Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7645

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/01943
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen van 27 jaar en ouder en andere naaste verwanten. Het bewijs dat artikel 46, lid 1, letter a, onderdeel 2, Wet IB vereist, heeft belanghebbende in casu op andere wijze geleverd dan door middel van te naam gestelde overschrijvingsstukken afkomstig van financiële instellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/268 met annotatie van Zandee-Dingemanse
FED 2000/349

Uitspraak

99/01943

24 mei 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 21 juni 1999. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 3 juni 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.305. Na bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 31.717.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Op grond van zijn subsidiaire standpunt dient het belastbaar inkomen met ƒ 1.800 tot een bedrag van ƒ 56.505 verminderd te worden.

Ter zitting van 5 januari 2000 is verschenen belanghebbende in persoon, alsmede namens de inspecteur de heer Y.

Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 19 januari 2000. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 2 februari 2000 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 3 februari 2000 van de inspecteur het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht is tijdig voldaan.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 31.717. Op grond van artikel 46, lid 1, onderdeel a, sub 2 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB) heeft belanghebbende, met inachtneming van de drempel van ƒ 800, ƒ 26.588 op zijn inkomen in mindering gebracht. De inspecteur heeft deze aftrekpost gereduceerd tot nihil en de aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.305 opgelegd. Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2.2. Belanghebbende voert in zijn aangiften al enige jaren uitgaven voor levensonderhoud van kinderen van 27 jaar en ouder en van andere naaste verwanten als aftrekpost op. De inspecteur heeft deze aftrekposten, in ieder geval voor de jaren 1994, 1995 en 1996, steeds geaccepteerd.

2.3. Belanghebbende is geboren in Kroatië en woont sinds geruime tijd in Nederland. Vanwege de oorlog in voormalig Joegoslavië hebben familieleden van belanghebbende huis en haard in Kroatië moeten verlaten. Zij verblijven als vluchteling in de Servische plaats Q en zijn financieel afhankelijk van familie.

2.4. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op 27 augustus 1997 ieder 12.000 Duitse Marken (DEM) aangekocht bij de Rabobank te R (koers: DEM 1 = HFL 1,1412). Kopieën van deze aankoopbewijzen behoren tot de gedingstukken.

2.5. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op 30 augustus 1997 ieder DEM 12.000 ingevoerd in Joegoslavië. Tot de gedingstukken behoren kopieën van de betreffende invoerdocumenten (douaneverklaringen).

2.6. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een door het gemeentebestuur van Q geverifieerde verklaring, alsmede een Nederlandse vertaling daarvan, van de zoon van belanghebbende, inhoudende dat belanghebbende en zijn echtgenote in 1997 de moeder, de zoon, de schoondochter en de kleindochter van belanghebbende met een bedrag van ƒ 27.388,80 geholpen hebben. Tot de gedingstukken behoort tevens een kopie van het document, alsmede een Nederlandse vertaling daarvan, waarin de commissaris voor vluchtelingen voor de gemeente Q verklaart dat de bovengenoemde familieleden van belanghebbende erkend zijn als vluchteling in de gemeente Q en daar tijdelijk verblijven.

3. Geschil

In geschil is of de uitgaven ad ƒ 26.588 voor levensonderhoud van kinderen van 27 jaar en ouder en van andere naaste verwanten op het inkomen van belanghebbende in mindering kunnen worden gebracht, hetgeen belanghebbende stelt, dan wel dat die uitgaven in verband met het ontoereikende bewijs van de betaling niet aftrekbaar zijn, hetgeen de inspecteur voorstaat.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting is daar -zakelijk weergegeven- het volgende aan toegevoegd.

Door belanghebbende:

Ik ben in Kroatië geboren. In 1967 ben in Nederland komen wonen. In 1995 is mijn familie in het voormalige Joegoslavië alles kwijtgeraakt als gevolg van de oorlog aldaar. Het is normaal dat ik mijn familie help; zij kunnen niet buiten mijn financiële steun. Door de oorlog is het onmogelijk om per bank, per giro of per internationale postwissel geld naar mijn familie in Servië over te maken. Bovendien zou, indien ik op een dergelijke manier geld zou overmaken -mocht dit al mogelijk zijn-, dit mijn familie in Servië in een gevaarlijke positie brengen. Het is algemeen gebruik dat in Nederland wonende mensen die hun familie in voormalig Joegoslavië financieel steunen dat in contanten doen.

Door de inspecteur:

Hetgeen belanghebbende ter zitting verklaart over de ernst van de situatie waarin de familie van belanghebbende zich in Servië bevindt, trek ik niet in twijfel. De documentatie in het dossier is echter als bewijs van betaling onvoldoende om de door belanghebbende geclaimde aftrek toe te kennen. Het is keihard, maar ik moet de aanwijzingen van de staatssecretaris opvolgen en mij houden aan de verzwaring van de bewijslast.

Voor het geval dat het Hof de aftrek wel toe zal kennen, wijs ik op de 10%-grens die in artikel 46, lid 1, onderdeel a, sub 2, van de Wet IB genoemd wordt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 46, lid 1, onderdeel a, sub 2 Wet IB eist dat "… die uitgaven met schriftelijke bescheiden worden aangetoond …" In de bij het artikel horende passage uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 25051, nr 3, blz. 32 en 33) staat omschreven wat "schriftelijke bescheiden" in dit verband zijn. Deze omschrijving is echter niet uitputtend: "Dit houdt in dat betalingen die belastingplichtigen doen ter ondersteuning van hun verwanten slechts dan in aanmerking kunnen worden genomen wanneer deze zijn gedaan op voor de belastingdienst redelijkerwijs te controleren wijze, zoals door bankoverschrijvingen ten name van de persoon die wordt ondersteund of per internationale postwissel" (cursivering door het Hof).

5.2. Tevens vermeldt de Memorie van Toelichting: "Voor het aantonen van de uitgaven zal worden aangesloten bij de door de Centrale Raad van Beroep in constante jurisprudentie ontwikkelde maatstaf voor de bewijslevering van een bijdrage in onderhoudskosten voor de toepassing van de kinderbijslagwetten." Uit de betreffende jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) ontleent het Hof het volgende (5.3, 5.4 en 5.5):

5.3. De regel dat onderhoudsbijdragen aan de verzorger van uitwonende kinderen op voor het uitvoeringsorgaan op eenvoudig te controleren wijze aannemelijk gemaakt moet worden, is ook van toepassing indien op grond van bijzondere omstandigheden overmaking van gelden via post of bank redelijkerwijs niet verlangd kan worden. De CRvB oordeelt dat betrokkene verifieerbare gegevens met betrekking tot de mate waarin en de tijdstippen waarop bedragen aan de verzorger (zouden) zijn uitbetaald, dient te verschaffen. (CRvB 9 januari 1991, KBW 1990/35, RSV 1992/16).

5.4. Het Hof begrijpt uit CRvB 23 maart 1998, 95/4396 AKW, RSV 1998/203, dat door de Sociale Verzekeringsbank na het uitbreken van de oorlog in Joegoslavië souplesse wordt betracht ten aanzien van het bewijs van overmakingen voor betalingen aan (onder meer) Servië.

5.5. In een geval waarin betrokkene zijn in Kosovo verblijvende kinderen onderhoudt, overweegt de Rechtbank dat de bijzondere omstandigheden in Kosovo rechtvaardigen dat betrokkene het onderhoud aannemelijk kan maken op andere wijze dan de in het algemeen door het uitvoeringsorgaan verlangde, te weten door bewijs van overmakingen per bank of internationale postwissel van het vereiste bedrag aan de verzorger van de kinderen. Het uitvoeringsorgaan stelt dat in een geval waarin betrokkene de mogelijkheid wordt geboden het onderhoud op andere wijze aan te tonen dan door het eerder bedoelde overleggen van stortingsbewijzen elke stap van het traject dat de betrokkene heeft aangewezen als te zijn gevolgd bij het doen van betalingen afzonderlijk aannemelijk gemaakt dient te worden. Ook de CRvB is van oordeel dat bij een -noodgedwongen- afwijkende wijze van het voldoen van de onderhoudsbijdrage mag worden verlangd dat de verschillende onderdelen van het gevolgde traject, alsmede de aangegeven chronologische volgorde, voldoende aannemelijk worden gemaakt. (CRvB 2 juni 1999, 97/6658 AKW en 98/5024 AKW, RSV 1999/230).

5.6. Mede gelet op deze jurisprudentie, waar de wetgever voor de onderhavige problematiek kennelijk bij heeft willen aansluiten, kan niet worden volgehouden dat het door de wet verlangde bewijs slechts kan worden geleverd door middel van te naam gestelde overschrijvingsstukken afkomstig van financiële instellingen. Met hetgeen hij heeft overgelegd levert belanghebbende bewijs op de wijze als is beschreven in de onder 5.5 weergegeven beslissing van de CRvB. In samenhang met hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, zijn de door hem gestelde uitgaven naar het oordeel van het Hof aangetoond op de in de wet bedoelde wijze. De uitgaven kunnen op het inkomen van belanghebbende in mindering worden gebracht voor zover die uitgaven niet meer bedragen dan 10 procent van belanghebbendes onzuivere inkomen. Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak van de inspecteur en vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 52.474.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Gelet op het Besluit proceskosten fiscale procedures komen hiervoor in het onderhavige geval in aanmerking de reiskosten (per tweede klasse van het openbaar vervoer) van belanghebbende om de zitting bij te wonen. Het Hof stelt deze kosten in goede justitie vast op ƒ 20.

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 52.474;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 20 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

gelast de inspecteur het betaalde griffierecht ad ƒ 85 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 24 mei 2000 door mr Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Van Schaik als griffier, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 19 januari 2000.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.