Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7551

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2208
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zeehavengeld voor motor-beunschip met zandzuiginstallatie.

Het betreft de vragen of de verordening ten onrechte is toegepast, of de verordening verbindend is, of ten onrechte geen frequentiereductie is toegepast, en of het schip ten onrechte niet is aangemerkt als een waddenkrabber of als een werkschip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2208

25 augustus 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Gemeentebelastingen te Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ingekomen op 15 juli 1999, ingediend door A te P als zijn gemachtigde. Het beroep, dat is aangevuld bij brief van 11 november 1999, is gericht tegen de uitspraak van verweerder met dagtekening 3 juni 1999 betreffende het door belanghebbende op aangifte voldaan zeehavengeld voor het tijdvak 10 mei 1997 tot en met 12 mei 1997 ten bedrage van f 3551.

Het bezwaar tegen de heffing van zeehavengeld werd bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot gehele dan wel gedeeltelijke teruggaaf van het zeehavengeld.

Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 30 juni 2000 zijn verschenen de gemachtigde, tot bijstand vergezeld van B, alsmede verweerder, tot bijstand vergezeld van C, D en E.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Verweerder heeft daarvan kennis kunnen nemen en heeft er zich over kunnen uitlaten.

2. De Verordening

2.1. Het zeehavengeld is geheven op grond van de Zeehaven- en kadegeldverordening Amsterdam 1996, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van Amsterdam van 29 november 1995, nr. 733, goedgekeurd bij besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 12 januari 1996, nr.FBA 96/4/U1, en bekendgemaakt op 2 februari 1996 in het Gemeenteblad, afd. 3, volgnr. 8 (hierna: de Verordening).

2.2. De Verordening luidt, voor zover voor dit geding van belang, als volgt:

"Art. 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a (...)

d schip: 1 elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebezigd dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen dan wel goederen of voorwerpen, al dan niet met het drijvende lichaam een geheel uitmakende;

2 elk ander drijvend lichaam, zoals een werk- en aanlegvlot, ponton, houtvlot, elevator, duiker- klok, zandzuiger, baggermolen, drijvend werktuig, booreiland, en elke andere drijvende inrichting ten dienste van de exploratie dan wel exploitatie van olie- en gasvelden of het winnen van mineralen op zee;

e zeeschip: 1 elk schip dat bestemd is of wordt gebruikt voor de vaart buitengaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet (Staatsblad 1909, nr.219); (...)

s waddenkrabber; ook wel genoemd lage kruiplijncoaster, denemarkenvaarder of binnen-/buitenschip: een zeeschip dat gebruikt wordt in een beperkt vaargebied en kleiner is dan 1600 BT en naast de zee-meetbrief volgens het Internatio- naal Verdrag Londen 1969 de beschikking heeft over een binnenmeetbrief;

t werkschip: een zeeschip, bestemd of gebruikt als drijvende inrichting voor de exploratie of exploitatie van olie- of gasvelden op zee of de winning van mineralen op zee; (...)

Aard van de heffing en belastbaar feit

Art. 2

Onder de naam zeehaven- en kadegeld worden rechten geheven ter zake van het gebruik met een zeeschip van de haven en/of ter zake van het genot van door of vanwege de gemeente verstrekte diensten.

Belastingplicht

Art. 3

Belastingplichtig is degene die van de haven gebruik maakt of degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht, daaronder te verstaan de kapitein, de reder, de eigenaar van het schip, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven of degene die als vertegenwoordiger van een van dezen optreedt.

Maatstaf van heffing

Art. 4

1. Het zeehavengeld wordt geheven naar:

a de bruto-inhoud van het schip, uitgedrukt in brutotonnen (BT);

b de lading, uitgedrukt in tonnen. (...)".

2.3.1. De Tabel Zeehavengeld 1996, behorende bij de Verordening (hierna: de Tabel) luidt, voor zover voor dit geding van belang, als volgt:

"Groep Code Omschrijving (Bedragen in guldens)

A B

per BT per BT ton per lading

I. Zeeschepen, niet-varende

in lijndienst.

1. Voor het gebruik van de haven (...) geldt het in kolom A vermelde tarief, tenzij, ingeval er lading is, toepassing van het gecombineerde tarief in kolom B tot een lager bedrag leidt, (...)

1.1. algemeen tarief(...) 1,720 0,559 0,872

1.4. Containerschip 0,720 0,295 0,320

1.5. roll-on/roll-offschip 0,720 0,295 0,213

1.6. Olietanker 1,823 0,593 0,924

1.7. waddenkrabber(...) 0,860 0,280 0,436

2. Op het algemeen tarief voor zeeschepen die de gemeente aandoen met agribulklading in de intercontinentale vaart, worden frequentiereducties toegepast als volgt:

2.1. een of meermalen per twee weken: 20% (...)

II. Zeeschepen, varende in

lijndienst.

3. (...)

3.1. Algemeen tarief 1,050 0,543 0,845

(...)

III. Overige tarieven

5. Voor het gebruik van de haven (...) gelden de volgende tarieven: (...)

5.2. (...)". voor een werkschip 0,559

2.3.2. De Tabel kent, naast de tarieven bij 2.3.1 vermeld, een gedetailleerde regeling met betrekking tot frequentiereducties voor containerschepen, roll-on/roll-offschepen en olietankers.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Door of namens belanghebbende (met debiteurnummer 1589) is op 16 mei 1997 aangifte zeehavengeld (nummer 97050346) gedaan met betrekking tot het gebruik van de Westhaven te Amsterdam door het m.s. H. Als datum van aankomst aangegeven zaterdag 10 mei 1997 (07.13 uur) en als vertrekdatum maandag 12 mei 1997 (00.20 uur).

3.2. De H is een in 1985 gebouwd en in 1996 vergroot motorbeunschip met zandzuiginstallatie. Het is ruim 89 meter lang en heeft een bruto tonnage van 2.161 BT. Het schip beschikt zowel over een internationale meetbrief (afgegeven op 2 december 1996) als over een binnenmeetbrief.

3.3. De aangifte werd gedaan ter zake van het lossen van 2.686 ton op het Nederlands Continentaal Plat gewonnen zeezand, dat door belanghebbende, die als aannemer gespecialiseerd is in weg- en waterbouwkundige werken, gebruikt werd voor werkzaamheden in de omgeving van Schiphol.

Naast het in geschil zijnde gebruik van de haven werd door de H in de periode van 4 februari 1997 tot en met 3 juli 1997 nog 147 maal gebruik gemaakt van de haven voor het lossen van gewonnen zeezand. Daartoe was door belanghebbende van het Gemeentelijk Havenbedrijf een gedeelte van de kade met bijbehorend terrein gehuurd.

3.4. Op 23 mei 1997 zond verweerder aan belanghebbende een nota zeehavengeld (aangiftenummer 07050346 en debiteurnummer 1589) ten bedrage van f 3551. Deze nota werd door belanghebbende op 26 juni 1997 per bank betaald.

3.5. Het zeehavengeld is blijkens de nota als volgt berekend:

Tarief : Algemeen tarief

Havengeld A: 2161 bt x 1.7200 (grondslag) = f 3.716,92

Havengeld B: 2161 bt x 0.5590 (grondslag) 2686 ton x 0.8720 (lading) = f 3.550,19

Havengeld bruto f 3.550,19

Korting : n.v.t. 0.00% = f 0,00

Op aangifte 97050346 te voldoen per giro f 3.551,00 ===========

4. Geschil

Tussen partijen is de heffing c.q. de berekening van het zeehavengeld in geschil. Belanghebbende stelt dat de Verordening ten onrechte is toegepast, dat de Verordening niet-verbindend is, dat ten onrechte geen frequentiereductie is toegepast, en dat het schip ten onrechte niet is aangemerkt als een waddenkrabber of als een werkschip. Verweerder betwist de stellingen van belanghebbende en stelt dat de heffing op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende stelt primair dat de Verordening niet van toepassing is omdat de H geen zeeschip is in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel e, sub 1, van de Verordening.

Belanghebbende voert daartoe aan het schip niet bestemd is voor de vaart buitengaats doch slechts voor zandwinning vlak voor de kust, en ook niet wordt gebruikt voor de vaart buitengaats, in de gebruikelijke betekenis van dat woord.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende haar stelling bewijst, gezien de aard (lengte, breedte en diepgang), het brutotonnage en het laadvermogen van de H, zulks in combinatie met de afgegeven internationale meetbrief en het feit dat het schip ook feitelijk de Noordzee bevaart.

Belanghebbende heeft echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de H geen schip is dat bestemd is voor de vaart buitengaats. Dat het schip ook een binnen-meetbrief heeft en van de binnenwateren gebruik kan maken doet daaraan niet af. Voorts valt niet in te zien dat het schip niet wordt gebruikt voor de vaart buitengaats, nu het op de Noordzee buiten de 'hoofden van IJmuiden' voor zandwinning wordt gebruikt, zodat het ook reeds op die grond als een zeeschip is aan te merken.

Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat zodanige vaart niet buitengaats is in de gebruikelijke betekenis van het woord.

Naar 's Hofs oordeel is de Hendrika mitsdien een zeeschip in de zin van de Verordening.

6.2. Belanghebbende stelt -voor het eerst ter zitting- dat uit de Verordening niet eenduidig valt af te leiden wie als belastingplichtige moet worden aangemerkt. De Verordening is onverbindend, dan wel moet buiten toepassing blijven, omdat niet voldaan is aan artikel 217 van de Gemeentewet, dat voorschrijft dat een belastingverordening de belastingplichtige vermeldt, aldus belanghebbende. Het Hof verwerpt deze stelling. Niet valt immers in te zien waarom artikel 3 van de Verordening, dat regelt dat belastingplichtig is degene die van de haven gebruik maakt of degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht, onvoldoende duidelijk dan wel eenduidig is. Dat in voormeld artikel 3, naast de omschrijving van de belastingplichtige, een -kennelijk niet gelimiteerde- opsomming wordt gegeven van personen die daaronder zijn te verstaan, maakt naar 's Hofs oordeel het afleiden van de belastingplicht uit de Verordening alleen maar gemakkelijker. Dat met dat gemak niet alleen degene die van de haven gebruik maakt, maar ook de gemeente gediend is doet daaraan niet af. Het stond de gemeente vrij om, ter vereenvoudiging van de heffing en inning van het zeehavengeld, in de Verordening een zodanig ruime omschrijving van de belastingplichtige op te nemen als zij heeft gedaan. Het vorenstaande laat onverlet dat de gemeente ter zake van hetzelfde belastbare feit slechts eenmaal de belasting mag heffen. In het onderhavige geval is overigens niet gebleken dat door de gemeente van die regel is afgeweken.

6.3.1. Belanghebbende stelt subsidiair dat toepassing van de Verordening ter zake van het gebruik van de haven met de H leidt tot een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, en/of tot gehele of gedeeltelijke onverbindendheid van de Verordening. Belanghebbende stelt daarbij voorop dat de de Tabel een uitvoerige frequentiereductie-regeling ten aanzien van het tarief kent voor zeeschepen die in lijndienst varen of die een bepaalde lading vervoeren, voor zeeschepen met agribulklading in de intercontinentale vaart, en voor container- en roll-on/roll-offshepen in lijndienst.

Belanghebbende erkent de beleidsvrijheid van de gemeente met betrekking tot de keuze van de heffingsmaatstaven, maar stelt dat op het dagelijks gebruik van de haven met de H ook een frequentiereductie-regeling van toepassing zou moeten zijn.

6.3.2. Voorzover belanghebbende stelt dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen verwerpt het Hof die stelling. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor zeeschepen met welke op dezelfde wijze van de haven gebruik wordt gemaakt als met de H niet het algemene tarief voor zeeschepen, niet varende in lijndienst, wordt toegepast (Tabel I; 1.1), dan wel dat de Tabel door verweerder op een andere -voor die schepen gunstiger- wijze wordt toegepast.

6.3.3. Voorzover belanghebbende aanvoert dat het frequente gebruik van de haven met de Hendrika vergelijkbaar is met het gebruik van de haven door schepen die onder een frequentieregeling vallen, voorts aanvoert dat, nu voor de Hendrika geen frequentiereductie geldt, zulks tot een onredelijke en willekeurige heffing leidt, en vervolgens stelt dat daarom de Verordening c.q. de Tabel geheel of gedeeltelijk onverbindend is, verwerpt het Hof die stelling.

Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven waarom door de gemeente voor de diverse soorten gebruik van de haven tariefsdifferentiatie is toegepast. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeente daarbij is gebleven binnen de grenzen van de haar door de wetgever gegeven bevoegdheden.

Nu de tariefstelling het Hof op zich niet willekeurig voorkomt, en verweerder nog -onweersproken- naar voren heeft gebracht dat, naast de H, zeer veel schepen onder het algemene tarief voor zeeschepen, niet varende in lijndienst, vallen, oordeelt het Hof dat belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, niet geslaagd is in het bewijs van haar stelling dat de Verordening c.q. de Tabel leiden tot een onredelijke en willekeurige heffing van zeehavengeld waarop de wetgever met de toekenning van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad.

Dat het belastbare feit (het gebruik van de haven met de Hendrika) er een was in een reeks van vele in een bepaalde tijd in een hoge frequentie, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de heffing van zeehavengeld zodanig disproportioneel is dat deze niet zou mogen plaatsvinden. De Verordening en de Tabel zijn mitsdien in zoverre verbindend.

6.4. Belanghebbende heeft meer subsidair gesteld en tegenover de betwisting door verweerder aannemelijk gemaakt dat de H als een waddenkrabber dan wel een binnen-/buitenschip, zoals genoemd in artikel 1, aanhef en onderdeel s, van de Verordening kan worden aangemerkt, met die restrictie dat het schip groter is dan de in dat artikel vermelde 1600 BT.

De H is naar haar bouw een vrachtschip dat over een zandzuiginstallatie beschikt, maar kan ook, naar belanghebbende onvoldoende weersproken heeft gesteld, andere bulkvracht vervoeren. Voorts kwalificeert het, zoals hiervoor in 6.1. is overwogen, als een zeeschip, wordt het gebruikt in een beperkt vaargebied en heeft het naast de zee-meetbrief de beschikking over een binnen-meetbrief.

Belanghebbende stelt te dezen vervolgens dat alsdan de in de Verordening opgenomen grens van 1600 BT met betrekking tot de H, die 2161 BT meet, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en tot een onredelijke en willekeurige heffing leidt. Het Hof overweegt dat voorop staat dat het de regelgever vrijstaat om met betrekking tot het tarief onderscheid te maken in kleinere vrachtschepen met een beperkt brutotonnage en grotere vrachtschepen. De wetgever heeft immers de mogelijkheid geboden om de heffingsmaatstaven binnen een verordening te variƫren, zoals bij zeehavengeld bijvoorbeeld naar hoeveelheid van de lading die wordt vervoerd alsmede met de wijze waarop dit geschiedt (Kamerstukken II, 1989/90, 21591, nr.3: MvT, onder VII, bij de Gemeentewet). Dat bij voormeld onderscheid een -min of meer arbitraire- grens wordt getrokken en dat daarmee zoals in casu een verschil in behandeling tussen diverse soorten schepen ontstaat is onvermijdelijk. Er is dan evenwel geen sprake van gelijke gevallen, die ongelijk worden behandeld, doch zoals in dit geval van ongelijke gevallen, die ongelijk worden behandeld.

Verweerder heeft voorts gemotiveerd gesteld dat de grens voor het verschil in behandeling bij 1600 BT is gelegd in verband met de concurrentieverhoudingen tussen de grotere zeeschepen. Belanghebbende heeft daar tegenover naar 's Hofs oordeel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de keuze van de grens op 1600 BT tot een onredelijke en willekeurige heffing leidt.

6.5. Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de H als een werkschip moet worden aangemerkt. Verweerder heeft dat gemotiveerd betwist en aannemelijk gemaakt dat doel en strekking van de desbetreffende bepalingen van de Verordening zijn om alleen werkschepen die een relatief gering gebruik van de bestaande havenfaciliteiten maken, zoals werkschepen die niet (kunnen) laden en lossen of die alleen in de haven bunkeren of ballast innemen, onder het tarief van Groep III, code 5.2, van de Tabel, te brengen. Deze opvatting vindt, naar verweerder stelt, steun in het feit dat in de Tabel geen tarief is opgenomen voor door werkschepen te lossen lading. Het Hof volgt verweerder in haar standpunt dat de H geen werkschip is in de zin van de Verordening.

6.6. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan verweerder.

7. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is, en er zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 25 augustus 2000 door mrs. Schaap, Kwantes en Kruimel, in tegenwoordigheid van mr. Brands als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof

(zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de

bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenmin- ste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in casatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.