Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7637

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/1444
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In zijn arrest van 9 maart 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de kosten verbonden aan het gebruik van een eigen vliegtuig ten laste van de winst dienden te komen, behoudens indien en voor zover het beloop van de meerdere kosten, verbonden aan het reizen per eigen vliegtuig, in een zodanige wanverhouding staat tot het nut dat deze snelle en kostbare wijze van reizen voor de onderneming kon afwerpen, dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden die wijze van reizen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen. Gelet op het geringe gebruik dat is gemaakt van de Cessna voor het vervoer naar L, het frequente gebruik van alternatief vervoer naar L, de onmogelijkheid voor de directeur van belanghebbende om te mogen landen in L en de omvang van de kosten die de aanschaf en het onderhoud van dit vervoermiddel met zich mee brachten, is naar het oordeel van het Hof sprake van een zodanige wanverhouding tussen de meerdere kosten en het nut dat deze wijze van reizen oplevert voor de onderneming, dat een redelijk denkend ondernemer niet kan volhouden deze wijze van reizen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen. Hierbij acht het Hof de aard van het transportmiddel niet relevant. Terecht gaat verweerder ervan uit dat ook de aanschaf van een dure personenauto voor slechts enkele ritten niet zakelijk kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 879
FED 2000/373
V-N 2000/37.1.2

Uitspraak

99/1444

6 juni 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 mei 1999, ingediend door A te B als gemachtigde en aangevuld bij brief van 30 juli 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 23 april 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1993.

Oorspronkelijk is het belastbare bedrag vastgesteld op nihil. De navorderingsaanslag werd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ XXX. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ XXX, waarvan 75 % - ƒ XXX - is kwijtgescholden.

Na bezwaar tegen de navorderingsaanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en van de navorderingsaanslag.

Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ XXX, met - naar het Hof begrijpt - een dienovereenkomstige vermindering van de verhoging.

Ter zitting van 18 januari 2000 zijn verschenen en gehoord de gemachtigde voornoemd en C namens verweerder. Ter zitting is eveneens het beroep van belanghebbende behandeld met kenmerk 99/1445, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1994. De in deze procedure ingebrachte stukken worden geacht ook in dit geding te zijn ingebracht.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Belanghebbende heeft een dertiental bijlagen overgelegd. Verweerder heeft van de bijlagen kennis kunnen nemen en heeft zich erover kunnen uitlaten. De pleitnota’s en de bijlagen worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende voert een tandartsenpraktijk te Y. Directeur/enig aandeelhouder van belanghebbende is E die in 1977 is afgestudeerd als tandarts. E komt in contact met F, directeur/aandeelhouder van G Beheer B.V. (hierna: G B.V.), door middel van welke vennootschap F een tandtechnisch laboratorium exploiteert. Belanghebbende en G B.V. nemen samen met vier tandartsen deel in de vennootschap onder firma "H" (verder: de VOF), een in Nederland gevestigd specialistisch tandtechnisch laboratorium. Tevens neemt belanghebbende deel in de kostenmaatschap J, waarin de kosten van diverse tandartsenpraktijken zijn opgenomen.

2.2. Belanghebbende en G B.V. spreken af ook buiten Nederland samen te werken. Zij gaan, ieder voor 50 %, de kostenmaatschap N (de maatschap) aan. Het doel van deze maatschap is tandheelkundige centra te vestigen in één of meer van de omringende West-Europese landen. Als eerste centrum wordt voor K (L) gekozen. De directeur van belanghebbende gaat in 1991 part-time in het centrum beginnen samen met twee andere tandartsen. De directeur van G B.V. draagt zorg voor de aanvoer van tandheelkundige middelen.

2.3. In mei 1991 koopt de maatschap een vliegtuig, een Cessna 182, met registratie PH-XXX. De directeuren van de maten maken van de Cessna gebruik voor bezoeken aan de buitenlandse centra.

2.4. In haar aangifte over het onderhavige jaar doet belanghebbende aangifte van een belastbaar bedrag - na verrekening van verliezen - van nihil. De aanslag is conform de aangifte opgelegd.

2.5.1. In mei 1995 is een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. Tijdens dit onderzoek, waarvan het rapport op 17 november 1997 verschijnt, zijn de aangiften inkomstenbelasting van E voor 1990 tot en met 1994 en de aangiften vennootschapsbelasting van belanghebbende voor 1990 tot en met 1994 onderzocht.

2.5.2. In dit rapport wordt onder meer het volgende vermeld:

"2.1. Kostenmaatschap N

D.d. 30 mei 1991 hebben X BV en G Beheer BV samen een Cessna 182, PH-XXX, gekocht. Hiertoe zijn zij een kostenmaatschap aangegaan.

(...)

Het logboek is nog steeds niet boven water, daar deze zich waarschijnlijk in het vliegtuig bevindt en dat staat volgens zeggen in L. X B.V. heeft inmiddels geen aandeel meer in het vliegtuig.

Uit de administratie blijkt het volgende:

1. Er zijn geen vluchten op L uitgevoerd. Dit blijkt uit het ontbreken van nota’s van landingsrechten en brandstof. Wel zijn vluchten naar O, P, Q en R te traceren. Deze zijn naar alle waarschijnlijkheid door de heer F uitgevoerd, gezien zijn zakelijke belangen aldaar.

2. Zowel in 1991 als in 1992 komen veel lesvluchten voor, zoals blijkt uit afrekeningen van onder andere de vliegvelden S en T. Uit de verklaring van de heer E, dat geen landingsrechten in L konden worden verkregen, wegens gebrek aan vlieguren, moge ik afleiden dat beide heren nog geen brevet hadden.

3. D.d. 18 maart 1994 is het vliegtuig geheel op naam van de heer F komen te staan, terwijl de accountant in de jaarstukken 1993 stelt, dat X BV in september 1993 uit de kosten maatschap is gestapt.

4. Verder heeft de accountant verklaard, dat de onderneming te L van X BV geen succes is geworden, en thans beëindigd is.

5. Uit de privé-administratie van de heer E blijkt dat hij thans in bezit is van een ander vliegtuig, welke hij samen met een andere collega heeft gebouwd. Dit vliegtuig wordt in privé gehouden.

Conclusie:

Het vliegtuig is nimmer zakelijk gebruikt.

Het vliegtuig is reeds aangeschaft, voordat blijkt dat de onderneming te L op termijn een succes zal worden.

De heer E had noch een vliegbrevet, noch had hij voldoende vlieguren om in L te mogen landen.

In 1995 bouwt de heer E een eigen vliegtuig voor privé-gebruik.

Op basis van het gestelde in het Cessna-arrest, stel ik dat de aanschaf en de uitgaven voor het houden van een vliegtuig voor zakelijk gebruik in zodanige wanverhouding staat tot het nut, dat geen enkel zakelijke denkend ondernemer kan volhouden deze wijze van reizen (met eigen vliegtuig) met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen.

(...)

Fiscale winstberekening

Kosten uit kosten maatschap N

Op basis van het gestelde in punt 2.1. zijn de kosten uit deze maatschap als privébesteding aan te merken en dienen derhalve gecorrigeerd te worden.

Correctie 1991 f. 25.885

Correctie 1992 f. 51.836

Correctie 1993 f. 73.397

De correctie 1993 is de vordering op de kosten maatschap per 31/12/1992. Volgens de toelichting in de jaarstukken zijn deze kosten ten laste van het resultaat gebracht.

Gecorrigeerde winst

1991 1992 1993

Punt: kosten vliegtuig punt 3.1 f 25.885 f 51.836 f 73.396

Totaal correcties f 25.885 f 51.836 f 73.396

Winst volgens aangifte - - 8.540 - 65.458 - 25.719

Gecorrigeerde winst f 17.345 f 117.294 f 99.115

4. Overzicht correcties

4.1.Vennootschapsbelasting

1991 1992 1993 1994

Eindvermogen volgens aangifte f 243.530 f 304.233 f 326.125 f 397.569

Correctie rc kostenmaatschap - -/- 114.453 -/- 151.118 -/- 151.118 -/- 151.118

Correctie kosten - 25.885 - 77.721 - 151.118 - 151.118

Gecorrigeerd eindvermogen f 154.962 f 230.836 f 326.125 f 397.569

(Gecorrigeerd) beginvermogen - 255.719 - 154.962 - 230.836 - 326.125

Vermogensverschil f -/- 100.757 f 75.874 f 95.285 f 71.448

Onttrekking rc kostenmaatschap - 114.453 - 36.665

Niet aftrekbare bedragen - + 2.000 - + 2.000 - + 2.000 - + 49.442

Investeringsaftrek - - 3.717 - - 720 - -

Beperking artikel 8a Wet IB - + 5.366 - + 3.475 - + 1.831 - + 666

Gecorrigeerde winst f 17.345 f 117.294 f 99.116 f 121.556

Aftrekbare giften - . - . - . - .

Gecorrigeerde belastbare winst f 17.345 f 117.294 f 99.116 f 121.556

Te verrekenen verliezen - 17.345 - 71.243 - . - .

Gecorrigeerd belastbaar bedrag f nihil f 46.051 f 99.116 f 121.556

vastgesteld belastbaar bedrag f nihil f nihil f nihil f 119.852

na te vorderen f nihil f 46.051 f 99.116 f 1.704

"

2.6. Naar aanleiding van vragen van verweerder heeft de accountant van belanghebbende bij brief van 21 februari 1996 een calculatie van het zelfvliegen, afgezet tegen chartervluchten en het huren van een vliegtuig (per jaar), aan verweerder gezonden.

In deze brief staat onder meer het volgende:

"De volgende uitgangspunten zijn van kracht:

per jaar 24 vluchten van Nederland naar L (per vlucht 4,5 uur)

per jaar 12 binnenlandse vluchten in L (per vlucht 1,5 uur)

KLM charter per dag f 1.800,=

Eigen vliegtuig (2 personen)

- Afschrijving vliegtuig::

Aanschafwaarde vliegtuig f 205.000,=

Restwaarde f 30.000,=

-----------

f 175.000,= :5 jaar f 35.000,=

- Verzekering f 8.000,=

-Stallingsgelden f 5.000,=

- Onderhoud f 5.000,=

- Landingsgelden: (48 + 24) x f 25,= f 1.800,=

- Verbruik (48 x 4,5 uur) + 24 x 1,5 uur x f 50,= f 12.600,=

- ------------

f 67.400,=

Per persoon f 33.700,=

======

Chartervluchten (per persoon) - charter: 24 x f 1.800,= + 12 x f 600,= f 50.400,=

Huren vliegtuig (2 personen)

- vliegtuighuur: (48 x 4,5 uur) + (24 x 1,5 uur) x f 350,= f 88.200,=

- landingsgelden (48 + 24) x f 25,= f 1.800,=

- verbruik: (48 x 4,5 uur) + (24 x 1,5 uur) x f 50,= 12.600,=

----------

f 102.600,=

Per persoon f 51.300,=

=======

Uit oogpunt van de voorcalculatie zou het vliegen met een eigen vliegtuig voordeliger zijn. Zoals eerder medegedeeld waren de juiste papieren niet voor handen om in L te mogen landen. Om deze te bemachtigen is het noodzakelijk geweest een bepaald aantal vlieguren te maken. Van daadwerkelijke vluchten naar L is nauwelijks sprake geweest, daar rond de tijd dat alles rond was de markt in L voor tandheelkundige hulp zo verslechterd was dat het doorzetten van een eigen vliegtuig niet meer rendabel was."

2.7. Naar aanleiding van het onder 2.5.1. vermelde boekenonderzoek is een nader onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 1992 tot en met 1995. In het rapport naar aanleiding van dit onderzoek van 14 september 1998, dat zich beperkt tot de kosten en de omzet van de praktijk van belanghebbende in L, staat onder meer het volgende vermeld:

"2.3. Overige kosten L

Kosten 1992

Onder grootboekrekening 4670 "Reiskosten" en 4672 "Representatiekosten"zijn een twaalftal vliegreizen Amsterdam-K retour geboekt.

(...)

Totale kosten vliegreizen 7.075,32

In 1992 is onder grootboek "Rekening-courant N", maatschap waarin het vliegtuig is ondergebracht, slechts één nota van het vliegveld V betaald voor landingsrechten, stalling in de periode 12/4-17/4 tot een totaalbedrag van ƒ 111,02, onder vermelding PH XXX De naam van de piloot wordt niet vermeld.

Voor het overige zijn geen landingsrechten betaald aan vliegvelden in L.

Kosten 1993

Onder grootboekrekeningen 4670 "Reiskosten" zijn wederom een aantal vliegreizen Amsterdam-K retour geboekt

(...)

Totale kosten vliegreizen 7.487,27

Er zijn onder de andere kosten geen andere kosten inzake de reizen naar L te vinden."

2.8. Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 1998 voor het onderhavige jaar de bestreden navorderingsaanslag opgelegd.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil

- of sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat navorderen rechtvaardigt,

of belanghebbende kosten en lasten met betrekking tot het vliegtuig geheel of ten dele ten laste van haar winst kan brengen, en

-of de opgelegde boete van per saldo 25% in stand kan blijven.

4. Standpunten van partijen

4.1.Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding, met inbegrip van de pleitnota’s.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende het volgende aan haar stellingen doen toevoegen. Er is geen bezwaar dit geschil - hoewel partijen zijn opgeroepen om voor de Eerste Meervoudige Kamer te verschijnen - enkelvoudig te behandelen. De enige bijlage die verweerder niet bekend is, is bijlage 13. Het is nimmer de bedoeling geweest alle vluchten zelf te maken. Het inhuren van een piloot is zeer goedkoop. Piloten zijn bereid te betalen om te mogen vliegen. Het was niet de taak van de directeur van belanghebbende om te vliegen. De directeur had wel een vliegbrevet, maar niet een waarmee hij toegelaten kon worden tot internationale vluchten. Indien belanghebbende een auto zou hebben gekocht, zou er geen procedure gevoerd zijn. De aankoopnota vermeldt een bedrag van ƒ 146.000, terwijl als boekwaarde ongeveer ƒ 200.000 is opgenomen. Het verschil tussen deze twee bedragen wordt verklaard door de kosten van het vervangen van de motor.

4.3. Ter zitting heeft verweerder het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. Er is geen bezwaar dit geschil - hoewel partijen zijn opgeroepen om voor de Eerste Meervoudige Kamer te verschijnen - enkelvoudig te behandelen. De uitspraken van de Hoge Raad zoals gepubliceerd in BNB 1995/15 en 1995/16 zijn in casu niet relevant. In het algemeen is het niet wenselijk dat er veel personen bij de aanslagregeling betrokken zijn. Medio 1992 gaf belanghebbende al aan van het vliegtuig af te willen. Het gebruik van een vliegtuig als vervoermiddel kwam eerst na een nader onderzoek naar voren. Mijn opstelling is dat geen sprake is van zakelijke kosten. Ook de aanschaf is dat niet. Uit de gegevens van het logboek en bijlage 13 van de pleitnota trek ik de conclusie dat er niet veel zakelijke vluchten zijn gemaakt. De kosten voor het huren van piloten zijn niet in de schatting meegenomen. Indien de piloten zouden hebben betaald, zou dat als bate terug moeten zijn te vinden. Ook het aanschaffen van een auto voor ongeveer 10 zakelijke ritten kan onzakelijk zijn.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. In de eerste plaats heeft belanghebbende gesteld dat geen sprake was van een nieuw feit dat navordering mogelijk maakt. Naar de mening van belanghebbende was verweerder bekend, althans had verweerder bekend kunnen zijn met het feit dat belanghebbende in haar onderneming een met een ander aangeschaft kostbaar vervoermiddel gebruikte, ter zake van welk gebruik zij aanzienlijke kosten en lasten ten laste van haar verlies- en winstrekening bracht. Nu het naar de mening van belanghebbende zeer ongebruikelijk is dat in ondernemingen als die van belanghebbende dergelijke transportmiddelen gebruikt worden, had verweerder een nader onderzoek moeten instellen indien de aangifte en de bijlagen onvoldoende inzicht boden.

5.1.2. Verweerder heeft de stelling van belanghebbende bestreden. Gelet op de omschrijving van de kostenmaatschap in de jaarstukken over 1991 en 1992 van belanghebbende, waarin niet wordt vermeld welke gezamenlijke kosten het betreft, en op de omstandigheden dat in die jaarstukken de kostenmaatschap onder verschillende posten voorkomt, in de jaarstukken over 1993 geen specificatie van de kostenmaatschap is bijgevoegd en in de jaarstukken van belanghebbende de kosten evenmin zichtbaar zijn gemaakt, is naar zijn mening sprake van een nieuw feit dat navorderen rechtvaardigt. Ten aanzien van het in de jaarstukken over 1991 van de kostenmaatschap onder "transportmiddelen" vermelde bedrag ad ƒ 182.117 is verweerder van mening dat de hoogte van deze post geen aanleiding behoefde te zijn om vragen te stellen, aangezien een dergelijk bedrag niet behoeft te wijzen op de aankoop van een vliegtuig.

5.1.3. Naar het oordeel van het Hof treft deze grief van belanghebbende geen doel. Gelet op de in de jaarstukken van de kostenmaatschap over 1991 en 1992 gebruikte omschrijving "transportmiddelen" en "transportkosten" zonder verdere specificatie, het in de jaarstukken over 1993 van belanghebbende onder verschillende kostenposten vermelden van de kosten van de kostenmaatschap en het niet zichtbaar opnemen van de kosten in de aangifte van belanghebbende over 1993, terwijl voorts ten aanzien van dat jaar stukken van de kostenmaatschap ontbraken, heeft verweerder geen verzuim gepleegd door de primitieve aanslag over het onderhavige jaar op te leggen zoals deze is opgelegd. Nu eerst tijdens het boekenonderzoek, dat is uitgevoerd in de periode 1995 tot 1997, duidelijk is geworden van welke kosten sprake was, is naar het oordeel van het Hof sprake van een nieuw feit dat navorderen mogelijk maakt.

5.2.1. Met betrekking tot het tweede geschilpunt stelt belanghebbende dat verweerder het door de Hoge Raad in zijn arrest van 9 maart 1983, nr. 21 163, BNB 1983/202 geformuleerde criterium niet juist heeft toegepast door de kostenaftrek geheel te weigeren. Naar de mening van belanghebbende volgt uit bovenstaand arrest dat alleen de bovenmatige kosten niet in aftrek kunnen komen. Zij voert aan dat een dergelijk klein, eenmotorig vliegtuig van het type Cessna in de branche waarin belanghebbende zich beweegt, wel vaker wordt gebruikt en zijn de kosten daarvan aftrekbaar. Voor zover verweerder stelt dat het bedrag ad ƒ 182.117 aan transportmiddelen ook een auto uit een duurdere prijsklasse had kunnen betreffen, verzet hij zich daarmee naar de mening van belanghebbende niet tegen het kostenbeloop, maar tegen de aard van het transportmiddel. Deze uitleg heeft de Hoge Raad volgens belanghebbende niet met bovenstaand arrest bedoeld.

5.2.2. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de kosten met betrekking tot het vliegtuig niet zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming en dat zij dientengevolge niet aftrekbaar zijn. Nu de directeur van belanghebbende eerst in januari 1992 zijn brevet heeft gehaald, maar niet mocht landen in L vanwege het ontbreken van het vereiste aantal vlieguren, is het reizen naar L met het eigen vliegtuig een onmogelijke opgave. De door belanghebbende bij brief van 21 februari 1996 overgelegde calculatie is niet te gebruiken, aangezien deze calculatie op enige punten niet juist is. In de eerste plaats wordt in de brief uitgegaan van een te hoog aantal vluchten naar en binnen L. In de tweede plaats wordt geen rekening gehouden met een privé-component in de berekende kosten voor landingsrechten en verbruik brandstof. In de derde plaats is uitgegaan van een te hoog bedrag aan kosten voor een alternatieve wijze van vervoer naar L.

Ten aanzien van de aard van het vervoermiddel heeft verweerder bestreden dat dat een rol speelt. Ook de aanschaf van een auto voor 10 ritten kan onzakelijk zijn.

Subsidiair stelt verweerder dat indien de vluchten in enige mate in het kader van de onderneming zijn gemaakt, de meerkosten van het per eigen vliegtuig in plaats per alternatief vervoer niet in aanmerking kunnen worden genomen. In dat geval kan slechts een bedrag ad (3 x 50% x ƒ 500 =) ƒ 750 ten laste van de winst komen.

5.2.3. In voormeld arrest van 9 maart 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de kosten verbonden aan het gebruik van een eigen vliegtuig ten laste van de winst dienden te komen, behoudens indien en voor zover het beloop van de meerdere kosten, verbonden aan het reizen per eigen vliegtuig, in een zodanige wanverhouding staat tot het nut dat deze snelle en kostbare wijze van reizen voor de onderneming kon afwerpen, dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden die wijze van reizen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen. Gelet op het geringe gebruik dat is gemaakt van de Cessna voor het vervoer naar L, het frequente gebruik van alternatief vervoer naar L, de onmogelijkheid voor de directeur van belanghebbende om te mogen landen in L en de omvang van de kosten die de aanschaf en het onderhoud van dit vervoermiddel met zich mee brachten, is naar het oordeel van het Hof sprake van een zodanige wanverhouding tussen de meerdere kosten en het nut dat deze wijze van reizen oplevert voor de onderneming, dat een redelijk denkend ondernemer niet kan volhouden deze wijze van reizen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming te hebben verkozen. Hierbij acht het Hof de aard van het transportmiddel niet relevant. Terecht gaat verweerder ervan uit dat ook de aanschaf van een dure personenauto voor slechts enkele ritten niet zakelijk kan zijn.

5.3.1. Voor zover de verhoging betreft heeft verweerder gesteld dat sprake is van grove schuld, aangezien belanghebbende door het in aftrek brengen van de onderhavige kosten dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan haar handelen te wijten is dat te weinig belasting is betaald. Belanghebbende had dienen te beseffen dat in de onderhavige situatie naar alle waarschijnlijkheid geen of bijna geen sprake kon zijn van zakelijke kosten.

5.3.2. Belanghebbende stelt evenwel dat de verhoging rechtsgrond ontbeert. Verweerder heeft naar haar mening geen bewijs van opzet of grove schuld geleverd. Voorts is belanghebbende niet tijdig ingelicht omtrent de aard en reden van de opgelegde verhoging. Tenslotte is de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overschreden doordat het boekenonderzoek bij belanghebbende al in 1995 plaatsvond en de uitspraak op bezwaar pas in april 1999 is gedaan.

5.3.3. Belanghebbende heeft in dit geding het standpunt ingenomen dat in zijn geval geen sprake is van een wanverhouding als bedoeld onder 5.2.3. en 5.2.4. Dit standpunt kan, hoewel het door het Hof onjuist is bevonden, niettemin als pleitbaar worden aangemerkt. Naar het oordeel van het Hof is het dan ook niet te wijten aan opzet of grove schuld van belanghebbende dat te weinig belasting is geheven. Nu de verhoging reeds hierom dient te vervallen behoeven de overige grieven van belanghebbende tegen de verhoging geen behandeling meer.

5.4. Gelet op al het vorenoverwogene zal het Hof de uitspraak van verweerder vernietigen en de navorderingsaanslag verminderen tot een zonder verhoging.

6 Proceskosten

Nu belanghebbende deels in het gelijk wordt gesteld, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van belanghebbende op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de samenhang van de onderhavige procedure met die onder nummer 99/1445. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x ƒ 710 x een wegingsfactor 1,5, ofwel ƒ 2.130. Daarvan heeft de helft op deze procedure betrekking, ofwel ƒ 1.065.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van verweerder,

- vermindert de navorderingsaanslag tot een zonder verhoging,

- gelast verweerder het gestorte griffierecht ad ƒ 85 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van

ƒ 1.065 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te betalen.

De uitspraak is vastgesteld op 6 juni 2000 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Visser als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Het lid van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.