Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7703

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P99/1602
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever kent werknemer in 1983 een ontslagvergoeding toe in de vorm van een stamrecht. Werknemer brengt dit recht onder in een stamrecht-BV. Inspecteur keurt onder voorwaarden goed dat heffing van inkomstenbelasting achterwege blijft. In 1993 wordt het stamrecht binnen fiscale eenheid overgedragen aan BV II, waarvan de zetel in dat jaar wordt verplaatst naar de Nederlandse Antillen. De fiscale eenheid wordt per 1 januari 1994 verbroken. Inspecteur vordert over 1993 vennootschaps-belasting na bij de stamrecht-BV op grond van de in 1983 gestelde voorwaarden. Hof: die voorwaarden kunnen niet leiden tot navordering over 1993, ook niet met toepassing van fraus legis. Evenmin komen in dat jaar art. 16 Wet IB of de 16e standaardvoorwaarde fiscale eenheid aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/17.2.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

kenmerk: P99/1602

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 25 mei 1999, ingediend door mr. A (... Belastingadviseurs) te Q als gemachtigde van belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 26 april 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 1993.

1.2. Oorspronkelijk is aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 60.880. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f 2.304.122 zonder verhoging. Het tarief voor een gedeelte van f 2.243.237 is gesteld op 50%. De in rekening gebrachte heffingsrente is bepaald op f 140.303.

1.3. Na bezwaar is de navorderingsaanslag bij de bestreden beschikking gehandhaafd. De in rekening gebrachte heffingsrente is teruggenomen. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

1.4. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Hij concludeert primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair tot vernietiging daarvan en tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar bedrag van f 1.699.616.

1.5. Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling van de zaak in meervoudige kamer. Desgevraagd hebben zij te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen een behandeling van de zaak in enkelvoudige kamer.

Ter zitting van 18 januari 2000 zijn verschenen gemachtigde voornoemd, alsmede namens de inspecteur mr. B, vergezeld van D. Gemachtigde heeft een pleitnota ingezonden. De inspecteur heeft van de inhoud daarvan kennis genomen. Ter zitting heeft gemachtigde een aanvullende pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inspecteur heeft eveneens een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inhoud van de pleitnota's geldt als hier ingelast.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is opgericht in 1983 en heeft feitelijk ten doel het beheer van een stamrecht ten behoeve van C, directeur van belanghebbende, wonende te R.

2.2. C was van 1 april 1966 tot in 1983, laatstelijk als commercieel directeur, in dienstbetrekking bij NN B.V.). Als uitvloeisel van een beschikking van 18 april 1983 van de kantonrechter te S zijn C en NN B.V. bij akte van dading van 30 mei 1983 overeengekomen dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 juli 1983 wordt beëindigd, dat NN B.V. aan C een vergoeding van f 1.000.000 is verschuldigd en dat de vergoeding zal worden toegekend in de vorm van een stamrecht onder voorwaarde van goedkeuring door de inspecteur vóór 1 juli 1983. Het stamrecht omvat uitkeringen bij opvolging vanaf 1 juli 1988 aan C, zijn echtgenote en hun kinderen.

2.3. Bij brief van 19 mei 1983 bericht de Inspecteur der directe belastingen te P aan het kantoor van gemachtigde, voor zover hier van belang:

"Ik verklaar mij er derhalve mee akkoord dat voor de heffing van inkomstenbelasting t.a.v. de heer C geen gevolgen worden verbonden aan de toekenning van het betreffende stamrecht door NN B.V. en de overdracht hiervan aan X BV indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. 1. Het betreffende kapitaal wordt in zijn geheel en rechtstreeks door NN B.V. aan X BV overgedragen.

2. X BV verklaart dat zij 50% van de waarde welke in het economisch verkeer aan het stamrecht kan worden toegekend extra als vennootschapsbelasting zal afdragen indien en zodra: - het recht wordt beleend, verpand, vervreemd of afgekocht en degene die beleent, verpandt, vervreemdt of de afkoopsom geniet niet als binnenlands belastingplichtige aan de inkomstenbelasting is onderworpen - de binnenlandse belastingplicht van de uitkeringsgerechtigde of van X BV eindigt."

Bij brief van 9 juni 1983 schrijft C aan de Inspecteur der directe belastingen te P diens voorwaarden te aanvaarden. Op grond van een driepartijenovereenkomst tussen C, NN B.V. en belanghebbende maakt NN B.V. in 1983 de vergoeding van f 1.000.000 over aan belanghebbende.

2.4. Blijkens de overgelegde brief van 30 juni 1983 van belanghebbende aan C en diens echtgenote voorziet het stamrecht in de volgende uitkeringen per 1 juli:

- over de jaren 1988 t/m 1992 f 244.920 per jaar - over de jaren 1993 t/m 2002 f 61.230 per jaar.

De uitkeringen eindigen na overlijden van de langstlevende van man en vrouw en hun kinderen. Op verzoek van de gerechtigden heeft belanghebbende de uitkeringen gewijzigd in een uitkering, ingaande 1 juli 1988, van f 112.023 per jaar.

Bij brief van 21 december 1990 bevestigt belanghebbende, zakelijk weergegeven, de volgende afspraak:

- met ingang van 1 juli 2000 ontvangt u jaarlijks een lijfrente van f 60.000 zonder slotuitkering, - met ingang van 1 juli 2000 ontvangt u voorts een lijfrente van f 155.935 zonder slotuitkering, - de lijfrenten worden jaarlijks cumulatief met 3% verhoogd en eindigen bij overlijden van de langstlevende.

2.5. Op 3 augustus 1993 richt belanghebbende de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid XA B.V. (hierna: XA B.V.) op met een geplaatst aandelenkapitaal van f 40.000. Per de datum van oprichting vormen belanghebbende en XA B.V. op verzoek van gemachtigde, gedateerd 24 december 1993, een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

2.6. Bij overeenkomst van 4 augustus 1993 tussen belanghebbende en XA B.V. neemt XA B.V. de verplichtingen die voortvloeien uit het stamrecht ten behoeve van C, van belanghebbende over. Hierbij wordt ter dekking van de verplichtingen uitgegaan van wiskundige reserves per 1 augustus 1993 van f 1.590.416. Voorts neemt XA B.V. de bij belanghebbende aanwezige obligaties (beurswaarde per 1 augustus 1993 f 1.667.585) over voor de nominale waarde van f 1.475.000, alsmede de lopende rente van f 57.832.

XA B.V. verplaatst haar feitelijke leiding per 1 oktober 1993 naar Curaçao (Nederlandse Antillen).

2.7. In de aangifte vennootschapsbelasting 1993 vermeldt belanghebbende een belastbaar bedrag van f 60.885, pensioenverplichtingen per 31 december 1993 van f 1.638.731 en een effectenbezit met een boekwaarde op die datum van f 1.788.556.

De aanslag vennootschapsbelasting 1993, gedagtekend 31 augustus 1994, wordt conform de aangifte vastgesteld.

Op 10 mei 1995 dient belanghebbende de aangifte vennootschapsbelasting 1994 in. In deze aangifte zijn de pensioenverplichtingen ingevuld met een liggend streepje en is de boekwaarde van de effecten verantwoord voor f 306.133. Voorts is vermeld dat XA B.V. aan twee nieuwe aandeelhouders, waaronder F.C, in totaal nominaal f 5.000 nieuw aandelenkapitaal heeft uitgegeven en dat de fiscale eenheid met XA B.V. in 1994 is verbroken.

2.8. Op vragen van de inspecteur naar aanleiding van de ingediende aangifte 1994 deelt belanghebbende hem bij brief van 30 januari 1996 mede "dat er sinds 31-12-1993 geen uitkeringen zijn geweest van de wiskundige reserves en er in 1994 afstand van is gedaan". Tevens is de inspecteur de eindbalans 1993 van XA B.V. en de overeenkomst van 4 augustus 1993, genoemd onder 2.6, toegezonden.

Bij brief van 31 juli 1996 heeft XA B.V. de haar toegezonden aangiftebiljetten vennootschapsbelasting 1994 en 1995 teruggezonden met de mededeling dat zij "bij haar oprichting in 1993 gevoegd is met X B.V. te P zodat er geen zelfstandige aangifteplicht in Nederland bestaat".

2.9. Bij brief van 3 december 1998 kondigt de inspecteur de onderwerpelijke navorderingsaanslag aan. Zakelijk weergegeven deelt hij mede:

Belastbaar bedrag volgens aangifte f 60.885 Afwijking: In verband met de overdracht op 3 augustus 1993 van de stamrechtverplichting aan XA B.V. en de emigratie van XA B.V. alsmede de ontvoeging van de fiscale eenheid per 31 december 1993 dient belanghebbende op grond van de voorwaarden in de brief van 19 mei 1983 extra vennootschapsbelasting af te dragen. Correctie: Waarde in het economische verkeer van het stamrecht f 2.243.237 Hierover zal in afwijking van het normale tarief 50% belasting worden geheven. Nader vastgesteld belastbaar bedrag f 2.304.122.

Vervolgens is met dagtekening 31 december 1998 de bestreden navorderingsaanslag opgelegd. De navorderingsaanslag is bij beschikking van 31 mei 1999 abusievelijk verminderd met f 467.328 tot een te betalen bedrag van f 794.590 door toepassing van uitsluitend het normale tarief.

3. Geschil

In geschil is (1) of de navorderingsaanslag is opgelegd in strijd met artikel 104 van de Grondwet, (2) of de inspecteur beschikt over een feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, (3) of de Inspecteur der directe belastingen te P bevoegd was tot het stellen van de voorwaarden in de brief van 19 mei 1983, (4) of de gestelde voorwaarden in strijd zijn met het EG-recht van vrije vestiging dan wel de Belastingregeling voor het Koninkrijk, (5) of overtreding van de voorwaarde inzake beëindiging van de binnenlandse belastingplicht zich heeft voorgedaan, (6) of de inspecteur de rechtszekerheid dan wel het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, (7) of belanghebbende behoort "af te rekenen" op grond van standaardvoorwaarde 16, (8) of belanghebbende heeft gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet en (9) of de waarde in het economische verkeer van het stamrecht per overdachtsdatum op f 1.638.731 had moeten worden vastgesteld.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en de pleitnota's.

4.2. Ter zitting is namens belanghebbende nog het volgende toegevoegd:

Wat het ontbreken van een nieuw feit betreft ter inspectie bevonden zich, los van belanghebbendes aangifte 1993, in het dossier van belanghebbende de gegevens over XA B.V. Over de overdracht van de stamrechtverplichting zaten geen gegevens in het dossier.

De inspecteur der directe belastingen is niet bevoegd tot het aangaan van een regeling over navordering ten behoeve van de inspecteur der vennootschapsbelasting. Het bevoegdheidsbezwaar geldt niet de regionale competentie P.

De brief van 19 mei 1983 is op te vatten als een overeenkomst, niet als een beschikking.

Het EG-recht is geschonden, omdat het stellen van voorwaarden belemmerend werkt. Dat feitelijke grensoverschrijding van belanghebbende binnen de EG niet heeft plaatsgevonden, is niet van belang. Verwezen wordt naar jurisprudentie van het Hof van Justitie te Luxemburg.

De stelling van de inspecteur dat artikel 16 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB) van toepassing is, is nieuw. De overeengekomen regeling is altijd als strafheffing aangekondigd geweest. Een stille reserve ontbreekt overigens, zolang geen besluit is genomen met betrekking tot de stamrechtverplichting. Ultimo 1993 was het doen van afstand door C niet voorzienbaar. Bovendien werd beoogd voor de kinderen van C "een potje" te maken. Er is in de Nederlandse Antillen geen vaste inrichting van belanghebbende. Alleen het stamrecht is daar ondergebracht. Belanghebbende is niet opgehouden in Nederland belastbare winst te genieten.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende opgemerkt:

Op zichzelf is juist dat belanghebbende geen rechtsmiddel had tegen de brief van 19 mei 1983. Wel kon belanghebbende kiezen of zij al dan niet met de voorwaarden instemde. C had via de inkomstenbelasting in 1983 kunnen procederen. Van een dwangpositie was geen sprake.

Buiten de aangifte 1993 waren weliswaar stukken aanwezig, maar daaruit bleek niet van de overdracht van de stamrechtverplichting aan XA B.V. Eerst de aangifte 1994 gaf aanleiding tot nader onderzoek wegens de uitgifte van aandelen aan de kinderen van C. Dit onderzoek bracht de overdracht van de verplichting van belanghebbende aan het licht.

De afrekening via artikel 16 Wet IB staat los van de brief van 19 mei 1983 als beschikking onder voorwaarden. Op grond van die "beschikking" was het mogelijk over de waarde van het stamrecht tevens extra 50% te heffen. Er is slechts 50% geheven, omdat ik het wettelijke tarief en de sanctie van 50% te zamen onredelijk achtte. Later is op grond van een fout minder geheven.

De stelling van fraus legis ziet op het samenstel van rechtshandelingen. Welke wetsartikelen zijn geschonden, kan ik niet aangeven. Er was sprake van een vooropgezet plan naar aanleiding van een publicatie van maart 1993. Veel adviseurs hebben daarvan gebruik gemaakt.

De afstand in 1994 was al in 1993 bekend. Daarmee is de waarde van de stamrechtverplichting ook in 1993 nihil geworden. De ontvoeging heeft plaatsgevonden doordat belanghebbende geen 100% aandeelhouder van XA B.V. meer was. De verplichting is gewijzigd: de uitkeringen zijn uitgesteld en de verplichting is overgedragen aan XA B.V. Op welk moment de aard en omvang van de verplichting zijn verschoven, is moeilijk te zeggen.

De binnenlandse belastingplicht van belanghebbende met betrekking tot het stamrecht is geëindigd ten gevolge van een samenstel van handelingen: verplaatsing feitelijke leiding, ontvoeging en overbrenging kapitaal naar het buitenland. Voor de voltooiïng kan door de ontvoeging worden teruggegaan naar 31 december 1993.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, lezen zij de tweede voorwaarde in de brief van 19 mei 1983 kennelijk aldus dat belanghebbende verklaart, zakelijk weergegeven, dat zij extra vennootschapsbelasting zal afdragen over het jaar (a) waarin C de vrije en volle eigendom van het stamrecht ten behoeve van hem en zijn naasten kwijtraakt door deze in beperkte mate of geheel over te dragen aan een niet binnenlands belastingplichtige en (b) waarin haar binnenlandse belastingplicht dan wel die van de uitkeringsgerechtigden eindigt.

De opvatting van partijen aangaande de juridische betekenis en de rechtsgevolgen die in het licht van de aangevoerde feiten aan het aldus gelezene toekomen, loopt vervolgens uiteen. De stellingen van belanghebbende houden onder andere in dat, zo de feiten al tot het afdragen van extra vennootschapsbelasting nopen, zulks eerst in 1994 het geval kan zijn geweest en niet reeds in 1993. Waar vaststaat dat de bestreden navorderingsaanslag is opgelegd over het jaar 1993, zal het Hof de stellingen van belanghebbende eerst op dit punt op haar juistheid onderzoeken.

5.2. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de in deze zaak aangevoerde feiten nopen tot het afdragen van extra vennootschapsbelasting, kan de inspecteur de bestreden navorderingsaanslag hebben opgelegd ófwel omdat het stamrecht geheel of gedeeltelijk in de bezitsmacht van een niet binnenlands belastingplichtige is gekomen, ófwel omdat de binnenlandse belastingplicht van belanghebbende dan wel die van C en/of andere uitkeringsgerechtigden is geëindigd. Uit de stellingen van de inspecteur moet worden afgeleid dat het te dezen niet gaat om beëindiging van de binnenlandse belastingplicht van belanghebbende, C en/of andere uitkeringsgerechtigden.

5.3. Wat betreft de overdracht van bezitsmacht staat vast dat belanghebbende het stamrecht en de daarin geïncorporeerde verplichtingen op 4 augustus 1993 heeft overgedragen aan XA B.V., welke vennootschap vanaf haar oprichting op 3 augustus 1993 een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vormde met belanghebbende als moedermaatschappij. Dit laatste brengt mee dat, hoewel in 1993 een overdracht van bezitsmacht heeft plaatsgevonden, geen sprake is geweest van overdracht aan een niet binnenlands belastingplichtige.

De inspecteur heeft, naar het Hof hem begrijpt, in dit verband nog betoogd dat de binnenlandse belastingplicht van XA B.V. op 31 december 1993 is geëindigd ten gevolge van de terugwerkende kracht van de ontvoeging in 1994 van de fiscale eenheid waarvan XA B.V. deel uitmaakte. Anders dan de inspecteur kennelijk meent, brengt de terugwerkende kracht van een ontvoeging in 1994 niet met zich dat de ontvoegde vennootschap - in casu XA B.V. - reeds vóór 1 januari 1994, derhalve reeds in 1993, zelfstandig belastingplichtig is geworden. Alsdan kan ook niet ervan worden uitgegaan dat XA B.V. reeds in 1993 niet meer binnenlands belastingplichtig is geweest, ook al heeft zij haar feitelijke leiding wel reeds in 1993 naar een plaats buiten Nederland verplaatst.

5.4. Met betrekking tot de overdracht van bezitsmacht staat voorts vast dat C in 1994 afstand heeft gedaan van zijn recht op uitkeringen uit het stamrecht. Voor zover deze overdracht ten goede is gekomen aan een niet binnenlands belastingplichtige kan zulks op zichzelf slechts leiden tot een extra afdracht van vennootschapsbelasting in 1994, zodat verder onderzoek naar (de aard van) deze afstand in zoverre achterwege kan blijven. De stelling van de inspecteur dat de afstand van C reeds in 1993 was voorzien, kan aan het vorenoverwogene niet afdoen nu de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat C aan het doen van afstand in 1994 reeds in 1993 enig begin van uitvoering heeft gegeven. Overigens betwist belanghebbende dat de afstand reeds in 1993 was voorzien.

5.5. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de bestreden navorderingsaanslag niet kan zijn gegrond op de voorwaarden genoemd in de brief van 19 mei 1983, althans niet voor zover betreft het jaar 1993. In zoverre is het gelijk aan belanghebbende.

Afgezien van de bedoelde voorwaarden heeft de inspecteur evenwel voorts gesteld dat de navorderingsaanslag berust op het bepaalde in artikel 16 Wet IB en punt 16 van de voorwaarden welke in het algemeen gelden voor de toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die zijn vastgesteld door de staatssecretaris van Financiën en die zijn gepubliceerd in de Staatscourant 1991 nr. 189 (hierna: de standaardvoorwaarden).

5.6. Wat betreft de toepasselijkheid van artikel 16 Wet IB gaat het erom of belanghebbende in 1993 heeft opgehouden in Nederland belastbare winst te genieten uit onderneming.

De inspecteur stelt dat zulks het geval is geweest. De uit-keringsgerechtigden hebben afstand gedaan van hun recht op uitkering waardoor, naar zijn opvatting, de overgedragen stamrechtverplichting een stille reserve bevat. Deze stille reserve, zo stelt hij verder, is verschoven naar XA B.V. die als vaste inrichting van belanghebbende kan worden beschouwd, en is vervolgens uit de in Nederland belastbare winst verdwenen ten gevolge van de ontbinding van de fiscale eenheid nadat XA B.V. is verplaatst naar de Nederlandse Antillen.

Deze stelling van de inspecteur snijdt geen hout. De door de inspecteur bedoelde afstand van rechten in 1994 brengt niet mee dat de stamrechtverplichting reeds op enig moment in 1993 niet meer tot het vermogen van belanghebbende behoorde. Hieruit vloeit voort dat geen sprake kan zijn van het staken van de binnenlandse onderneming van belanghebbende en kan dan ook niet worden gezegd dat zij heeft opgehouden in Nederland belastbare winst te genieten.

5.7. Met betrekking tot de 16e standaardvoorwaarde gaat het om wijziging in de samenstelling van het vermogen van XA B.V., in casu om de wijziging ten gevolge van de door belanghebbende tot stand gebrachte overdracht van haar stamrechtverplichting per 4 augustus 1993 naar XA B.V.

Om te dezer zake bij belanghebbende over 1993 vennootschapsbelasting te kunnen heffen moet de wijziging blijkens de genoemde standaardvoorwaarde een verschuiving hebben teweeggebracht van een stille reserve, schuilend in de stamrechtverplichting, waarvan de tegenwaarde is ten goede gekomen aan belanghebbende en/of XA B.V. Voor de aanwezigheid van een stille reserve heeft de inspecteur aangevoerd, zoals ook onder 5.6 is verwoord, dat reeds ten tijde van de overdracht van het stamrecht en de daarin geïncorporeerde verplichtingen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat C in 1994 afstand heeft gedaan van zijn recht op uitkeringen.

Het Hof verwerpt deze stelling van de inspecteur, omdat hij niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende bij de waardering van haar verplichtingen in 1993 al rekening zou moeten houden met een door C in 1994 gedane afstand van rechten. Zelfs als C reeds in 1993 voornemens was om in 1994 afstand van zijn rechten te doen en de wetenschap van die voornemens van C zou moeten worden toegerekend aan belanghebbende, dan nog is het niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik de stamrechtverplichting af te waarderen. Immers belanghebbende kan zich niet, ook niet voor een deel, onttrekken aan haar verplichting tot uitkering aan de langstlevende zolang haar niet is medegedeeld dat afstand wordt gedaan. Buiten geschil is dat dit laatste eerst in 1994 is geschied. Anders dan de inspecteur blijkbaar meent, zal ook een derde de verplichting niet tegen een lagere waarde willen overnemen zolang de afstand niet is geconcretiseerd en geformaliseerd.

Met het vorenoverwogene is eveneens de subsidiaire stelling van de inspecteur verworpen, nu deze evenzeer berust op het uitgangspunt dat sprake is van een stille reserve.

5.8. Ten slotte heeft de inspecteur nog aangevoerd dat de navorderingsaanslag kan worden gefundeerd op door belanghebbende gepleegde fraus legis. De inspecteur beroept zich hiervoor op het samenstel van rechtshandelingen bestaande uit de oprichting van XA B.V., de voeging tussen belanghebbende en XA B.V. in een fiscale eenheid, de overdracht van de tot het vermogen van belanghebbende behorende stamrechtverplichting aan XA B.V., de verplaatsing van de feitelijke leiding van XA B.V. naar de Nederlandse Antillen, de ontvoeging van de fiscale eenheid in 1994 en de afstand in 1994 door C van zijn recht op uitkeringen.

Op grond van de brief van 19 mei 1983 kan de inspecteur in beginsel onder voorwaarden bij belanghebbende extra vennootschapsbelasting heffen ter zake van de in die brief omschreven handelingen van belanghebbende met betrekking tot het in haar vermogen aanwezige stamrecht. De handelingen die belanghebbende in 1993 heeft verricht, hebben niet ertoe geleid, zoals is overwogen onder 5.1 tot en met 5.5, dat de bedoelde voorwaarden in 1993 zijn vervuld. Naar 's Hofs oordeel kan onder die omstandigheid niet met een beroep op fraus legis een toestand worden bereikt alsof die voorwaarden wel zijn vervuld. In dit verband verdient opmerking dat de brief van 19 mei 1983 niet kan worden geduid als beschikking, nu de belastingwet niet voorziet in het stellen van voorwaarden als daarin aan de orde.

Ook overigens is er geen reden om bij voltooiïng van de gewraakte rechtshandelingen in 1994 reeds over 1993 uit hoofde van fraus legis tot een belastbare bate voor belanghebbende te concluderen.

5.9. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep gegrond. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur moet worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Gelet op het Besluit proceskosten fiscale procedures worden de kosten vastgesteld op f 2.840, te weten f 710 x 2 (voor proceshandelingen) x 2 (voor gewicht).

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vernietigt de navorderingsaanslag,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van f 2.840 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- gelast de inspecteur het betaalde griffierecht van f 85 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 12 september 2000 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Het lid van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van het beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.