Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7743

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/3379
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende vraagt bouwvergunning aan en raamt de bouwkosten op f 2.695.000 (excl. BTW). De gemeente berekent de leges voor het in behandeling nemen van de bouwvergunning op basis van dit bedrag van f 2.695.000. Achteraf blijkt dat daarin rond f 664.000 (excl. BTW) is begrepen ter zake van uitgestelde onderhoudswerkzaamheden, waarvoor op zichzelf geen vergunning had behoeven te worden gevraagd.

Hof: De leges moeten worden verminderd met het over deze f 664.000 geheven bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/462
Belastingblad 2000/943
FED 2000/151

Uitspraak

98/3379

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van Stichting X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Muiden, verweerder.

Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam een beroepschrift ontvangen op 13 maart 1998 (..). Op 21 juli 1998 is het beroepschrift doorgezonden aan het Gerechtshof te Amsterdam.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 6 februari 1998, betreffende de aan belanghebbende in rekening gebrachte leges ad f 76.913 voor het behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning.

Na bezwaar tegen dit bedrag is het bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en, uiteindelijk, tot vermindering van de leges met f 18.720.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 21 januari 2000 zijn verschenen (..).

De Verordening

In de gemeente Muiden gold in 1997 de Legesverordening 1996 met bijbehorende Tarieventabel, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 19 oktober 1995 en laatstelijk gewijzigd bij besluit van de gemeenteraad van 12 december 1996 (hierna: de Verordening). De wijzigingsverordening is bekendgemaakt in de Nieuwe Weesper van 23 december 1996 onder mededeling dat de Verordening kosteloos kan worden ingezien in het gemeentehuis te Muiden, alwaar tegen betaling van de kopieerkosten een exemplaar verkrijgbaar is.

In de Verordening is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

Belastbaar feit

Artikel 2

Onder de naam ‘leges’worden rechten geheven ter zake van het door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(..)

Tarieven

Artikel 5

De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel;

Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

De voor 1997 geldende tarieventabel luidt, voor zover hier van belang:

Hoofdstuk 5 - Bouw- en aanlegvergunningen en meldingen

5.1. Onder bouw/aanlegsom wordt verstaan het geheel der kosten voor bouwen, vernieuwen, veranderen, uitbreiden of aanleggen van elk perceel, waartoe vergunning wordt gevraagd (inclusief omzetbelasting);

5.2. De aanvrager van een bouwvergunning/aanlegvergunning of melding als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet is gehouden bij die aanvrage een begroting van de bouwkosten/aanlegkosten, de gehele afwerking inbegrepen, over te leggen.

Aan de hand van deze begroting stellen burgemeester en wethouders het bedrag van de bouwkosten/aanlegkosten vast, ter zake waarvan de leges geheven worden;

Het tarief bedraagt terzake van het in behandeling nemen van:

5.3.1. een aanvraag tot het verkrijgen van een bouw-aanlegvergunning danwel een melding als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet:

- voor elke f 1.000,00 of gedeelte daarvan waarop de kosten voor het bouwen, geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of uitbreiden, danwel aanleggen zijn begroot f 24,00

(..).

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende exploiteert een verzorgingstehuis als bedoeld in de Wet op de Bejaardenoorden, resp. de Overgangswet Verzorgingshuizen. Met toestemming van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland heeft zij haar gebouw in 1997 gerenoveerd.

3.2. In afwachting van de toestemming tot renovatie heeft belanghebbende gedurende enige jaren noodzakelijk onderhoud niet uitgevoerd en een aantal investeringen in inventarissen niet gedaan, maar daartoe wel gelden in haar balans gereserveerd. De onderhoudswerkzaamheden en investeringen hebben gelijktijdig met de renovatie plaatsgevonden.

3.3. Belanghebbende heeft op 3 maart 1997 een Aanvraagformulier Bouwvergunning ingediend, waarin de bouwkosten zijn geraamd op f 2.870.000 (exclusief BTW). Nadien is de aanvraag gesplitst in twee aanvragen en is de thans in geding zijnde raming verlaagd tot f 2.695.000 (exclusief BTW). In deze raming zijn door belanghebbende ook de kosten van de onder 3.2. bedoelde onderhoudswerkzaamheden en investeringen in inventarissen begrepen.

3.4. Op 15 mei 1997 is de bouwvergunning verleend, waarbij de verschuldigde leges als volgt zijn berekend:

Bouwkosten: f 3.166.625 (d.i. f 2.695.000 plus 17,5 % BTW)

Leges: Bouwkosten: f 76.008

Welstand: f 905 (op grond van onderdeel 5.3.3. van de Tarieventabel)

Totaal f 76.913

Dit bedrag is vermeld in een voor bezwaar vatbaar besluit van 23 september 1997.

Het op 23 oktober 1997 ingediende bezwaar is op 6 februari 1998 ongegrond verklaard.

Aan de voet van deze uitspraak is vermeld dat daartegen beroep openstaat bij de Rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht.

3.5.1. Tijdens het overleg tussen belanghebbende en verweerder is een opstelling gemaakt van de kosten van de onder 3.2. vermelde onderhoudswerkzaamheden en investeringen, uiteindelijk vervat in een op 19 december 1997 bij verweerder ingekomen brief (bijlage 8 bij het verweerschrift), resulterend in een bedrag van f 663.698 exclusief BTW.

3.5.2. Ter zitting heeft belanghebbende, in afwijking van het beroepschrift, gesteld dat over dit bedrag van f 663.698 geen leges mogen worden geheven, omdat ter zake van die werkzaamheden en investeringen geen vergunning behoefde te worden aangevraagd.

3.5.3. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat de werkzaamheden en investeringen waarop het geraamde bedrag van f 663.698 (exclusief BTW) betrekking heeft, zonder vergunning hadden mogen worden verricht en dat daarover geen leges zouden zijn berekend indien belanghebbende dit bedrag niet in de aanvraag van de bouwvergunning had begrepen.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of verweerder leges heeft mogen heffen over de in de aanvraag voor een bouwvergunning begrepen kosten van werkzaamheden en investeringen, die niet in die aanvraag hadden behoeven te worden opgenomen.

Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van dit geding. Ter zitting is daaraan toegevoegd hetgeen onder 3.5.2. en 3.5.3. hierboven is vermeld en voorts, zakelijk weergegeven, namens verweerder:

Het is niet ongebruikelijk dat in een aanvraag voor een bouwvergunning ook de kosten van niet-vergunningsplichtige werkzaamheden zijn begrepen. In het aanvraagformulier wordt voor de raming van de bouwkosten verwezen naar de norm NEN 2631; aangenomen wordt dat de aanvraag dan ook volgens die norm is geschied. Erkend wordt dat die norm niet in de tarieventabel is voorgeschreven. Voorts wordt erkend dat belanghebbende niet verplicht was terzake van deze werkzaamheden een bouwvergunning aan te vragen.

Punt 5.1. van de tarieventabel ziet op bouwvergunningen als een aannemingssom is overeengekomen; punt 5.2. staat daar los van en ziet op gevallen waarin geen aannemingssom is overeengekomen. Het tarief van 5.3.1. ziet zowel op punt 5.1. als op punt 5.2.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Nu aan de voet van de bestreden uitspraak van 6 februari 1998 is vermeld dat daartegen beroep moet worden ingesteld bij de ‘Rechtbank Amsterdam’ is het op 13 maart 1998 bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam ingekomen en op 21 juli 1998 aan het Hof doorgezonden beroepschrift met inachtneming van artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht tijdig ingediend.

6.2. Ingevolge de Verordening en de bijbehorende tarieventabel worden, voor zover hier van belang, onder de benaming leges rechten geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning, zulks gebaseerd op artikel 229, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet.

6.3. Anders dan belanghebbende stelt staat het de gemeente vrij om bij de aanvraag van een bouwvergunning leges te heffen over de begrote bouwkosten met inbegrip van de kosten van de gehele afwerking. De tarieventabel is op dat punt niet onverbindend.

6.4. Anderzijds staat het de aanvrager van een bouwvergunning vrij in zijn aanvraag de kosten van werkzaamheden en investeringen buiten aanmerking te laten waarvoor geen vergunning behoeft te worden aangevraagd. Dit uitgangspunt strookt met voormelde bepaling in de Gemeentewet, volgens welke rechten mogen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. De in casu verstrekte dienst is het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning. Daarmee is in overeenstemming de begroting van de bouwkosten, waarnaar de rechten worden berekend, te beperken tot de kosten van de werkzaamheden waarvoor een dienst van het gemeentebestuur, te weten het verstrekken van een bouwvergunning, wordt gevraagd.

In de onderwerpelijke tarieventabel wordt daarom terecht gesproken over de kosten voor bouwen, vernieuwen, veranderen of uitbreiden, ‘waartoe vergunning wordt gevraagd’.

6.5. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende voor de werkzaamheden en investeringen waarop het onder 3.5.1. vermelde bedrag betrekking heeft en die in afwachting van de renovatie aanvankelijk waren opgeschort, geen vergunning had behoeven aan te vragen, en voorts dat, zo belanghebbende de daarvoor begrote kosten ad f 663.698 bij het doen van de aanvraag buiten beschouwing had gelaten, daarover ook geen leges in rekening zouden zijn gebracht. Daarmee staat vast dat die kosten niet betreffen de kosten van de gehele afwerking van werkzaamheden waartoe de vergunning werd gevraagd.

De enkele omstandigheid dat belanghebbende de kosten aanvankelijk - onnodig - in het Aanvraagformulier Bouwvergunning had begrepen en eerst na de berekening van de leges heeft gespecificeerd, brengt niet mede dat de verweerder de over die kosten berekende leges terecht in rekening heeft gebracht.

6.6. De slotsom luidt dat de geheven leges moeten worden verminderd met f 18.720, te weten f 663.698 plus 17,5 % BTW = f 779.845,15, derhalve 780 x f 24.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Met inachtneming van het Besluit proceskosten fiscale procedures wordt het bedrag van de proceskosten gesteld op f 2.130 (A.1 en 3. = 2 punten; C. factor 1,5 ; f 710 per punt).

8. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van verweerder;

vermindert de in rekening gebrachte leges met f 18.720 ;

veroordeelt verweerder tot vergoeding aan belanghebbende van f 2.130 aan proceskosten en wijst de gemeente Muiden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

gelast verweerder het betaalde griffierecht ad f 80 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 18 februari 2000 door Mrs. Schaap, Kwantes en Rijkels, in tegenwoordigheid van Mr. Brands als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.