4 mei 1998, gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 24 april 1998, betreffende een op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet) genomen beschikking, waarbij de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te P, naar de waardepeildatum 1 januari 1995 voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 is vastgesteld op ¦ 585.000, welke waarde bij de thans bestreden uitspraak is gehandhaafd. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 13 juni 1998.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de bij de beschikking vastgestelde waarde tot ƒ 329.000.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Zesde Enkelvoudige Belastingkamer van 5 januari 1999, alwaar namens verweerder is verschenen A. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen, hoewel de griffier hem bij aangetekend verzonden schrijven van 8 december 1998 kennis heeft gegeven van plaats, datum en tijdstip van de mondelinge behandeling. Na verwijzing naar de Vierde Meervoudige Belastingkamer is het beroep behandeld ter zitting van 19 november 1999, alwaar namens verweerder zijn verschenen B en voornoemde A. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen, hoewel de griffier hem bij aangetekend verzonden schrijven van 27 september 1999 kennis heeft gegeven van dag, tijdstip en plaats van de mondelinge behandeling. Verweerder heeft ter zitting een afschrift overgelegd van een gedeelte van een krantenpagina van woensdag 17 mei 1995.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De onroerende zaak a-straat 1 te P(hierna: de woning), waarvan belanghebbende op 1 januari 1997 zowel genothebbende krachtens eigendom als gebruiker is, betreft een vrijstaande woning, gelegen naast de eveneens vrijstaande woning a-straat 2, welke is verkocht in de maand juni 1995 voor ƒ 595.000.

2.2. Verweerder heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt door een deskundige, waarin aan de woning een waarde in het economische verkeer op 1 januari 1995 wordt toegekend van ¦ 585.000. In het taxatierapport wordt onder andere verwezen naar de verkoop van evenvermelde woning a-straat 2.

2.3.1. Aan belanghebbende zijn met betrekking tot de woning aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen opgelegd voor de jaren 1995, 1996 en 1997, welke alle drie zijn berekend naar een heffingsgrondslag van ƒ 329.000. Op de aanslagbiljetten is vermeld dat de heffingsgrondslag de waarde in het economische verkeer bedraagt per peildatum 1 januari 1995.

2.3.2. Bij de aanslag voor het jaar 1995 is een namens Burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum ondertekend schrijven gevoegd, waarin - voor zover thans van belang - het hierna volgende is opgenomen:

"(...) Hierbij ontvangt u de aanslag Onroerende-zaakbelastingen. De hoogte hiervan is gebaseerd op de taxatie van onroerende zaken. Over de waardebepaling en het tarief verstrekken wij u de volgende informatie.

De Wet WOZ

Met de Wet waardering onroerende zaken, welke op 1 januari 1995 in werking is getreden, is er één wettelijke regeling voor de bepaling en de vaststelling van de waarde van onroerende zaken ten behoeve van de belastingheffing door de verschillende overheden van kracht. Hierdoor wordt de waardebepaling doelmatiger en duidelijker voor de burger.

De gemeente is verantwoordelijk voor de waardebepaling en de waardevaststelling. De waardegegevens zullen door het hoogheemraadschap en de rijksbelastingdienst gebruikt worden. De gegevens kunnen gebruikt worden voor de bepaling van het huurwaardeforfait in de inkomstenbelasting en voor het bepalen van de waarde van de eigen woning voor de vermogensbelasting.

De taxatie

Aangezien 1994 het laatste jaar was van het gebruikstijdvak waarin de taxaties waren gebaseerd op de marktsituatie 1 januari 1990, diende, op grond van de marktsituatie op 1 januari 1995, opnieuw getaxeerd te worden. De thans vastgestelde waarde zal dienst doen als grondslag voor de aanslagoplegging in de jaren 1995 tot en met 2000. (...)".

2.3.3. In het onder 1 vermelde krantenartikel van 17 mei 1995 wordt eveneens van gemeentewege informatie verstrekt omtrent - onder andere - de voor het jaar 1995 op te leggen aanslagen in de onroerende- zaakbelastingen, de invoering van de Wet waardering onroerende zaken en de hertaxaties. Aangegeven is dat de bij de hertaxaties vastgestelde waarden in principe dienst zullen doen als grondslag voor de aanslagen van de onroerende-zaakbelastingen in de periode 1995-2000.

2.4. Het aanslagbiljet met betrekking tot de aanslag voor het jaar 1997 en de onderhavige beschikking zijn beide gedagtekend 31 mei 1997. In een begeleidende brochure bij de beschikking is aangegeven dat de op de beschikking vermelde waarde ‘in beginsel voor een periode van vier jaar’ de basis vormt voor de hoogte van een aantal belastingen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of verweerder bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de heffingsgrondslag ad ƒ 329.000, welke met betrekking tot de woning in aanmerking is genomen bij de aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor de jaren 1995, 1996 en 1997, tevens zou gelden als de vastgestelde waarde van de woning ingevolge de Wet.

4. Standpunten van partijen en behandeling ter zittingen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de stukken van het geding is vermeld.

Ter zitting van 5 januari 1999 heeft verweerder daar nog aan toegevoegd:

De gemeente Castricum is eind 1994 gestart met de taxaties. Daarna heeft de Waarderingskamer op basis van een nader onderzoek gelast dat voor de waardevaststelling in het kader van de Wet de waarde van circa 300 woningen, waaronder die van de onderhavige woning, moest worden aangepast.

Ter zitting van 19 november 1999 is verweerder bij zijn standpunt gebleven.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Verweerder heeft - onvoldoende weersproken - gesteld en gelet op het overgelegde taxatierapport aannemelijk gemaakt dat de bij de onderhavige beschikking vastgestelde waarde overeenkomt met dan wel niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer van de woning op 1 januari 1995, zodat geoordeeld moet worden dat de aan deze waardevaststelling ten grondslag liggende waarde is bepaald overeenkomstig de in hoofdstuk III van de Wet opgenomen regeling ter zake.

5.2. Dit brengt mee dat de bij de aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen opgenomen vermelding dat de aldaar in aanmerking genomen waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer op 1 januari 1995, alsmede de bij die aanslagen gegeven informatie, in zoverre onjuist is.

5.3. Voor zover belanghebbendes betoog mede aldus zou moeten worden gelezen, dat verweerder reeds ter gelegenheid van de toezending van het aanslagbiljet 1995 door middel van de bijsluiter in samenhang met de vermelding van de waarde op dat biljet een beschikking in de zin van de Wet heeft genomen, verwerpt het Hof dit betoog. De bijsluiter had een algemeen karakter en diende blijkens de aanhef slechts ter informatie, en kan reeds om die reden niet als onderdeel van een beschikking worden aangemerkt. Ook de enkele vermelding van de waarde op het aanslagbiljet is onvoldoende om van een beschikking in de zin van de Wet te spreken. De beschikking van 31 mei 1997 heeft mitsdien te gelden als (eerste) beschikking in de zin van de Wet inzake de waarde per 1 januari 1995.

5.4. Niet gebleken is dat bij de vaststelling van de beschikking van 31 mei 1997 van iets anders is uitgegaan dan de waarde in het economische verkeer van belanghebbendes woning per 1 januari 1995. Hieruit volgt dat anders dan belanghebbende veronderstelt geen hogere waarde dan die op de peildatum in aanmerking is genomen en dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de toelichting bij de beschikking geen sprake is.

5.5. In de bijsluiter bij het aanslagbiljet onroerende-zaakbelastingen voor 1995 is vermeld dat de opnieuw vastgestelde waarde dienst zou doen als grondslag voor de aanslagoplegging in de jaren 1995 tot en met 2000. In het meervermelde krantenartikel van 17 mei 1995 is aangegeven dat de bij de hertaxaties vastgestelde waarden in principe dienst zouden doen als grondslag voor de aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor die periode. Aan deze mededelingen, zowel afzonderlijk bezien als te zamen en in hun onderlinge verband, heeft belanghebbende mogelijk het vertrouwen kunnen ontlenen dat de gemeente voor de heffing van onroerende-zaakbelastingen voor de periode 1995 tot en met 2000 zou uitgaan van de waarde van de woning van ƒ 329.000. Belanghebbende heeft daaruit echter redelijkerwijs niet kunnen begrijpen dat ook voor de toepassing van de Wet en daarmee voor andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen die waardevaststelling eveneens bindend zou zijn.

5.6. Het beroep van belanghebbende op door de gemeente bij hem gewekt vertrouwen moet dus in dit geding, dat betrekking heeft op een beschikking ingevolge de Wet, worden verworpen. Wel kunnen zijn stellingen van belang zijn indien hij bezwaar zou maken of beroep zou instellen met betrekking tot één of meer aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor belastingjaren in de periode 1995 tot en met 2000.

5.7. Aan de omstandigheid dat de in de beschikking van 31 mei 1997 vermelde waarde in het economische verkeer 78% hoger was dan de voor de aanslag 1995 aangehouden waarde, komt geen zelfstandige betekenis toe, nu belanghebbende overigens niet heeft aangevoerd dat casu quo in hoeverre de vastgestelde waarde van ƒ 585.000 te hoog is.

5.8. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing.

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

De uitspraak is vastgesteld op 1 februari 2000 door mrs. Onnes, Kwantes en Rijkels, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.