Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7539

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/00525
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kortstondig gebruik van materialen door deelnemers aan een vakantie-activiteitenprogramma is geen ter beschikking stellen van die materialen aan een derde in de zin van artikel 11, zesde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Materialen van dezelfde soort en hoedanigheid aangemerkt als complexen van bedrijfsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1484
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/00525

12 september 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 februari 1999, ingediend door A als gemachtigde en aangevuld bij brief van 26 april 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 1 februari 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.584. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 16.655.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 14 december 1999 is verschenen gemachtigde, alsmede namens de inspecteur B, tot bijstand vergezeld van C. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en met een bijlage overgelegd.

De inspecteur heeft van de bijlage kennis kunnen nemen en heeft zich erover kunnen uitlaten. De pleitnota en de bijlage worden tot de gedingstukken gerekend.

Na de zitting heeft tussen Hof en partijen een briefwisseling plaatsgehad ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een nadere mondelinge behandeling te verzoeken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in het jaar 1970, heeft op 5 mei 1997, samen met zijn broer een in de vorm van een vennootschap onder firma te drijven onderneming opgericht. Beide vennoten zijn in gelijke mate gerechtigd tot de winst uit deze onderneming.

2.2. De onderneming treedt naar buiten onder de naam CC en houdt zich bezig met het organiseren en uitvoeren van vakantie-arrangementen ten behoeve van touroperators. Deze arrangementen omvatten logies, maaltijden indien van toepassing, reisleiding en activiteitenprogramma's. De touroperators bieden de arrangementen in combinatie met door hen georganiseerd vervoer aan de vakantiegangers aan.

2.3.1. CC heeft bij overeenkomst van 5 mei 1997 kampeermaterialen overgenomen van DD. Blijkens deze overeenkomst wil de verkoper zich meer toeleggen op de verkoop van reizen en de koper op de uitvoering van actieve vakanties in het buitenland.

Blijkens onderdeel 1.1. van de overeenkomst worden de materialen per 30 september 1996 in eigendom overgedragen aan CC.

Ingevolge onderdeel 2.1. van de overeenkomst betaalt CC een totale prijs van ƒ 65.000 exclusief omzetbelasting; betaling van minimaal ƒ 35.000, verhoogd met omzetbelasting, vindt ingevolge onderdeel 2.2. plaats door verrekening met door CC uitgevoerde reizen. Het resterende gedeelte, verhoogd met omzetbelasting, wordt voor zover nog niet verrekend op 31 augustus 1997, omgezet in een rentedragende lening.

Blijkens onderdeel 3.4. van de overeenkomst is het CC niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van DD contracten af te sluiten met concurrenten betreffende vakanties in de maanden juli en augustus.

Blijkens onderdeel 3.5. van de overeenkomst verplicht DD zich tot eind augustus 1999 minimaal 6 soorten reizen van CC in haar zomerprogramma's op te nemen, wat onder normale omstandigheden neerkomt op ca. 350-400 deelnemers per seizoen.

2.3.2. De overgenomen materialen staan vermeld op een bij de overeenkomst gevoegde lijst "Voorstel overname materialen" (hierna: de lijst).

De op die lijst vermelde verkoopprijzen van ƒ 1.000 of hoger hebben betrekking op de na te noemen materialen:

omschrijving Aantal aanschaf verkoopprijs

diversen containers + opknap 2 8.000

Tenten voorr./groep/keuken zwerftenten + BT bungalow groot (96) bungalow klein (96) 1/10/2 69 + 6 9 18/4 + 3 1.000 3.000 2.000 4.000

Fietsen kinder ATB EE ATB 10 4/6 1.500 4.000

Bergsportmateriaal Diversen 4.500

Watersport surfplanken kano's 29 7 11.500 2.000

Rugzakken FF 32/10 1.500

Diversen Zie lijst 13.000

Overigen Zie lijst 5.000

Totaal (excl. BTW) 210.000 65.000

2.4. Naast voornoemde overname heeft CC in het onderhavige jaar een parachute gekocht voor een bedrag van ƒ 2.000.

2.5. Tot de stukken behoren afschriften van uitvoeringsovereenkomsten tussen CC en de opdrachtgevers DD en GG. Blijkens deze overeenkomsten betreffen de door CC in juli/augustus te organiseren programma's onder andere watersport-, survival- en klim-canyonkampen. Als locatie wordt in alle overeenkomsten de camping " HH" vermeld. Bij de prijs is het verblijf in de op deze camping aanwezige tenten inbegrepen en zonodig het gebruik van een kooktent. Voor diverse afzonderlijk vermelde activiteiten zijn toeslagen verschuldigd.

2.6. Voorts behoort tot de stukken een afschrift van een aan GG uitgebrachte offerte van CC inzake de verhuur van een ingerichte kooktent, te plaatsen op een camping JJ voor de periode 20 juni tot 30 augustus 1997, inclusief het transport.

2.7. Blijkens de jaarrekening 1997 van CC is in het jaar 1997 aan vaste activa ingebracht tot een bedrag van ƒ 1.600, in vaste activa geïnvesteerd tot een bedrag van ƒ 51.750 en op de vaste activa afgeschreven tot een bedrag van ƒ 40.350. Op de balans zijn materiële vaste activa opgenomen tot ƒ 13.000, gespecificeerd in ƒ 9.000 inventaris en ƒ 4.000 vervoermiddelen.

In de aangifte voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende een investeringsaftrek in aanmerking genomen onder andere ter zake van aanschaf parachute en overname materialen". Bij de regeling van de aanslag is de aangegeven winst verhoogd met het hierop betrekking hebbende deel van de investeringsaftrek ter grootte van ƒ 4.440.

3. Geschil

In geschil is of de door CC aangeschafte parachute en de door CC van DD overgenomen materialen voor de in artikel 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) bedoelde investeringsaftrek in aanmerking komen, gelijk belanghebbende stelt en de inspecteur betwist.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken wordt vermeld.

Ter zitting is daaraan nog toegevoegd door

gemachtigde:

Ik zeg toe dat alsnog wordt opgestuurd een akkoordverklaring met het achterwege laten van een mondelinge behandeling van het overigens identieke beroep van de broer, ingeschreven onder kenmerk 99/00626, een afschrift van de ingediende aangifte, inclusief de jaarstukken, en de in de overeenkomst genoemde algemene voorwaarden, welke laatste door mij ook rechtstreeks naar de inspecteur zullen worden gezonden.

De geclaimde aftrek van ƒ 4.440 ziet op 24% van de helft van het in 1997 betaalde bedrag van (35.000 + 2000=) ƒ 37.000. Het resterende gedeelte is in 1998 betaald en ook voor dat jaar geclaimd.

Dat in de overeenkomst een overdrachtsdatum van 30 september 1996 wordt genoemd heeft waarschijnlijk te maken met het rond die datum in de container opbergen van de materialen.

Per activiteit zijn bepaalde materialen nodig, mede gelet op de in acht te nemen veiligheidsvoorschriften is het daarom van belang voor een bepaalde activiteit identieke materialen te gebruiken. Bovendien worden alle voor een bepaalde activiteit benodigde materialen gelijktijdig vervangen. De 29 surfplanken zijn allemaal hetzelfde, de 69 zwerftenten ook. De materialen kunnen niet zelfstandig worden gebruikt maar alleen in het kader van het totale programma.

CC behoudt alle macht over de materialen, er is dus geen sprake van het ter beschikking stellen aan een ander. Het gaat om de dienstverlening aan de touroperator. De dienstverlenende sector is uitdrukkelijk genoemd door de staatssecretaris, zie de bijlage bij de pleitnota; hij maakt daarbij geen onderscheid tussen dienstverlening en de in dat kader gebruikte roerende goederen.

De gevraagde volledige proceskostenvergoeding ziet niet op het puntenstelsel.

De inspecteur:

Ik heb geen jaarstukken, de voor het kopiëren afgegeven stukken zijn gedeeltelijk zoek geraakt.

Het is aan belanghebbende om duidelijk te maken voor welke zaken aftrek wordt gevraagd. Ik heb geen probleem met een aftrek ter zake van de containers, maar wel als ik alleen daarom tot vergoeding van proceskosten word veroordeeld.

Ik betwijfel of het identieke zaken betreft. Gelijktijdige vervanging behoeft daar niet op te wijzen. In de horeca is het ter beschikking stellen een bijzaak, hier betreft het een wezenlijk onderdeel. De gebruiker is verantwoordelijk.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat de uitgaven ten behoeve van de aanschaf van de parachute en de van DD overgenomen materialen investeringen in bedrijfsmiddelen zijn waarvoor op grond van artikel 11 van de Wet een investeringsaftrek verleend dient te worden.

De inspecteur betwist dit en stelt enerzijds dat het investeringsbedrag per overgenomen bedrijfsmiddel, met uitzondering van de containers, minder bedraagt dan ƒ 1.000, zodat aftrek is uitgesloten op grond artikel 11, lid 5, aanhef en onderdeel a, van de Wet, en anderzijds dat de in geschil zijnde materialen zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden, zodat aftrek is uitgesloten op grond van artikel 11, lid 6, aanhef en onderdeel a, van de Wet. Het Hof merkt hierbij nog op dat voorbijgegaan wordt aan de klacht van belanghebbende dat de inspecteur eerst in het verweerschrift een nader standpunt heeft ingenomen, nu belanghebbende in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren.

5.2. Uit hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht, leidt het Hof af dat de investeringsaftrek met betrekking tot de containers niet in geschil is, zodat het beroep reeds in zoverre gegrond is.

5.3. Gelet op wat belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot gebruik, onderhoud en vervanging van de overige overgenomen materialen, acht het Hof aannemelijk dat zoveel mogelijk met identieke materialen wordt gewerkt en dat derhalve de op de lijst vermelde materialen van dezelfde soort en dezelfde hoedanigheid betrekking hebben op identieke materialen. Uit de vermeldingen in de kolommen "omschrijving" en "aantal" van de lijst leidt het Hof af dat in een aantal gevallen materialen van verschillende soort of hoedanigheid voor één totaal bedrag zijn verkocht. Nu in die gevallen van de verschillende varianten geen afzonderlijke waarde is vermeld, en ook overigens niet aannemelijk is gemaakt welke waarde aan één of meer van die varianten als complex moet worden toegekend, is het gelijk in zoverre aan de inspecteur.

5.4. De op de lijst vermelde groepen materialen waarvan geen varianten worden vermeld zijn naar 's Hofs oordeel aan te merken als evenzovele complexen van bedrijfsmiddelen. De waarden van deze vier, hierna te noemen, groepen bedraagt ten minste ƒ 1.000, zodat artikel 11, lid 5, aanhef en onderdeel a, van de Wet er niet aan in de weg staat deze complexen tot de bedrijfsmiddelen te rekenen voor de toepassing van artikel 11 van de Wet. Het gaat om de volgende bedrijfsmiddelen:

9 bungalowtenten groot (96) met een waarde van ƒ 2.000

10 kinder ATB fietsen, met een waarde van ƒ 1.500

29 surfplanken, met een waarde van ƒ 11.500

en 7 kano’s, met een waarde van ƒ 2.000.

5.5. Vervolgens komt de vraag aan de orde of deze bedrijfsmiddelen en de parachute zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden.

5.6. Uit hetgeen belanghebbende onvoldoende weersproken naar voren heeft gebracht omtrent het gebruik van de materialen, beschouwd in samenhang met de doelstelling van CC, kan als vaststaand worden aangenomen dat CC overeenkomsten sluit met touroperators waarbij CC zich verplicht all-in-arrangementen aan te bieden aan vakantiegangers die bij de desbetreffende touroperator hun vakantie hebben geboekt. Voorts kan worden aangenomen dat de onderwerpelijke materialen in het kader van deze arrangementen door de vakantiegangers worden gebruikt gedurende de perioden waarin of de momenten waarop de desbetreffende activiteiten worden verricht.

5.7. Uit het voorgaande volgt dat CC de materialen bezigt voor het behoeve van derden - touroperators - organiseren en uitvoeren van vakantie-arrangementen en dat geen contractuele relatie bestaat tussen CC en de vakantiegangers. Gelet op deze omstandigheden verwerpt het Hof de stelling van de inspecteur dat dit gebruik valt onder het in artikel 11, lid 6, aanhef en onderdeel a, van de Wet bedoelde ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen. Of dit laatste ook geldt voor de in punt 2.6. bedoelde kooktent kan buiten beschouwing blijven, omdat voor deze tent reeds vanwege het onder 5.3. en 5.4. overwogene geen investeringsaftrek wordt toegekend.

5.8. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat investeringen als bedoeld in artikel 11 van de Wet zijn gedaan ter zake van

de containers tot een bedrag van ƒ 2.000,

de bedrijfsmiddelen genoemd in punt 5.4. tot een bedrag van ƒ 17.000

En

de parachute tot een bedrag van ƒ 2.000

in totaal ƒ 21.000,

waarvan (50% =) ƒ 10.500 aan belanghebbendes onderneming kan worden toegekend, zodat de investeringsaftrek ter zake ƒ 2.520 beloopt.

Het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen ad ƒ 20.584 dient derhalve met dit bedrag te worden verlaagd tot ƒ 18.064.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de wijze waarop de inspecteur verweer heeft gevoerd meebrengt dat artikel 1 en artikel 3 van het Besluit proceskosten fiscale procedures toepassing missen. Het onderhavige beroep en het onder kenmerk 99/00626 geadministreerde beroep worden voor de proceskosten mitsdien aangemerkt als één zaak, waarvoor de kosten met toepassing van artikel 1, onderdeel a, van dat besluit, in samenhang met de in de bijlage bij het besluit opgenomen regeling worden berekend op (2,5 voor indienen beroep, verschijnen mondelinge behandeling, schriftelijke inlichtingen x 710 x 0,5 als wegingsfactor = ) ƒ 887,50, waarvan ƒ 443,75 in het onderhavige beroep wordt toegekend.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 18.064,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van ƒ 443,75 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en

- gelast de inspecteur het betaalde griffierecht ad ƒ 85 aan belanghebbende te vergoeden

De uitspraak is vastgesteld op 12 september 2000 door mr. Onnes, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.