Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7541

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/4517
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente Zaanstad reconstrueert kade, waaraan woonboten en pleziervaartuigen liggen. In verband daarmee wordt het kadegeld voor pleziervaartuigen bij tussentijdse wijzigingsverordening verhoogd. Van de woonbooteigenaren wordt uitsluitend liggeld geheven (en geen kadegeld), alsmede huur voor de bij de reconstructie aangelegde parkeerplaatsen.

Hof: De heffing van het verhoogde kadegeld blijft binnen de in art. 229 Gemeentewet gestelde grenzen. Het stond de gemeente vrij de woonbooteigenaren anders te behandelen dan de eigenaren van de pleziervaartuigen.

Aan de wijzigingsverordening is ten onrechte terugwerkende kracht toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1469
Belastingblad 2001/301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/4517

22 september 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd bureau heffingen van de gemeente Zaanstad, verweerder.

Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 14 oktober 1998, (..).

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 10 september 1998, betreffende het van belanghebbende bij nota van 15 juli 1997 geheven kadegeld voor het jaar 1997 ad ƒ 752.

Na bezwaar tegen de nota kadegeld is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en tot vermindering van de nota kadegeld tot (naar het Hof begrijpt: 14 x ƒ 32 =) ƒ 448.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de nota kadegeld tot (zo luidt het verweerschrift) ƒ 752.

Ter zitting (..).

2. De Verordeningen

2.1. De raad van de gemeente Zaanstad heeft op 12 december 1996 de Verordening kadegeld 1997 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Daarvan is mededeling gedaan in het huis-aan-huisblad De Zaankanter.

De Verordening luidt, voor zover hier van belang:

Artikel 1 Belastbaar feit

Onder de naam "kadegeld" wordt een recht geheven wegens het gebruik of genot van kaden, steigers en glooiingen, die eigendom van de gemeente zijn of die voor rekening van de gemeente worden onderhouden door:

daaraan met een vaartuig aan te leggen;

daaraan met een vaartuig een vaste plaats in te nemen;

(..)

Artikel 2 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt:

(..)

c. een gedeelte van (..) een strekkende meter (..) voor (..) een gehele strekkende meter (..) gerekend.

Artikel 4 Belastingtarief en maatstaf van heffing

(..)

2. Het kadegeld voor een woonschip of bewoond schip, dat ligt op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ligplaats of krachtens gedogen, is gelijk aan het liggeld voor woonschepen, genoemd in de Verordening liggelden voor woonschepen 1997.

(..)

6. Aan eigenaren van pleziervaartuigen kan op hun verzoek door het college van burgemeester en wethouders onder nader door hen te stellen voorwaarden:

a. een vaste aanlegplaats aan de kade, bedoeld in artikel 4, lid 1, worden toegewezen tegen betaling van een kadegeld van ƒ 33,16 + ƒ 5,80 BTW = ƒ 38,96 per kalenderjaar voor elke meter lengte van het vaartuig voor een aanlegplaats ten noorden van de Zwerverbrug en van ƒ 44,12 + ƒ7,73 BTW = ƒ 51,95 per kalenderjaar voor elke meter lengte van het vaartuig voor een aanlegplaats ten zuiden van de Zwerverbrug;

(..)

Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel

(..)

De datum van (Hof: lees kennelijk: ingang van de) heffing is 1 januari 1997.

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening kadegeld 1997".

2.2. Vervolgens heeft de raad van de gemeente Zaanstad op 29 mei 1997 besloten tot vaststelling van een verordening tot wijziging van de verordening op de heffing en invordering van kadegeld 1997 (hierna: de Wijzigingsverordening). Daarvan is op 11 juni 1997 mededeling gedaan in het huis-aan-huisblad De Zaankanter.

De Wijzigingsverordening houdt in:

Artikel I

Artikel 4, lid 6, onder a. van de Verordening op de heffing en invordering van kadegeld 1997 wordt vervangen door:

a. een vaste aanlegplaats aan de kade, bedoeld in artikel 4, lid 1, worden toegewezen tegen betaling van een kadegeld van ƒ 45,11 + ƒ 7,89 BTW = ƒ 53,00 per kalenderjaar voor elke meter lengte van het vaartuig;

Artikel II

Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking.

De bepalingen die op grond van deze verordening worden gewijzigd blijven van toepassing op belastbare feiten die zich voor de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing hebben voorgedaan.

In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde blijven, indien de datum waarop deze verordening in werking treedt ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, de bepalingen die op grond van deze verordening worden gewijigd gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvinden belastbare feiten voorzover ter zake daarvan de heffing van rechten in die periode plaatsvindt.

De datum van ingang van de heffing is 1 juni 1997.

2.3. De Verordening liggelden woonschepen 1997 houdt in, voor zover hier van belang:

Artikel 1 Begripsomschrijveningen

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder woonschip verstaan:

- een schip uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd, bedoeld in de wet op Woonwagens en Woonschepen (stbl. 1918, nr. 492).

Artikel 4 Belastingtarief

Het recht wordt geheven inclusief 17,5% omzetbelasting en bedraagt:

(..)

voor een tijdvak langer dan 90 dagen:

(..)

voor een woonschip, dat 60 m² of meer, doch minder dan 80 m² wateroppervlakte inneemt ƒ258,70 per kalenderjaar;

voor een woonschip, dat 80 m² of meer wateroppervlakte inneemt ƒ 305,10 per kalenderjaar.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Aan belanghebbende, eigenaar van het pleziervaartuig A, is in oktober 1996 een ligplaats toegewezen aan de Noordervaartdijk te Krommenie, gemeente Zaanstad, ten noorden van de Zwerversbrug. Aan die kade liggen zowel woonschepen als pleziervaartuigen.

3.2. Bij nota van 15 juli 1997 is van belanghebbende kadegeld en binnenhavengeld geheven, gespecificeerd als volgt:

"Liggeld jachthaven en sticker binnenhavengeld 1997 Boxnr: A17 Grootte 0014 Bedrag per m1: 5300

Liggeld jachthaven 640,00

Btw 17,5 % 112,00

Sticker BHG 10,00

Totaal factuurbedrag ------------ fl 762,00 "

3.3. In 1996 heeft een reconstructie plaatsgevonden van de Noordervaartdijk ten noorden van de Zwerversbrug. De kade ten zuiden van de Zwerversbrug was reeds eerder hersteld. De werkzaamheden in 1996 hielden onder meer in de aanleg van een betonnen kadewand.

In verband met de werkzaamheden zijn aan de eigenaren van pleziervaartuigen voor het jaar 1996 geen aanslagen kadegeld opgelegd.

3.4.1. In een interne concept-berekening van de gemeente van 1 november 1996 zijn de kosten voor de pleziervaartuigen als volgt berekend:

"Totale aanneemsom: 697.000,00

Waarvan voor de varende woonschepen: 190.979,00

Gemeenschappelijk: 346.817,00

Pleziervaart 159.204,00

Indien de gemeenschappelijke kosten verdeeld worden naar rato strekkende meters kade, dan komt 0,57 voor de pleziervaart en 0,43 voor de varende woonschepen, hetgeen resulteert in de volgende financiële verdeling.

Kosten pleziervaart: 159.204,00 + 0,57 x 346.817,00 = 356.890,00

Diverse meerwerk kosten t.b.v. pleziervaart 224.705,00

581.595,00

Voor rekening van de gemeente i.v.m. achterstallig onderhoud: 334.955,00

Totale kosten voor de pleziervaart: 246.640,00

BTW: 17,5 % 43.160,00

Totaal generaal: 289.800,00

Uitgaande van 30 jaar afschrijving en onderhoud, rente 9 %, komen de jaarlijkse lasten op 12,3 % van ƒ 289.800,00, dat is ƒ 35.645,00.

Er is te verhuren 673 m. kade, d.w.z. per m1 kade moet de huuropbrengst zijn: ƒ 53,00 incl. BTW."

3.4.2. In voormelde interne concept-berekening zijn de kosten voor de eigenaren van varende woonschepen berekend op ƒ 1.088,68 per jaar, zulks op basis van een reeds in 1991 gemaakte berekening. Dit jaarlijkse bedrag wordt aan hen - bij benadering - doorberekend in twee gedeelten: via de heffing van liggeld en via een huurprijs van ƒ 800 voor anderhalve parkeerplaats.

3.4.3. Bij de brief van 19 januari 2000 heeft verweerder een herziene berekening van de kosten voor de pleziervaartuigen gevoegd, luidend als volgt:

"Totale aanneemsom: 697.000,00

Waarvan voor de varende woonschepen: 190.979,00

Gemeenschappelijk: 346.817,00

Pleziervaart 159.204,00

Indien de gemeenschappelijke kosten verdeeld worden naar rato strekkende meters kade, dan komt 0,57 voor de pleziervaart en 0,43 voor de varende woonschepen, hetgeen resulteert in de volgende financiële verdeling.

Kosten pleziervaart: 159.204,00 + 0,57 x 346.817,00 = 356.890,00

Diverse meerwerk kosten t.b.v. pleziervaart 224.705,00

581.595,00

BTW: 17,5 % 101.779,13

Totaal 683,374,13

Kosten voorbereiding en toezicht, leges vergunningen 15 %: 87.239,25

Totaal 770.613,38

Aanvulling om weer op ƒ 53,00 te komen. Voor rekening van de gemeente Zaanstad i.v.m. achterstallig onderhoud: 340.866,38

Blijft voor de pleziervaart: 439.747,00

(Hof: lees: 429.747,00)

Uitgaande van 30 jaar afschrijving en onderhoud, rente 5%, komen de jaarlijkse lasten op 8,3 % van ƒ 429.747,00, dat is ƒ 35.669,00.

Er is te verhuren 673 m. kade, d.w.z. per m1 kade moet de huuropbrengst zijn: ƒ 53,00 incl. BTW."

3.4.4. In een bijlage bij het verweerschrift is berekend dat het in voormelde opstelling voorkomende totaalbedrag van ƒ 770.613,38 bij een rentevoet van 5 % en zonder rekening te houden met voor rekening van de gemeente Zaanstad komende kosten bij 673 meter kade zou neerkomen op ƒ 95,04 per strekkende meter.

3.4.5. De in voormelde berekeningen opgenomen post ‘meerwerk’ is onder meer ontstaan door het toepassen van een ander type damwand dan was begroot en door de aanleg van meer strekkende meters damwand dan was begroot.

4. Geschil

Naar het Hof uit de gedingstukken afleidt is tussen partijen in geschil:

of verweerder het kadegeld bij de Wijzigingsverordening heeft mogen verhogen naar ƒ 53,00 per strekkende meter;

of dit tarief mag worden toegepast voor het gehele kalenderjaar;

of het verschil in behandeling tussen woonschepen en pleziervaartuigen gerechtvaardigd is;

naar hoeveel strekkende meters het kadegeld moet worden berekend.

5. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

5.1. Ter zitting van 4 november 1999 is daaraan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

5.1.1. namens belanghebbende:

De post meerwerk heeft ook betrekking op de woonboten en staat niet in verhouding tot de begrote aanneemsom. In de herziene berekening (bijlage verweerschrift, uitkomend op ƒ 95,04 per meter) houdt de gemeente geen rekening met de kosten van achterstallig onderhoud.

Mijn boot is 10,5 meter lang. De toegewezen ligplaats is 14 meter.

Ik heb geen te vergoeden proceskosten gemaakt.

5.1.2. namens verweerder:

De nota kadegeld is voor het gehele kalenderjaar berekend naar het verhoogde tarief. Bij de voorbereiding van de Verordening is het tarief vastgesteld zonder rekening te houden met de toen nog niet bekende herstelkosten van de dijk ten noorden van de Zwerversbrug. Het duurde enige maanden om de tarieven ten noorden en ten zuiden van de Zwerversbrug gelijk te trekken.

In 1991 was al een voorlopige kostenopstelling gemaakt en met de woonbootbewoners besproken. Daarover zijn toen afspraken met hen gemaakt. De tarieven voor de woonboten worden wel geïndexeerd.

Het gemeenschappelijk deel van de kosten is verdeeld naar rato van het aantal strekkende meters dat door woonboten respectievelijk pleziervaartuigen wordt ingenomen.

Het aan de plezierbooteigenaren in rekening gebrachte kadegeld bedraagt minder dan de voor rekening van de gemeente komende kosten.

De ligplaatsen zijn in oktober 1996 toegewezen; een voorbeeld daarvan wordt overgelegd.

Ter zitting van 1 september 2000 is toegevoegd, zakelijk weergegeven:

namens belanghebbende:

Dat het kadegeld in 1997 was verhoogd merkten wij pas toen we de nota ontvingen.

De schade aan de kade was veroorzaakt door de woonboten. Het is dan onrechtvaardig de meerkosten enkel aan de pleziervaartuigen toe te rekenen.

De sluitpost achterstallig onderhoud is nergens op gebaseerd.

5.2.2. namens verweerder:

Toen in 1991 afspraken werden gemaakt met de woonbootbewoners was de Wet Woonwagens en Woonschepen van toepassing op grond waarvan slechts beperkte liggelden mochten worden geheven. De bepaling in de Verordening dat het kadegeld voor woonbewoners gelijk is aan het liggeld (art. 4, lid 2), betekent dat van hen enkel liggeld wordt geheven. Daarnaast betalen zij vanaf 1997 ƒ 800 huur voor de parkeerplaatsen.

De woonbootbewoners betalen naast liggeld en binnenhavengeld ook rioolrecht en afvalstoffenheffing; de pleziervaartuigeigenaren niet. De gemeente kent geen roerendezaakbelasting.

Erkend wordt dat de verhoging van het kadegeld krachtens de Wijzigingsverordening niet voor de eerste maanden van 1997 geldt.

Ik weet niet of de damwand speciaal ten gerieve van de pleziervaartuigen is aangelegd. Omdat de totale kosten veel hoger waren dan begroot, heeft de gemeente een deel van de kosten voor eigen rekening genomen.

Erkend wordt dat de berekening volgens de nota afwijkt van de bedragen in de Verordening.

De gemeente beschouwt wonen en pleziervaart vanuit een sociaal oogpunt niet als gelijke gevallen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Aan belanghebbende is als eigenaar van een pleziervaartuig een vaste aanlegplaats aan de kade van de Noordervaartdijk toegewezen. Ingevolge artikel 229 van de Gemeentewet mag de gemeente daarvoor een recht als het onderwerpelijke kadegeld heffen.

6.2.1. Naar uit de gedingstukken volgt heft de gemeente sedert de inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening van de eigenaren van plezierboten in totaal (673 meter x ƒ 53 =) ƒ 35.669 per jaar. Berekend naar 30 jaar afschrijving en onderhoud, rente 5 %, als waarvan verweerder uiteindelijk uitgaat, komt dit neer op een investeringsbedrag van ƒ 429.747.

Verweerder is ingevolge voormeld artikel 229 Gemeentewet bevoegd tot zodanige heffing te besluiten indien ten minste een zodanig bedrag voor haar rekening is. Waar de totale reconstructie van de dijk voor rekening van de gemeente is gekomen, overtreffen haar uitgaven de heffingsopbrengst ruimschoots (ook indien de huuropbrengsten van de bij de reconstructie aangelegde parkeerplaatsen daarop in mindering worden gebracht).

Dat ook woonbooteigenaren gebruik en genot van de kade hebben, mogelijk zelfs in meerdere mate, en dat tot uitvoering van de reconstructie is besloten mede met het oog op de ligplaatsen van de woonboten, doet daaraan niet af. Evenmin is te dezen van belang - zo al juist - dat de kade in het verleden met name door toedoen van de woonboten is beschadigd.

6.2.2. Ten overvloede voegt het Hof hieraan nog het volgende toe:

De totale kosten van de reconstructie laten zich op grond van de berekeningen van verweerder, die het Hof op dit punt aannemelijk acht, als volgt berekenen:

aanneemsom 697.000,00

meerwerk 224.705,00

921.705,00

BTW 17,5 % 161.298,37

1.083.003,37

kosten voorbereiding/toezicht/leges 15% 162.450,75

1.245.454,12

Het Hof acht door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat van dit bedrag ten minste ƒ 429.747 (minder dan 35%) is toe te rekenen aan de werkzaamheden aan gemeentebezittingen waarvan de pleziervaarteigenaren het gebruik en genot hebben.

Geen rechtsregel verbiedt verweerder om in deze kosten tevens de kosten van achterstallig onderhoud te begrijpen.

6.3. Ingevolge artikel 219 van de Gemeentewet, zoals deze bepaling sedert 1 januari 1995 luidt, heeft de gemeente een grote mate van beleidsvrijheid bij de bepaling van het bedrag van de op basis van artikel 229 van de Gemeentewet te heffen rechten.

De heffing van kadegeld van woonbooteigenaren in artikel 4, lid 2, van de Verordening komt de facto neer op een vrijstelling van kadegeld. Daar staat tegenover dat voor de ligplaats van woonboten liggeld wordt geheven; pleziervaartuigen worden niet in die heffing betrokken. Voorts betalen woonbooteigenaren mee aan de reconstructie via de huurprijzen van de aangelegde parkeerplaatsen.

Onder voormelde omstandigheden is het naar ‘s Hofs oordeel binnen de grenzen van voormelde beleidsvrijheid aan de gemeente toegestaan een (de facto) vrijstelling van kadegeld te verlenen aan de woonbooteigenaren. Het verschil tussen wonen en pleziervaart vormt daarvoor ook een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond.

6.4. Verweerder heeft de maatstaf van heffing kennelijk bepaald naar het aantal strekkende meters kade dat aan de pleziervaartuigeigenaren is toegewezen. Zulks volgt niet alleen uit de nota, waarin het aantal meters van de toegewezen aanlegplaats (‘box’) is vermeld, maar ook uit het verweerschrift, waarin wordt toegegeven dat ten onrechte een opslag voor manoevreerruimte [daarin overeenkomstig het in het (door alle pleziervaartuigeigenaren ingediende standaard-)beroepschrift gestelde bepaald op 10%] was toegepast.

Ingevolge artikel 4, lid 6, van de Verordening wordt het kadegeld niet geheven naar het aantal meters van de toegewezen aanlegplaats, maar naar elke meter lengte van het vaartuig (afgerond op gehele meters overeenkomstig artikel 2, onder c).

Naar belanghebbende ter zitting van 4 november 1999 onweersproken heeft gesteld, bedraagt de lengte van zijn pleziervaartuig 10,5 meter. De heffing moet derhalve worden berekend naar 11 gehele meters.

6.5. De Wijzigingsverordening kent als datum van de ingang van heffing 1 juni 1997. De omstandigheid dat de Wijzigingsverordening eerst op 13 juni 1997 (de tweede dag na die van de bekendmaking) in werking is getreden, staat aan een terugwerkende kracht tot 1 juni 1997 niet in de weg, aangezien die wijziging sedert het raadsbesluit van 29 mei 1997 in zodanige mate voorzienbaar was dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt af te wijken van het aan de eisen van rechtszekerheid berustende rechtsbeginsel dat wetgevende maatregelen alleen voor de toekomst behoren te gelden.

Voor het - in afwijking van haar bewoordingen - terugwerken van de Wijzigingsverordening tot 1 januari 1997 bestaat evenwel geen grond.

Een en ander betekent, mede gelet op artikel II, lid 2, van de Wijzigingsverordening, dat het kadegeld voor de periode 1 januari tot 1 juni 1997 dient te worden berekend overeenkomstig de op 1 januari 1997 in werking getreden Verordening en voor de periode 1 juni tot en met 31 december 1997 overeenkomstig de Wijzigingsverordening.

6.6. Het vorenoverwogene leidt tezamen genomen tot de volgende berekening van het kadegeld:

5/12 x ƒ 38,96 x 11 (meter) = ƒ 178,56

7/12 x ƒ 53,00 x 11 (meter) = ƒ 340,08

totaal ƒ 518,64

6.7. Tegen het in de nota van 15 juli 1997 tevens begrepen binnenhavengeld (‘sticker BHG’) ad ƒ 10 heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.

7. Proceskosten

Van ingevolge het Besluit proceskosten fiscale procedures voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

8. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van verweerder;

vermindert het in de nota van 15 juli 1997 begrepen kadegeld tot ƒ 518,64;

gelast verweerder het betaalde griffierecht ad f 80 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 22 september door mrs. Schaap, Kwantes en Holdert, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.