Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7655

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P00/572
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 7 januari 1998 is de woning van belanghebbende opgeleverd. De bouw van de woning was reeds eind december 1997 voltooid. Aan belanghebbende zijn twee waardebeschikking afgegeven. Bij het afgegeven van de eerste waardebeschikking is de gemeente uitgegaan van een waarde van ƒ 490.000, zijnde de waarde 70% gereed. Bij beschikking van 31 januari 1999 is de waarde van de woning naar de toestand per 1 januari 1999 vastgesteld.

Bij de waardebepaling ingevolge artikel 17, tweede lid van de Wet WOZ is de feitelijke toestand van de woning op een toestandsdatum, i.c. 1 januari 1998, van doorslaggevende betekenis. Gelet op de tussen partijen vaststaande feiten is het Hof van oordeel dat de woning op 1 januari 1998 gereed was. De waardebeschikking van 31 januari 1999 heeft de gemeente derhalve ten onrechte doen gronden op een in artikel 19, lid 1, onderdeel b, van de Wet WOZ genoemde omstandigheid op grond waarvan een nieuwe tussentijdse waardebeschikking kan worden afgegeven.

De waarde van de eerste beschikking was niet zodanig laag dat het belanghebbende aanstonds duidelijk had moeten zijn dat deze niet kon zijn gebaseerd op de waarde van zijn woning in voltooide staat. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat noch uit de waardebeschikking zelf noch uit de bij die beschikking gevoegde bijsluiter kan worden opgemaakt dat de eerste waardebeschikking was gegrond op de veronderstel-ling dat de woning voor 70% gereeds was op 1 januari 1998.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: P00/572

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Negende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Haarlem, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente Haarlem, hierna verweer-der, gedag-tekend 7 januari 2000, betref-fende de ten name van belangheb-bende genomen beschik-king, waarbij de waarde van de onroerende zaak a-straat 34 te Haarlem is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 september 2000. Ter zitting is tevens behandeld het beroep van A bij het Hof bekend onder kenmerk 00/635 inzake de waardebeschikking van de onroerende zaak a-straat 38 te Haarlem voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000.

BESLISSING

Het Hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de onderhavige beschikking;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van belangheb-bende tot een beloop van ¦ 20 en wijst de gemeente Haarlem aan dit bedrag aan belang-hebbende te voldoen;

gelast verweerder het gestorte griffierecht ad ¦ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

GRONDEN

1.1. Belanghebbende is sinds 31 januari 1997 eigenaar van een kavel in de gemeente Haarlem ter grootte van ca. 356 m². Op de kavel, met adres a-straat 34, is een halfvrijstaande woning gebouwd, bestaande uit drie bouwlagen met een inhoud van circa 580 m³, exclusief inpandige garage van circa 40 m³. De woning is op 7 januari 1998 opgeleverd. De koop/aanneemsom bedroeg ƒ 697.500, inclusief grond en exclusief meerwerk.

1.2. Bij beschikking van 31 oktober 1998 is de waarde van de onroerende zaak a-straat 34 te Haarlem (hierna: de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 1994 en naar de toestand per 1 januari 1998 vastgesteld op ¦ 490.000. Bij beschikking van 31 januari 1999 is de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 1994 en naar de toestand per 1 januari 1999 vastgesteld op ƒ 595.000. Bij het verzenden van de eerstgenoemde beschikking werd een standaard bijsluiter gevoegd waarin de volgende passage is opgenomen: " Bij nieuwbouw ontvangt u in de meeste gevallen 2 beschikkingen. Eén voor het object in aanbouw (1 januari 1997) en één als het object is opgeleverd (1 januari 1998)."

1.3. Verweerder heeft in mei 1998 de woning a-straat 60 bezocht. Uit navraag bleek dat de bouw van deze woning op 1 januari 1998 was gevorderd tot 70%. Dit huis bevond zich in de laatste fase van de bouwstroom a-straat 26 tot en met 76. Bij de waardering in het kader van de Wet Waardering onroerende zaken (hierna: de Wet), naar de toestand per 1 januari 1998, heeft verweerder de waarden van alle van de bouwstroom deel uitmakende woningen met inachtneming van dat percentage (70% gereed) vastgesteld.

2. In geschil is of de waarde van de woning dient te worden vastgesteld op ƒ 490.000, zoals belanghebbende bepleit, dan wel op ƒ 595.000, zoals de verweerder voorstaat.

3.1. De verweerder heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt door een deskundige, waarin de waarde in het economische verkeer van de woning per 1 januari 1994, naar de situatie per 1 januari 1999, wordt gesteld op ƒ 595.000. Belanghebbende heeft daartegenover geen taxatierapport van een deskundige of andere bewijsmiddelen van gelijk gewicht in het geding gebracht.

3.2. Belanghebbende heeft ter zitting nogmaals bevestigd dat de bouw van de woning reeds eind december 1997 was voltooid, doch dat vanwege de kerstvakantie de stellages om de woning eerst na 1 januari 1998 zijn verwijderd. Verweerder heeft zulks niet betwist doch heeft daartegenover gesteld dat de woning slechts voor 99% gereed was gelet op de omstandigheid dat de woning eerst op 7 januari 1998 aan belanghebbende is opgeleverd en de laatste betaling van 10% van de bouwsom nog niet was voldaan, althans diende te worden voldaan voor de opleveringsdatum.

3.3. Naar het oordeel van het Hof is bij de waardebepaling ingevolge artikel 17, tweede lid van de Wet de feitelijke toestand van de woning op een toestandsdatum, in casu 1 januari 1998, van doorslaggevend belang. Het vorenstaande kan naar 's Hofs oordeel tot geen andere gevolgtrekking leiden dan dat de bouw van de woning op 1 januari 1998 gereed was. Het vorenstaande brengt mede dat verweerder de waardebeschikking van 31 januari 1999 ten onrechte heeft doen gronden op een in artikel 19, lid 1, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken genoemde omstandigheid op grond waarvan een nieuwe tussentijdse waardebeschikking kan worden afgegeven. Van andere omstandigheden die het afgegeven van de waardebeschikking van 31 januari 1999 op grond van vorenbedoeld artikel 19 zouden kunnen rechtvaardigen is niets gesteld noch gebleken. Naar 's Hofs oordeel is evenmin sprake van een in artikel 27, eerste lid, van de Wet bedoeld feit dat grond voor herziening van de beschikking van 31 oktober 1998 oplevert. Het Hof overweegt hierbij dat, mede gelet op de in 1997 overeengekomen koop/aanneemsom van ƒ 697.500, de bij de beschikking van 31 oktober 1998 vastgestelde waarde van ƒ 490.000 -naar de waardepeildatum 1 januari 1994- ook niet zodanig laag was dat het belanghebbende aanstonds duidelijk had moeten zijn dat deze niet kon zijn gebaseerd op de waarde van zijn woning in voltooide staat. Belanghebbende heeft ter zitting ook verklaard dat hij zulks niet heeft beseft en dat hij zich kon vinden in de waarde van ƒ 490.000 als zijnde de waarde gereed. Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat noch uit de tekst van de onder 1.2. genoemde bijsluiter bij de waardebeschikking van 31 oktober 1998 noch uit de waardebeschikking zelf, zoals belanghebbende ter zitting onweersproken heeft verklaard, kan worden opgemaakt dat de waardebeschikking was gegrond op de veronderstelling dat de woning voor 70% gereed was op 1 januari 1998.

3.4. Al het vorenoverwogene leidt het Hof tot de slotsom dat het gelijk aan belanghebbende is. De onderhavige beschikking dient te worden vernietigd.

4. Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op de kosten voor het bijwonen van de zitting van 13 september 2000 en stelt deze kosten vast op ƒ 20.

De uitspraak is gedaan op 27 september 2000 door mr. Faase, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.