Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7659

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/1534
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In beginsel rust op belanghebbende de bewijslast om, tegenover de gemotiveerde stellingen van verweerder, aannemelijk te maken dat met betrekking tot bepaalde activiteiten redelijkerwijs was te verwachten dat deze - in de toekomst - een per saldo positieve opbrengst zullen opleveren. Vaststaat die activiteiten in de jaren van 1990 tot en met 1997 steeds verlies hebben opgeleverd. Belanghebbende heeft gesteld dat, anders dan verweerder zou hebben gesteld, wel handel met derden is gedreven en hij heeft ten bewijze daarvan facturen en bankafschriften overgelegd. Belanghebbende heeft daarmee evenwel geenszins aannemelijk gemaakt dat van de activiteiten per saldo redelijkerwijs een positieve opbrengst was te verwachten. De relatief geringe omzet van derden leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof is dan ook van oordeel dat de door belanghebbende ontplooide activiteiten geen bron van inkomen vormen en dat het geleden verlies niet in zijn belastbare inkomen kan worden begrepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/1534

2 mei 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achtste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 12 mei 1999, aangevuld bij brief van 27 augustus 1999. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 27 april 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1994. De navorderingsaanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 59.430. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en kennelijk tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 31 maart 2000 is het beroep behandeld, alsmede de beroepen van belanghebbende met betrekking tot inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen 1995, kenmerk 99/1533, en omzetbelasting over het tijdvak 1 januari respectievelijk 1 mei 1994 tot en met 31 december 1995, kenmerken 99/1531 en 99/1532, het beroep van A met betrekking tot inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen 1995, kenmerk 99/1530, en het beroep van B, met betrekking tot omzetbelasting over het tijdvak 1 mei 1994 tot en met 31 december 1995, kenmerk 99/1529. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en C namens verweerder. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1953 en gehuwd, heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 3.517. Hij heeft onder meer aangifte gedaan van een verlies uit onderneming van ƒ 76.486. In het onderhavige jaar was belanghebbende in dienstbetrekking bij D en genoot hij een salaris van ƒ 84.077.

2.2. Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden waarbij de aanvaardbaarheid is onderzocht van de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 1994 en 1995 en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995. Van het rapport van dit onderzoek, gedagtekend 22 augustus 1997, behoort een kopie tot de gedingstukken.

2.3. Belanghebbende heeft in de loop der tijd, handelend onder de naam E de volgende activiteiten verricht. In 1990 is hij begonnen met de ontwikkeling van een softwarepakket voor de financiële administratie van bedrijven. Blijkens het hierboven genoemde rapport is in de loop der tijd daar nog bijgekomen het verstrekken van organisatieadvies, het verzorgen van administraties, de ontwikkeling van een handboek voor ondernemers voor het selecteren en implementeren van informatiesystemen en de handel in waterzuiveringsapparaten. Daarnaast werd het zogenoemde vitisme (een vorm van yoga) bedreven.

2.4. Voorts heeft belanghebbende handelend onder de naam F een reclamezuil geëxploiteerd in een zwembad, in die zin dat videoprojectie op een zuil werd aangeboden ten behoeve van het maken van reclame. Deze activiteit was ten tijde van het boekenonderzoek feitelijk beëindigd.

2.5. Het resultaat van belanghebbendes bovenvermelde activiteiten is in elk van de jaren van 1990 - het jaar waarin de activiteiten werden opgestart - tot en met 1995 negatief geweest. De resultaten van E in 1996 en 1997 zijn niet in de aangifte van belanghebbende, maar in die van zijn echtgenote opgenomen. Ook in deze jaren zijn de resultaten negatief. De opbrengsten van de activiteiten onder de naam F waren in de jaren 1994 - het jaar waarin de activiteiten werden opgestart - tot en met 1997 eveneens negatief.

2.6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende onder de namen E en F verrichte activiteiten geen bron van inkomen vormen en heeft bij het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen een bedrag bijgeteld van ƒ 76.486, zijnde het aangegeven verlies uit onderneming. Gesaldeerd met de overige - niet bestreden - correcties heeft de inspecteur de aanslag dienovereenkomstig vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 56.567. Naar aanleiding van de resultaten van het hiervoor onder 2.2 bedoelde boekenonderzoek heeft verweerder nog enige, thans niet bestreden, correcties aangebracht en de onderhavige navorderingsaanslag vastgesteld.

3. Geschil

In geschil is of de door belanghebbende onder de namen E en F ontplooide activiteiten een bron van inkomen vormen.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het aangehechte proces-verbaal van de zitting van 31 maart 2000.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In beginsel rust op belanghebbende de bewijslast om, tegenover de gemotiveerde stellingen van verweerder, aannemelijk te maken dat met betrekking tot de onder de naam E en F ontwikkelde activiteiten redelijkerwijs was te verwachten dat deze - in de toekomst - een per saldo positieve opbrengst zullen opleveren. Vaststaat dat die activiteiten in de jaren van 1990 tot en met 1997 steeds verlies hebben opgeleverd. Belanghebbende heeft gesteld dat, anders dan verweerder zou hebben gesteld, wel handel met derden is gedreven en hij heeft ten bewijze daarvan facturen en bankafschriften overgelegd. Daaruit valt af te leiden dat belanghebbende de navolgende bedragen aan derden in rekening heeft gebracht:

1995: ƒ 3.200;

1996: ƒ 750;

1997: ƒ 2.100;

1998: ƒ 2.102,13 en

1999: ƒ 4.538.

Belanghebbende heeft daarmee evenwel geenszins aannemelijk gemaakt dat van de activiteiten per saldo redelijkerwijs een positieve opbrengst was te verwachten, gelijk het Hof ook heeft beslist in de tot de gedingstukken behorende en als hier ingelast te beschouwen uitspraak met kenmerk P97/21184. De relatief geringe omzet van derden, hiervoor vermeld, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof is dan ook van oordeel dat de door belanghebbende ontplooide activiteiten geen bron van inkomen vormen en dat het geleden verlies niet in zijn belastbare inkomen kan worden begrepen. Het gelijk is in zoverre aan verweerder.

5.2. Belanghebbende heeft nog gesteld dat op de balans van zijn onderneming per 31 december 1993 geactiveerde onkosten zijn opgenomen, dat dit uitgaven betreft die belanghebbende heeft gedaan ten behoeve van zijn activiteiten in jaren dat deze als bron werden aangemerkt en dat deze kosten, die nog niet eerder ten laste van zijn belastbare inkomen zijn gebracht, in 1994 in mindering op zijn belastbare inkomen moeten worden gebracht. Het Hof is van oordeel dat, nu de desbetreffende activiteiten van belanghebbende geen bron van inkomen vormen, deze kosten niet in aftrek kunnen worden gebracht. Voor zover belanghebbende zich erop beroept dat verweerder zou hebben toegezegd zijn activiteiten in eerdere jaren wel als bron aan te merken, is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze toezegging meer inhoudt dan dat verweerder voor de jaren 1990 tot en met 1993 het volgens de wettelijke bepalingen aan de desbetreffende jaren toe te rekenen resultaat van die activiteiten in het belastbare inkomen te begrijpen. Het gelijk is ook in zoverre aan verweerder.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 2 mei 2000 door mr. Schaap, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De uitspraak is op die datum ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.