Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7648

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/02770
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen zijn aanslag onroerende-zaakbelastingen, gebruikersdeel, (jaar 1998) omdat hem de Zalmsnip niet is toegekend. In de uitspraak op bezwaar is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Het Hof verklaart belanghebbende op grond van artikel 6:11 Awb echter ontvankelijk in zijn bezwaar omdat verweerder niet voldaan heeft aan de in artikel 3:45 Awb gestelde eisen; de rechtsmiddelverwijzing is onjuist. De gemeente Maarn heeft ervoor gekozen om voor het uitkeren van de Zalmsnip (artikel 229d van de Gemeentewet) aan te sluiten bij de onroerende-zaakbelasting, gebruikersdeel. Zij mag daarbij geen onderscheid aanbrengen naar het al dan niet ingeschreven staan in het bevolkingsregister van die gemeente. Artikel 229d van de Gemeentewet staat dat niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 772
Belastingblad 2000/745

Uitspraak

99/02770

12 mei 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het sectorhoofd Middelen en Ondersteuning van de gemeente P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie op 26 augustus 1999 een beroepschrift ontvangen. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 16 juli 1999 en verzonden op 19 juli 1999, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen (gebruikers), met dagtekening 10 juli 1998 en met aanslagnummer 000, met betrekking tot het jaar 1998. Nadat belanghebbende een bezwaarschrift, door verweerder ontvangen op 28 december 1998, tegen deze aanslag had ingediend, heeft verweerder belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard.

Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag met een bedrag van ƒ 100.

Van verweerder is op 27 december 1999 ter griffie een verweerschrift binnengekomen. Hierin concludeert hij tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 10 maart 2000 zijn verschenen belanghebbende, alsmede de heer A namens verweerder, tot bijstand vergezeld van mevrouw B. Ter zitting heeft verweerder het informatieblad ‘Y’ overgelegd. De gemeente P stuurt dit blad mee als bijsluiter bij de aanslag. Het blad wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is woonachtig te Z.

2.2. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een bungalow te P. De bungalow is een recreatiewoning en is samen met een aantal andere bungalows gelegen in het park Q. Belanghebbende is directeur van Q B.V.

2.3.1. Belanghebbendes brieven van 15 maart 1999 en 14 mei 1999 (beide aan verweerder) en 28 mei 1999 (aan de burgemeester van P) alsmede die van 24 augustus 1999 (het beroepschrift) zijn geschreven op het briefpapier van Q B.V. en met ‘X, directeur’ ondertekend.

2.3.2. Belanghebbendes bezwaarschrift (gedagtekend 23 december 1998) is geschreven op het privé-briefpapier van belanghebbende en met ‘X’ ondertekend.

2.4. De onderhavige aanslag is opgelegd aan belanghebbende in privé. Verweerder heeft de uitspraak op het bezwaarschrift aan belanghebbende als particulier naar zijn privé-adres in Z gezonden.

2.5. Belanghebbende stond op 1 januari 1998 niet ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente P.

2.6. Met het aanslagbiljet heeft belanghebbende van de gemeente P het informatieblad ‘Y’ ontvangen. Onder het kopje ‘Zalm-Snip’ staat het volgende:

"Het rijk heeft besloten met ingang van 1998 aan alle particuliere belastingplichtigen (alleen gebruikers) een korting op de gemeentelijke heffingen te geven van f.100,-- op jaarbasis in het kader van de verlaging van de lokale lastendruk voor de burgers.

In P wordt deze korting toegepast op de heffing van het gebruikersdeel van de onroerende-zaakbelastingen voor particulieren die woonachtig zijn in de gemeente P.

Degene die geen korting terugvindt op zijn of haar aanslagbiljet verzoeken wij kontakt op te nemen met het Bureau Belastingen."

In de brochure staan tevens de tarieven van de onroerende-zaakbelastingen (hierna: OZB) die de gemeente P hanteert.

2.7. Ter zitting heeft verweerder het aanslagbiljet betreffende de onderhavige aanslag getoond. Het biljet vermeldt niet een vermindering als bedoeld in de tweede volzin van artikel 229d, lid 1, van de Gemeentewet. Het vermeldt evenmin de van toepassing zijnde belastingtarieven.

3. Geschil

In geschil is in de eerste plaats of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar en voorts of belanghebbende in het onderhavige jaar recht heeft op de vermindering van ƒ 100 van de aanslag OZB gebruikersbelasting op grond van artikel 229d van de Gemeentewet (de Zalmsnip), zoals belanghebbende stelt, dan wel dat belanghebbende daar geen recht op heeft, zoals verweerder voorstaat.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering ervan wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4.1. Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd.

door belanghebbende:

Ik procedeer voor mijzelf en niet voor of namens eigenaren of gebruikers van andere bungalows in het park Q.

Ik vraag me af in hoeverre het mogelijk is dat het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente P de wet opzij kan zetten door te stellen dat inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente P een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor de door die gemeente uit te keren Zalmsnip. Ik wijs in dit kader op mijn tot de gedingstukken behorende brief van 15 maart 1999 aan mevrouw B van de gemeente P.

Ik geef toe dat ik mijn bezwaarschrift te laat heb ingediend maar ik vind het flauw dat mij op grond van deze reden de Zalmsnip geweigerd wordt.

Ik ben in beroep gegaan tegen het besluit van de gemeente P om aan mij geen Zalmsnip uit te keren. Voorts ben ik in beroep gegaan omdat het een principiële vraag betreft. Het gaat ook de andere bewoners van het park aan. Als het alleen mijn eigen ƒ 100 zou betreffen, was ik niet in beroep gegaan. Wetsinterpretatie is geen zaak van de gemeente. De gemeente krijgt de Zalmsnippen die zij uitkeert vergoed van het Rijk.

door verweerder:

Ik heb het bezwaarschrift behandeld als een bezwaarschrift van belanghebbende als privé-persoon en niet als een bezwaarschrift van de directeur van Q B.V. namens andere gebruikers van bungalows in het park.

Belanghebbende is niet ontvankelijk in zijn bezwaar; te laat is te laat. Vanwege klantgerichtheid heb ik belanghebbende wel van informatie en een toelichting voorzien.

In het geval dat het Hof belanghebbende gelijk geeft, zal de gemeente P -na politiek overleg- de Zalmsnip uitkeren.

Het is de bedoeling van de wetgever om elk gezin een eenmalige korting van ƒ 100, de Zalmsnip, te geven. Op die bedoeling heeft P middels een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders geanticipeerd. Dat is de reden dat belanghebbende de Zalmsnip niet is toegekend.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. Artikel 3:45, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt." Lid 2 van dit artikel luidt: "Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld."

5.1.2. Door de enkele mededeling in het informatieblad "Degene die geen korting terugvindt op zijn of haar aanslagbiljet verzoeken wij kontakt op te nemen met het Bureau Belastingen." (zie hiervoor onder 2.6.) en door na te laten de bezwaartermijn van artikel 6:7 Awb te noemen, heeft verweerder niet voldaan aan de in artikel 3:45 Awb gestelde eisen. De rechtsmiddelverwijzing van verweerder is derhalve onjuist.

5.1.3. Verweerder heeft de betreffende belastingtarieven niet -zoals veel gemeenten doen- op het aanslagbiljet, maar in het voornoemde informatieblad vermeld zodat het belanghebbende niet op een overzichtelijke manier duidelijk gemaakt werd dat de gemeente P had besloten dat hem de Zalmsnip niet was toegekend.

5.1.4. Gelet op het overwogene onder 5.1.1. tot en met 5.1.3., een en ander in samenhang bezien, oordeelt het Hof dat belanghebbende de overschrijding van de bezwaartermijn niet verweten kan worden. Daarbij houdt het Hof tevens rekening met de omstandigheid dat belanghebbende zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde of een deskundige. Op grond van artikel 6:11 Awb verklaart het Hof belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar.

5.2.1. Artikel 229d, lid 1, van de Gemeentewet (tekst 1998) luidt uiteindelijk -na wijziging bij wetsvoorstel 25 600 C, nr. 17- als volgt: "Voor diegenen die bij het begin van het kalenderjaar belastingplichtig zijn voor:

de belasting, bedoeld in artikel 220, onderdeel a, of artikel 221, eerste lid, onderdeel a, steeds voorzover het betreft zaken die geheel of gedeeltelijk tot woning dienen;

een recht op grond van artikel 229, eerste lid, ter zake van het gebruik van de riolering voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater;

een recht op grond van artikel 229, eerste lid, dan wel een heffing als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer ter zake van het periodiek inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen;

wordt het belastingbedrag ter zake van de belastingen, bedoeld in onderdeel a, of een van de belastingen bedoeld in onderdelen b en c, verminderd met ten hoogste ƒ 100. Het bedrag van de vermindering wordt afzonderlijk vermeld op het aanslagbiljet." Het tweede lid van artikel 229d van de Gemeentewet luidt: "Indien het bedrag na vermindering negatief is, wordt een aanslag tot dat negatieve bedrag vastgesteld."

5.2.2. De gemeente P heeft ervoor gekozen om voor de vermindering uit hoofde van artikel 229d van de Gemeentewet, de zogenaamde Zalmsnip, aan te sluiten bij de OZB gebruikersbelasting (artikel 220, onderdeel a, van de Gemeentewet). Zij mag daarbij evenwel geen onderscheid aanbrengen naar het al dan niet ingeschreven staan in het bevolkingsregister van de gemeente P. Artikel 229d van de Gemeentewet staat dat niet toe. Het besluit van de gemeente P om belanghebbende over het onderhavige jaar de Zalmsnip te onthouden is derhalve in strijd met artikel 229d van de Gemeentewet en kan daarom niet in stand blijven.

5.2.3. Daarbij kan in het midden blijven in hoeverre juist is de stelling van verweerder dat het niet de bedoeling was dat belastingplichtigen meer dan één maal in aanmerking zouden komen voor de Zalmsnip. De tekst van de wet is duidelijk; de gemeenten komt geen beleidsvrijheid toe. Het vorenstaande vindt ook bevestiging in de antwoorden van de Minister van Financiën op door het Tweede Kamerlid mevrouw Nijpels-Hezemans gestelde vragen over de Zalmsnip (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 600 C, nr 20). De Minister zegt hier onder meer: "Zoals bij diverse gelegenheden aan de Tweede Kamer is gemeld, voorziet de regeling erin dat degenen die een belastingaanslag krijgen voor de desbetreffende gemeentelijke belasting in aanmerking komen voor de lokale lastenverlichting." en "Uit het voorgaande moge blijken dat alle (cursivering door het Hof) belastingplichtigen van de desbetreffende lokale belasting een wettelijke aanspraak hebben op de vermindering van ƒ 100."

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat het gelijk aan belanghebbende is.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Op grond van op het Besluit proceskosten fiscale procedures komen hiervoor in het onderhavige geval in aanmerking de reiskosten die belanghebbende heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen. Het Hof stelt deze vast op ƒ 35. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niets gesteld of gebleken.

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

vermindert de aanslag op grond van artikel 229d van de Gemeentewet met ƒ 100;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van ƒ 35 en wijst de gemeente P aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

gelast verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 50 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 12 mei 2000 door mrs Schaap, Kwantes en Van Loon in tegenwoordigheid van mr Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.