Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7557

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/1403
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een besloten vennootschap, werkzaam in de uitzendbranche, heeft kosten ten laste van de winst gebracht in verband met het houden van paarden en het deelnemen met die paarden aan drafwedstrijden. Het Hof heeft beslist dat deze uitgaven op zakelijke gronden zijn gemaakt. Tussen de kosten en het nut van die kosten voor de onderneming van belanghebbende bestaat evenwel een zodanige wanverhouding dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat die uitgaven ten volle met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gedaan. De kosten kunnen derhalve niet volledig ten laste van de winst komen. Het Hof stelt het gedeelte dat in aftrek kan komen uiteindelijk in goede justitie vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1296
FED 2000/586
V-N 2000/45.1.1

Uitspraak

99/1403

27 juni 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 mei 1999, ingediend door mr. A te Q als haar gemachtigde en aangevuld bij brief van 2 augustus 1999. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder met dagtekening 8 april 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting over 1996.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van negatief ƒ 14.033 en is een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van

ƒ 12.599. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar tegen de navorderingsaanslag afgewezen. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de navorderingsaanslag.

De verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair en meer subsidiair tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van

ƒ 11.599.

Ter zitting van 7 maart 2000 zijn verschenen en gehoord voornoemde gemachtigde, B, directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende, en C, alsmede de verweerder die tot bijstand werd vergezeld van D. Partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Van de bij de pleitnota van gemachtigde gevoegde bijlagen heeft verweerder kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert sedert 1 oktober 1994 een uitzendbureau dat landelijk ope-reert en zich richt op de metaalbranche. Vóór 1 oktober 1994 werd het per die datum aan belanghebbende overgedragen uitzendbureau in de vorm van een eenmanszaak geëxploiteerd door B. Sinds 27 juli 1994 is B directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. Conijn is tevens directeur en enig aandeelhouder van B Beheer B.V. Deze vennootschap heeft in 1997 twee dochtervennootschappen opgericht, B1 B.V. en B2 B.V.

2.2. In 1995 bedroeg de omzet van belanghebbende ƒ 1.974.000 en bedroeg de commerciële winst ƒ 58.000. In de jaarrekening voor dat jaar is door belanghebbende ƒ 14.215 verantwoord voor het houden van renpaarden, waaronder de kosten van het deelnemen aan wedstrijden, zoals de kosten van een stalling, training, pikeur, sulky en paardentrailer. Belanghebbende heeft deze kosten in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar opgenomen onder de post verkoopkosten ad in totaal ƒ 34.449.

2.3. In 1996 bedroeg de omzet van belanghebbende ƒ 1.754.000 en bedroeg de commerciële winst negatief ƒ 15.000. De in haar aangifte vennootschapsbelasting aangegeven belastbare winst over 1996 bedroeg negatief ƒ 14.033. Ten laste van het resultaat over 1996 is ƒ 60.770 als verkoopkosten gebracht. Dit bedrag heeft voor ƒ 26.632 betrekking op het houden van paarden, als vermeld onder 2.2.

2.4. Tot het vermogen van belanghebbende behoren onder meer twee renpaarden, met een gezamenlijke boekwaarde van ƒ 8.000. Deze paarden behoorden vóór de oprichting van belanghebbende tot het vermogen van de door B gedreven eenmanszaak. De paarden zijn bij de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (hierna: NDR) geregistreerd op naam van B.

2.5. Met de paarden van belanghebbende worden door een professionele pikeur/trainer wed-strijden gereden; in de winter in R en S en in de zomer in T en op de renbaan U. De stal van de paarden bevindt zich in W (Friesland). Daar worden de paarden ook getraind.

2.6. De trainer/pikeur brengt zijn kosten in rekening bij belanghebbende. De met de paarden gewonnen prijzengelden worden tot het resultaat van belanghebbende gerekend.

2.7. Belanghebbende is op 9 februari 1999 door verweerder gehoord. Hierbij aanwezig waren B, A en C namens belanghebbende en D van de zijde van verweerder. Het verslag van deze bespreking luidt onder meer als volgt:

"2) De heer B is al 9 jaar aktief in de paardensport en heeft in het verleden steeds met zijn paarden reklame gemaakt voor zijn ondernemingen. Dit geldt voor E Uitzendbureau BV, Z Uitzendbureau (IB onderneming) en Z BV. (...)

4) (...) De heer B bezoekt zelf zoveel als mogelijk de wedstrijden. (...)

6) Z BV heeft filialen in V, W en X die zelf ook reklame maken. Zij hebben hiervoor een eigen budget, omdat de heer B niet steeds apart toestemming wil gaan geven voor elke advertentie of sponsoring van clubjes e.d.

7) De paarden staan op naam van de heer B omdat dit in het verleden zo is gegroeid en uit praktische overwegingen is gehandhaafd. De NDR stelt hiervoor geen regels. (...)

9) De heer B heeft medegedeel dat de paarden de afgelopen jaren een prijzengeld opleverden dat varieerde van nihil tot f 8000. Hierop is één uitzondering waarbij

f 20.000 prijzengeld werd gewonnen."

2.8. Tot de gedingstukken behoren kopieën van foto’s uit 1997 en 1998 waarop het paard F is afgebeeld, gehuld in een deken waarop de naam van belanghebbende is afgebeeld. Voorts behoort tot de gedingstukken een kopie van het programma van een wedstrijd voor drafpaarden te S op 16 mei 1998 waarin met betrekking tot het paard F in kleine letters onder meer de naam van belanghebbende is vermeld, als eigenaar van voornoemd paard.

2.9. In haar aangifte vennootschapsbelasting 1996 heeft belanghebbende een belastbaar bedrag aangegeven van negatief ƒ 14.033. De aanslag is conform deze aangifte vastgesteld. Door middel van een navorderingsaanslag heeft verweerder het aangegeven belastbaar bedrag gecorrigeerd met een bijtelling van ƒ 26.632 ter zake van de kosten die verband houden met het houden van paarden en vastgesteld op ƒ 12.599. Verweerder heeft tevens na-vorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd voor de jaren 1994 en 1995, met inachtneming van correcties ter zake van kosten betreffende het houden van paarden van respectievelijk ƒ 5.462 en ƒ 14.215. Partijen zijn overeengekomen uitsluitend het geschil betreffende het onderhavige jaar aan de rechter voor te leggen. Voorts zijn de door verweerder gecorrigeerde uitgaven voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ten name van B als uitdeling belast.

3. Geschil

In geschil is of de uitgaven van belanghebbende die betrekking hebben op het houden van paarden, ten laste van de winst mogen komen en, zo ja, tot welk bedrag.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4.2. Ter zitting is hieraan namens belanghebbende nog het volgende toegevoegd.

In het spraakgebruik wordt een onderscheid gemaakt tussen sponsoring en reclame, maar voor de toepassing van het fiscale recht is dat onderscheid niet van belang. De eigenaren van drafpaarden zijn veelal werkzaam in de potentiële markt voor de diensten van belanghebbende. Dat geldt ook voor het publiek dat bij de wedstrijden aanwezig is. Door het lidmaatschap van de businessclub van de drafbaan te S vergroot B zijn netwerk en ontmoet hij potentiële klanten. Van deze businessclub kan men ook lid zijn zonder eigenaar te zijn van paarden, maar de contacten verlopen sneller en beter als men zelf ook paarden bezit. De meeste leden zijn ook eigenaar van paarden. Als een paard een wedstrijd wint wordt ook de naam van de eigenaar van het paard op de renbaan omgeroepen. De naam van belanghebbende kwam in 1996 niet voor op de vrachtwagen van de trainer. Deze trainer onderhoudt circa 50 paarden, met allemaal verschillende eigenaren. In het jaar 2000 wordt onder meer de naam van belanghebbende op de vrachtwagen van de trainer vermeld. Dit kost ongeveer ƒ 5.000. Er is geen sprake van een wanverhouding tussen de omzet van belanghebbende en de kosten voor het houden van paarden.

4.3. Ter zitting heeft verweerder nog het volgende toegevoegd.

Het houden van paarden leidt tot weinig naamsbekendheid voor belanghebbende, omdat de naam van belanghebbende daarbij heel weinig in beeld komt. Slechts een paar minuten voor de wedstrijd is de naam van belanghebbende op de deken te zien waarin het paard op dat moment nog gehuld is. Een paardendeken kost ongeveer ƒ 300. Bij manege G heb ik vernomen dat het mogelijk is om op zo’n deken een naam te laten vermelden. Dat zou circa ƒ 1.000 kosten.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat belanghebbende een uitzendbureau in de metaalsector exploiteert en dat zij in haar aangifte een bedrag groot ƒ 26.632 ten laste van de winst heeft gebracht dat betrekking heeft op het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden. Belanghebbende heeft gesteld dat het hier zakelijke uitgaven betreft, omdat zij op deze wijze reclame maakt en zij haar naamsbekendheid vergroot, en dat B, de directeur van belanghebbende, door middel van deze activiteiten potentiële klanten ontmoet. In dit verband is door belanghebbende een cliënt genoemd uit Qq die haar in 1997 een omzet van

ƒ 80.000 heeft opgeleverd. Voorts zijn door belanghebbende kopieën overgelegd van brieven uit 1999 waarin sprake is van een nieuw ‘entrainement’ te Rr waarbij zij via de drafsport is betrokken en is gesteld dat B op de drafbaan een drukker heeft ontmoet die belanghebbende een besparing op haar drukkosten met 30% heeft opgeleverd.

5.2. Verweerder heeft gesteld dat de uitgaven die verband houden met het houden van paarden en het deelnemen aan drafwedstrijden niet uit zakelijke overwegingen zijn gedaan, maar uit een persoonlijke liefhebberij van de directeur/enig aandeelhouder.

5.3. Het Hof acht het gelet op hetgeen belanghebbende hieromtrent heeft gesteld aannemelijk dat de kosten van het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden, bezien ook in samenhang met de aanwezigheid van de directeur van belang-hebbende bij die wedstrijden en in de businessclub, op zichzelf beschouwd, op zakelijke gronden zijn gemaakt. Dat de in geschil zijnde uitgaven uitsluitend zijn gedaan met het oog op de persoonlijke behoeften van de directeur/enig aandeelhouder is door verweerder niet aannemelijk gemaakt.

5.4. Uit het overwogene onder 5.3 volgt evenwel niet zonder meer dat alle in geschil zijnde uitgaven volledig ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Verweerder heeft voorts namelijk gesteld dat tussen de kosten van het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden enerzijds en het nut van deze kosten voor de onderneming van belanghebbende anderzijds een zodanige wanverhouding bestaat dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat de uitgaven met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gedaan. Verweerder verwijst in dit verband naar het arrest HR 9 maart 1983, nr. 21 163, BNB 1983/202c*. Volgens verweerder is hooguit een bedrag van circa ƒ 700 à

ƒ 1.000 als zakelijk te beschouwen.

5.5. Uit de door verweerder overgelegde stukken, als vermeld onder 2.8, in samenhang met hetgeen namens belanghebbende hierover ter zitting is verklaard, leidt het Hof af dat de deelname aan drafwedstrijden, bij welke gelegenheid renpaarden enige tijd worden voorzien van een reclame-uiting in de vorm van een dekkleed met opdruk van de bedrijfsnaam of het bedrijfslogo, op zichzelf in slechts beperkte mate tot vergroting van de naamsbekendheid van belanghebbende heeft geleid. In dit verband acht het Hof van belang dat, zoals verweerder heeft gesteld en belanghebbende niet heeft weersproken, dat de naam van belanghebbende slechts een paar minuten voor de wedstrijd zichtbaar is. Voorts acht het Hof aannemelijk dat B, gelet op diens langdurige betrokkenheid bij de paardensport, daarin ook persoonlijk een bijzondere interesse heeft. Aan deze feiten en omstandigheden verbindt het Hof de conclusie dat tussen de kosten van het houden van paarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden enerzijds en het nut van deze kosten voor de onderneming van belanghebbende anderzijds een zodanige wanverhouding bestaat dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat de uitgaven ten volle met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gedaan. De kosten van het houden van paarden en het deelnemen aan wedstrijden kunnen derhalve niet volledig als zakelijke uitgaven worden beschouwd.

5.6. Aan het vorenstaande doen de bij de pleitnota overgelegde kopieën van brieven uit 1999 betreffende de bouw van een ‘entrainement’ te Rr niet af. Deze opdracht staat naar het oordeel van het Hof in een te ver verwijderd verband tot de in geschil zijnde uitgaven. Eén van deze brieven is gericht aan B2 B.V; in de andere brief is op zodanige wijze verwezen naar B2 B.V., welke vennootschap ook een eigen reclamebudget heeft, dat een en ander het vermoeden rechtvaardigt dat niet belanghebbende, maar B2 B.V. bij de bouw van het ‘entrainement’ betrokken is. De door belanghebbende gelegde relatie tussen de aanwezigheid van B op de businessclub van het drafcentrum te S en de in geschil zijnde uitgaven, welke, zo begrijpt het Hof belanghebbende, ertoe hebben bijgedragen dat die aanwezigheid meer profijt opleverde, acht het Hof te vaag en onbewezen om op deze grond, al dan niet in samenhang met de door het Hof overigens aannemelijk geachte voordelen voor de onderneming van belanghebbende, te oordelen dat in redelijkheid sprake is van een als zakelijk te beschouwen verhouding tussen de in geschil zijnde uitgaven en de voordelen daarvan voor de onderneming van belanghebbende. Voor een lidmaatschap van de businessclub is het houden van paarden immers geen vereiste. Het verkrijgen van een nieuwe cliënt uit Qq in 1997 en het besparen van drukkosten brengen het Hof evenmin tot een ander oordeel. Weliswaar is hier sprake van voordelen voor de onderneming van belanghebbende, maar daarmee is niet, althans niet voldoende aannemelijk gemaakt dat een redelijk denkend ondernemer onder dezelfde omstandigheden ervoor zou hebben gekozen de door hem beoogde reclame voor zijn bedrijf te realiseren door middel van het houden van paarden en het deelnemen aan wedstrijden, ook al kon die ondernemer er in redelijkheid voor kiezen reclame te maken in het milieu van de draf- en rensport.

5.7. Nu de kosten van het houden van paarden en het deelnemen aan wedstrijden niet volledig als zakelijk kunnen worden beschouwd, terwijl die kosten, gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen omtrent het doel waarvoor die kosten zijn gemaakt, wel in enige mate als zakelijk zijn te beschouwen, rijst de vraag in hoeverre die kosten als zakelijke kosten in aftrek van de winst kunnen komen. Naar het oordeel van het Hof dient bij het antwoord op deze vraag niet uit het oog te worden verloren dat moet worden beoordeeld hoe een redelijk handelend ondernemer in het onderhavige geval gehandeld zou hebben. Dit betekent dat ook in dit verband, uit hoofde van de te maken afwegingen in het kader van het gewenste bedrijfsbeleid, aan de ondernemer een zekere beoordelingsvrijheid toekomt.

5.8. Verweerder heeft gesteld dat hij een bedrag van ƒ 700 à ƒ 1.000 aanvaardbaar acht als kosten van het dragen van een deken door een paard met daarop de bedrijfsnaam. Desge-vraagd heeft verweerder aangegeven dat hij zich hiervoor heeft georiënteerd bij een hem bekende manege. Het Hof acht deze situatie echter niet vergelijkbaar met die waarin op min of meer professionele wijze de drafsport wordt bedreven, in welk milieu belanghebbende haar naamsbekendheid heeft willen vergroten, terwijl de keuze van dat milieu haar als ondernemer vrijstaat. De door verweerder voorgestelde begrenzing van de kosten acht het Hof derhalve te beperkt. Teneinde inzicht te verkrijgen in de kosten die in het algemeen zijn gemoeid met het maken van reclame in de sfeer van de draf- en rensport, heeft belanghebbende ter zitting - niet weersproken door verweerder - verklaard dat het doen vermelden van een bedrijfsnaam op de vrachtwagen van een trainer ongeveer ƒ 5.000 kost. Nu partijen geen nadere informatie hebben verstrekt omtrent de kosten die een redelijk handelend ondernemer zou hebben moeten maken, teneinde de door belanghebbende gerealiseerde en beoogde vergroting van haar naams-bekendheid te realiseren, stelt het Hof die kosten, gelet op hetgeen hierover onder 5.6 is overwogen en rekening houdend met hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd, in goede justitie vast op ƒ 6.658 (25% van ƒ 26.632). Dit leidt ertoe dat de navorderingsaanslag dient te worden verminderd tot een vastgesteld naar een belastbaar bedrag van ƒ 5.941.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belang-hebbende op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures worden de te vergoeden proceskosten gesteld op ƒ 2.130, te weten ƒ 710, vermenigvuldigd met factor 2 voor proceshandelingen en 1,5 wegens het gewicht van de zaak.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een vastgesteld naar een belastbaar bedrag van

ƒ 5.941;

- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van

ƒ 2.130, en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en

- gelast de verweerder het gestorte griffierecht van ƒ 85 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan op 27 juni 2000 door mr. Dutmer, voorzitter, mr. Onnes en mr Van der Ouderaa, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag uitgesproken ter openbare zitting.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.