Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7638

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/001879
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Parkeervergunning in de binnenstad van Amsterdam is blijkens de bepalingen in de geldende verordening kentekengebonden en niet, zoals belanghebbende stelt, persoonsgebonden. Dit is niet in strijd met het bepaalde in artikel 25 van de Gemeentewet. Geen sprake van opgewekt vertrouwen op grond van beleid van andere gemeenten of stadsdeelraden, en ook niet op grond van vernietiging van een naheffingsaanslag door de gemeente in een vergelijkbare procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 901
Belastingblad 2000/1165

Uitspraak

99/01879

29 mei 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de directeur a.i. van de dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 juni 1999, ingediend door diens gemachtigde en aangevuld bij brief van 3 augustus 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 21 mei 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen en de beschikking kosten wielklem (hierna: de beschikking), beide gedagtekend 11 maart 1999. Na bezwaar heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 12 mei 2000 is verschenen belanghebbendes gemachtigde (hierna: gemachtigde), alsmede verweerder. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De brief met bijlagen van 1 mei 2000 van gemachtigde wordt beschouwd als bijlage van deze pleitnota. Voorts heeft gemachtigde ter zitting een kopie van een parkeervergunning overgelegd. Verweerder heeft van genoemde stukken kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. Alle voormelde stukken worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Regelgeving

2.1. Artikel 4 van de in de gemeente Amsterdam geldende "Parkeerverordening 1996", laatstelijk gewijzigd bij besluit van de Gemeenteraad van 22 januari 1997 en met dagtekening 27 maart 1997 bekendgemaakt in Gemeenteblad 1997, afd. 3, volgn. 9, (hierna: de Verordening) luidt als volgt.

"De bedrijfsvergunning

Indien en zolang de noodzakelijke reserve in een vergunningengebied aanwezig is en onverminderd het bepaalde in art. 7 wordt op aanvraag een vergunning verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een pand, gelegen in een gebied waar het fiscale regime van kracht is."

2.2. Artikel 7 van de Verordening luidt, voor zover van belang, als volgt.

"Verlenen van vergunningen

1. Met betrekking tot het gebied van de binnenstad stellen Burgemeester en Wethouder het beleid vast op grond waarvan zij bewoners- en bedrijfsvergunningen verlenen.

(...)

3. Met betrekking tot het gebied van een stadsdeel stelt het dagelijks bestuur het beleid vast op grond waarvan het bewoners- en bedrijfsvergunningen verleent.

(...)

5. Met betrekking tot de verlening van bedrijfsvergunningen, geldig in de vergunningengebieden in de binnenstad, wordt maximaal één bedrijfsvergunning per 50 werknemers verleend."

2.3. Artikel 10 van de Verordening luidt, voor zover van belang, als volgt.

Gegevens en voorschriften

"1. Een vergunning bevat de volgende gegevens:

(...)

c het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend;

2. Aan een vergunning worden de volgende voorschriften verbonden:

a de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren met het motorvoertuig waarvan het kenteken, respectievelijk de andere aanduiding, aan de voorzijde van de vergunning is vermeld;

(...)

c ingeval één of meer van de hierboven genoemde voorschriften niet wordt (worden) nageleefd, wordt er zonder vergunning geparkeerd;"

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende drijft tezamen met zijn broer een onderneming, een restaurant, aan de a-straat 1 te Amsterdam. Op naam van belanghebbende is een bedrijfsvergunning verleend als bedoeld onder 2.1 hiervóór. Op deze bedrijfsvergunning stond - ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag en de beschikking - het kenteken AA-AA-AA vermeld. Dit betrof een bij voormelde onderneming in gebruik zijnde auto. Deze bedrijfsvergunning was geldig voor het gebied waarin bedoelde onderneming is gelegen.

3.2. Op 11 maart 1999 omstreeks 21.00 uur heeft belanghebbende de auto met kenteken BB-BB-BB, nadat deze geparkeerd was geweest buiten het gebied waarvoor de bedrijfsvergunning geldig was, geparkeerd in de a-straat nabij huisnummer 85 te Amsterdam, alwaar voor het parkeren parkeerbelasting was verschuldigd. Kentekenhouder van deze auto was C. Om 21.40 uur is door Stadstoezicht geconstateerd dat de auto in de a-straat was geparkeerd. In de auto was op dat moment een parkeerkaartje aanwezig, dat voor het in de a-straat op die plaats parkeren niet geldig was. In de auto was de onder 3.1 genoemde parkeervergunning geplaatst. Ter zake van het vorenstaande is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en is een wielklem aan de auto aangebracht.

3.3. Tot de stukken van het geding behoren door belanghebbende ingebrachte kopieën van een achterzijde en een voorzijde van parkeervergunningen. Daaruit blijkt dat op de voorzijde onder meer het kenteken, (een code van) het vergunningengebied en de geldigheidsduur van de vergunning staat vermeld. Op de achterzijde staat onder meer het volgende vermeld.

"Vergunning voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen binnen het gebied waarvoor de vergunning is verleend:

Tijdens het parkeren moet de vergunning in de linkerbenedenhoek achter de achterruit van het voertuig zijn aangebracht. Dit dient zodanig te gebeuren dat de vergunning duidelijk vanaf de buitenkant van het voertuig is te lezen.

Bij wijziging van het kenteken kunt u terecht bij één van de betaalkantoren of aan het hoofdkantoor aan de Weesperstraat 105 A, 1018 VN Amsterdam.

Indien de bovengenoemde regels niet worden nageleefd, parkeert u zonder geldige vergunning. Het is dus in uw eigen belang om bovenstaande regels in acht te nemen."

3.4. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een "aanvraagformulier parkeervergunning voor bedrijven". Daaruit blijkt dat bij aanvraag van een bedrijfsvergunning onder punt 7 het kenteken van het voertuig moet worden ingevuld.

3.5. In een soortgelijke procedure van belanghebbendes broer heeft verweerder, nadat bij dit Hof beroep was ingesteld, de daar onderwerp van geschil zijnde naheffingsaanslag vernietigd.

4. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en de beschikking terecht is genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend en verweerder bevestigend beantwoordt.

5. Standpunten van partijen

5.1. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan wordt verwezen naar de stukken van het geding.

5.2. Samengevat stelt belanghebbende, dat de onder 3.1 vermelde bedrijfsvergunning niet kenteken- maar persoonsgebonden is. Aangezien deze vergunning door hem op 11 maart 1999 was geplaatst in de auto met kenteken BB-BB-BB, is derhalve geparkeerd met een geldige parkeervergunning. Voorts is in dezen sprake van opgewekt vertrouwen, omdat verweerder in een vergelijkbare procedure van zijn broer (zie 3.5) de naheffingsaanslag heeft vernietigd.

5.3. Samengevat stelt verweerder, dat geparkeerd is in strijd met de ter zake geldende voorwaarden, aangezien de litigieuze bedrijfsvergunning kentekengebonden is. Derhalve is in casu geparkeerd zonder parkeervergunning. Van opgewekt vertrouwen is geen sprake.

5.4. Ter zitting is namens belanghebbende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd.

Belanghebbende dreef tezamen met zijn broer een onderneming in de a-straat. Voorts woonde belanghebbende samen met zijn broer op één adres, alwaar tevens goederen voor de onderneming werden opgeslagen. Deze werden met de auto met kenteken AA-AA-AA van het huis naar de onderneming vervoerd. Op 11 maart 1999 werd deze auto echter elders gebruikt door belanghebbendes broer. Voor het vervoer van bedoelde goederen heeft belanghebbende daarom in de middag de auto met kenteken BB-BB-BB geleend van C. Belanghebbende heeft de litigieuze parkeervergunning in deze auto geplaatst. In de auto met kenteken AA-AA-AA was op dat moment dus geen parkeervergunning aanwezig.

5.5. Ter zitting is namens verweerder, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd.

In het onderhavige geval is geen sprake van opgewekt vertrouwen. Een naheffingsaanslag kan op verscheidene gronden worden vernietigd. Bij een of twee gevallen is nog geen sprake van beleid, daarvoor zijn grotere aantallen nodig.

Het vergunningenbeleid in andere gemeenten doet voor de onderhavige procedure niet ter zake. In sommige stadsdelen worden inderdaad kentekenloze vergunningen verstrekt. Het gaat dan om zeer specifieke gevallen. Dat betreft evenwel een minderheid van de gevallen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 1995, BNB 1996/34, kon splitsing van het bezwaarschrift, in een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en een bezwaarschrift tegen de beschikking, achterwege blijven.

6.2. Bij de beoordeling van het onderhavige geschil dient primair de vraag te worden beantwoord of belanghebbende op 11 maart 1999 heeft geparkeerd met een parkeervergunning. In artikel 10 van de Verordening, zoals vermeld onder 2.3, is bepaald dat aan een vergunning het voorschrift wordt verbonden dat de vergunning uitsluitend geldig is voor het parkeren met het motorvoertuig waarvan het kenteken aan de voorzijde van de vergunning is vermeld. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de vergunning kentekengebonden is. Anders dan belanghebbende bedoelt te stellen is een zodanig voorschrift niet strijdig met het bepaalde in artikel 225, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet.

6.3. In het onderhavige geval staat vast dat de in de auto met kenteken BB-BB-BB geplaatste parkeervergunning aan de voorzijde het kenteken AA-AA-AA vermeldde. Gelet op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, van de Verordening en overeenkomstig het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 17 december 1997, BNB 1998/46, moet dan ook worden geoordeeld dat geen sprake is geweest van parkeren met vergunning. Nu de vergunning betrekking had op een andere auto leidt de naheffingsaanslag ook niet tot dubbele belastingheffing.

6.4. De door belanghebbende gestelde omstandigheid, dat een en ander niet met zoveel woorden op de achterzijde van de parkeervergunning staat vermeld, doet aan voormeld oordeel niet af.

Gelet op de onder 3.3 vermelde tekst aan de achterzijde van de vergunning, het (vetgedrukte) kenteken op de voorzijde van de vergunning en het onder 3.4 vermelde aanvraagformulier, waarin het kenteken van het voertuig moet worden ingevuld, een en ander in samenhang bezien, is het Hof in dezen overigens van oordeel, dat bedoeld voorschrift aan belanghebbende op voldoende duidelijke wijze kenbaar moet zijn geweest. Het Hof heeft in dezen geen aanleiding om te veronderstellen dat de tekst op de voor- en achterzijde van de litigieuze vergunning een andere is geweest dan die als vermeld onder 3.3.

6.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort, dat wanneer belanghebbende de parkeervergunning wenst te gebruiken voor een voertuig met een ander kenteken dan op de voorzijde van de parkeervergunning staat vermeld, hij de parkeervergunning, zoals ook op de achterzijde daarvan staat vermeld, dient om te zetten. Daarvan was belanghebbende zich kennelijk ook bewust, gelet op de pleitnota van gemachtigde, waarin onder 1 staat vermeld, dat belanghebbende enige uren voor het moment van de naheffingsaanslag de beschikking over de huurauto had gekregen en nog niet de mogelijkheid had gehad om de vergunning op een ander kenteken te zetten.

6.6. Omtrent het omzetten van de parkeervergunning heeft belanghebbende nog gesteld, zoals is vermeld onder 2.3 van de pleitnota van gemachtigde, dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat - zakelijk weergegeven - wegens een gebrekkige serviceverlening van verweerder het omzetten van de parkeervergunning in praktische zin onmogelijk zou zijn. Op grond daarvan dienen de naheffingsaanslag en de beschikking te worden vernietigd, aldus belanghebbende.

Het Hof leidt uit het onder 1 van de pleitnota van gemachtigde vermelde, zoals genoemd onder 6.5 hiervoor, en het verklaarde ter zitting dat de auto reeds in de middag werd geleend, evenwel af dat belanghebbende op 11 maart 1999 niet de intentie heeft gehad om de parkeervergunning om te zetten. Daartoe bestond immers ook geen aanleiding, gelet op belanghebbendes - overigens blijkens het vorenoverwogene: onjuiste - opvatting dat de vergunning niet kentekengebonden was. Reeds op deze grond wordt het door belanghebbende gestelde verworpen. Het Hof merkt daarbij op dat van een vergunninghouder mag worden verwacht, dat hij bij gebruik van (tijdelijk) vervangend vervoer of omzetting van de vergunning op een ander voertuig enig ongemak (wachttijden, eventueel betaald parkeren) aanvaardt, gelet op het in het verweerschrift uiteengezette, gerechtvaardigde belang dat verweerder heeft bij het op kenteken stellen van de vergunning.

6.7. Belanghebbendes stelling dat in andere gemeenten, zoals bijvoorbeeld Amersfoort en Den Haag, kentekenloze bedrijfsvergunningen worden verstrekt, kan hem niet baten. Het betreft immers een zelfstandige bevoegdheid van de desbetreffende gemeenten om zodanige vergunningen te verstrekken. Belanghebbende kan daaraan, voor zover hij dat bedoelt te stellen, niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen, dat dit eveneens in de gemeente Amsterdam zal geschieden.

6.8. Gelet op het bepaalde in het eerste en het derde lid van artikel 7 van de Verordening, zoals vermeld onder 2.2, heeft voormeld oordeel evenzeer te gelden voor belanghebbendes stelling, dat ook in bepaalde stadsdelen van Amsterdam, zoals bijvoorbeeld in Buitenveldert, kentekenloze vergunningen worden verstrekt. Belanghebbende kan daaraan niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen, dat dit eveneens in de binnenstad dient te geschieden. Daarbij neemt het Hof nog in aanmerking het door verweerder ter zitting verklaarde, dat zodanige vergunningen in de desbetreffende stadsdelen slechts in zeer specifieke gevallen worden verstrekt. Ook is niet gesteld of gebleken dat belanghebbendes geval met die zeer specifieke gevallen vergelijkbaar is.

6.9. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de naheffingsaanslag en de beschikking moeten worden vernietigd, omdat, gelet op het onder 3.5 genoemde feit, sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, begrijpt het Hof dat belanghebbende heeft bedoeld te stellen, dat in dezen sprake is van opgewekt en in rechte te honoreren vertrouwen van de zijde van verweerder.

De enkele omstandigheid dat verweerder in bedoelde procedure de naheffingsaanslag heeft vernietigd is evenwel onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is geweest van een in rechte te honoreren vertrouwen. Verweerder heeft gemotiveerd gesteld dat een naheffingsaanslag (en beschikking) op verscheidene gronden kan worden vernietigd. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, waaruit moet worden geconcludeerd dat verweerder in de onder 3.5 genoemde procedure de indruk heeft gewekt, dat hij zijn beleid met betrekking tot de vermelding van het kenteken op parkeervergunningen heeft prijsgegeven en dat hij op die grond de betreffende naheffingsaanslag heeft vernietigd. Derhalve verwerpt het Hof belanghebbendes stelling.

6.10. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot het oordeel dat de naheffingsaanslag en de beschikking terecht zijn. Derhalve is het gelijk aan de zijde van verweerder.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 29 mei 2000 door mrs Schaap, Kwantes en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Berns als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.