Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7570

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
23-002383-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002383-99

datum uitspraak 17 oktober 2000

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 31 december 1998 in de strafzaak onder parketnummer 13/128128-97 tegen

H.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 november en 17 december 1998 en in hoger beroep van 24 maart en 3 oktober 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaar-ding, zoals op de terechtzit-ting in hoger beroep van 24 maart 2000 op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlasteleg-ging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud van de daarin vermelde tenlastelegging, zoals deze met inachtneming van evengenoemde wijziging is komen te luiden, wordt hier overgeno-men.

3. De geldigheid van inleidende dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de inleidende dagvaarding wat betreft het onder 1 primair tenlastegelegde, nietig dient te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd hetgeen is opgenomen in door de raadsman aan het hof overgelegde pleitnota, die bij de stukken van het dossier in deze strafzaak is gevoegd.

Met betrekking tot dit verweer overweegt het hof als volgt.

Het gebruik van het woord verduisterd staat niet op zichzelf, maar moet worden beschouwd in samenhang met hetgeen overigens in de beschrijving van het onder 1 primair tenlastegelegde is opgenomen. In de tenlastelegging is nader aangegeven in welke plaats en periode de verweten gedragingen zich zouden hebben afgespeeld, dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen zou hebben gehandeld en in welke hoedanigheid verdachte, althans zijn mededaders handelden. Vervolgens wordt het woord verduisterd in de tenlastelegging gebruikt als feitelijke omschrijving van hetgeen verdachte, althans zijn mededaders, hebben gedaan met geldbedragen die hij, althans zijn mededaders, belast met het legen en/of ophalen van kannen (geldcassettes) van parkeerautomaten, in hun bediening onder zich hadden.

Naar het oordeel van het hof, komt derhalve aan het woord verduisterd, beschouwd in de context van de gehele tenlastelegging onder 1 primair, voldoende feitelijke betekenis toe. Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat door de verdediging niet eerder dan bij pleidooi in hoger beroep over dit punt is geklaagd, terwijl de verdachte er zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep blijk van heeft gegeven te begrijpen tegen welke beschuldiging hij zich had te verweren.

De tenlastelegging voldoet ook overigens aan de eisen die daaraan door artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

5. De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer subsidiair en 2 is tenlastegelegd, met dien verstande dat hij

- ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde -

op tijdstippen in de periode van 1 maart 1997 tot en met 2 december 1997 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een goed, te weten een hoeveelheid muntgeld voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed telkens wist dat het een door misdrijf, namelijk verduistering, verkregen goed betrof;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 2 december 1997 te Amsterdam wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Beretta, kaliber .22LR) en een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber .38 special) en een pistool (merk Fabrique Nationale, kaliber 6.35mm) en munitie van categorie III, te weten 4 patronen (merk Privi Partisan, kaliber .25auto 6.35mm) en 5 patronen (merk Fiocchi, kaliber .38 special) en 34 patronen (merk Remington, kaliber .22LR) en 1 patroon (merk Dynamit Nobel, kaliber .22LR) en 6 patronen (merk Continental Cartridge Incorperated, kaliber .22LR), voorhanden heeft gehad.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blij-kens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daar-door niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezenver-klaarde uitsluit, zodat dit straf-baar is.

Het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:

opzetheling, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baar-heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte straf-baar is.

8. De op te leggen straffen en maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feit-en en de omstandig-heden waar-onder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in be-schouwing geno-men.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan opzetheling. Hij heeft samen met anderen hoeveelheden muntgeld voorhanden gehad, die, naar hij wist, afkomstig waren van verduistering uit parkeerautomaten in de gemeente Amsterdam.

Voorts heeft verdachte verscheidene vuurwapens met een aanzienlijke hoeveelheid daarbij behorende munitie voorhanden gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens met bijbehorende muni-tie brengt een onaanvaard-baar risico voor de veiligheid van personen met zich.

De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf van een duur als door de rechtbank opgelegd.

Ten gunste van verdachte houdt het hof echter rekening met de omstandigheden dat er geruime tijd is verstreken sedert het plegen van de bewezenverklaarde feiten, alsmede dat verdachte deelneemt in de terugbetalingsregeling die is getroffen met de gemeente Amsterdam.

Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 2 februari 2000 is verdachte twee keer eerder ter zake van feiten met betrekking tot vuurwapens veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf (waarvan de laatste is omgezet in een werkstraf van 240 uur).

Deze eerdere veroordelingen hebben kennelijk geen zodanige indruk op verdachte gemaakt dat zij hem ervan hebben kunnen weerhouden de onderhavige feiten te begaan.

Het thans onder 2 bewezenverklaarde laat - gelet op het vorenstaande, de recidive en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken - naar het oordeel van het hof niet toe de verdachte wederom in de gelegenheid te stellen onbetaalde arbeid ten algenemen nutte te verrichten, zodat het daartoe strekkende aanbod van verdachte wordt afgewezen.

Al het voorgaande overwegende acht het hof de hierna onder 9. genoemde strafoplegging passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen, vermeld onder de nummers 7 en 9 tot en met 16 op de aan dit arrest als bijlage I gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zoda-nige aard zijn dat het ongecontro-leerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57 en 416 van het Wet-boek van Straf-recht en de artike-len 26 en 55 van de Wet wapens en muni-tie.

10. De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde fei-ten, zoals hierboven om-schreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spr-eekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 9 (NEGEN) MAANDEN.

Beveelt dat een op 3 (DRIE) MAANDEN bepaald gedeelte van deze gevangenis-straf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schul-dig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (TWEE) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit-voerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in minde-ring wordt gebracht.

Wijst af het door verdachte gedane aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen vermeld onder de nummers 7 en 9 tot en met 16 op de aan dit arrest als bijlage I gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen vermeld onder de nummers 6 en 8 op de aan dit arrest als bijlage I gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de voorwerpen vermeld onder de nummers 1 en 3 tot en met 5 op de aan dit arrest als bijlage I gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechts-hof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Asperen, Verspyck Mijnssen en Nijboer, in tegen-woordig-heid van mr. Kuiper en Haesen als grif-fiers, en is uitge-sproken op de open-bare terecht-zit-ting van dit ge-rechtshof van 17 oktober 2000.