Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7536

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/02949
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de verordening wordt de aanslag verontreinigingsheffing opgelegd naar 3 vervuilingseenheden (v.e.), tenzij blijkt dat de woonruimte door slechts 1 persoon bewoond wordt.

Belanghebbendes echtgenote verblijft in een verpleeghuis. Belanghebbende woont in een aanleunwoning naast het verpleeghuis. In het algemeen verblijft zijn echtgenote enkele uren per dag bij hem thuis. Ze brengt de nacht altijd in het verpleeghuis door. Zowel belanghebbende als zijn echtgenote is in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van belanghebbende.

Hof: Waar iemand woont, wordt op grond van de omstandigheden bepaald. De inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie kan daarop van invloed zijn maar is geenszins doorslaggevend. Onder de geschetste omstandigheden kan niet worden gezegd dat de echtgenote van belanghebbende de woonruimte mede bewoont. Belanghebbende dient naar 1 v.e. te worden aangeslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/1100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/02949

25 augustus 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achtste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van de Dienst Waterbeheer en Riolering te P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 14 september 1999, aangevuld bij schrijven van 21 september 1999. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 6 september 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag verontreinigingsheffing woonruimte 1999. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een opgelegd naar een bedrag van ƒ 98,88.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 16 mei 2000 is verschenen belanghebbende in persoon. Namens verweerder zijn verschenen de heren A en B.

Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 30 mei 2000. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 31 mei 2000 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 21 juni 2000 van verweerder het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht is in de aan verweerder toegezonden nota -abusievelijk- bepaald op ƒ 80. Dit bedrag heeft verweerder tijdig voldaan.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op grond van de Verordening verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en Vecht 1997 (hierna: de Verordening) is belanghebbende -naar niet in geschil- in 1999 als gebruiker van een woonruimte heffingsplichtige voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren.

2.2. Met dagtekening 31 maart 1999 is ten name van belanghebbende een aanslag verontreinigingsheffing woonruimte 1999 opgelegd. Het bedrag van de aanslag beloopt ƒ 296,64, te weten 3 vervuilingseenheden maal het tarief van ƒ 98,88. Na bezwaar heeft verweerder deze aanslag gehandhaafd.

2.3. Tot de gedingstukken behoort een brief (dagtekening 2 mei 2000) aan belanghebbende waarin C van de administratie van het verpleeghuis N het volgende verklaart: "Hierbij verklaren wij dat mevrouw Y verpleegd wordt in verpleeghuis N te Z vanaf 11 juli 1996 tot en met heden." Belanghebbende heeft deze brief ter zitting overgelegd.

2.4. In de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Z was zowel belanghebbende als zijn echtgenote gedurende de onderhavige heffingsperiode ingeschreven op het adres van belanghebbende.

3. Geschil

In geschil is of de onderhavige aanslag terecht naar een bedrag van ƒ 296,64 is opgelegd, hetgeen verweerder stelt, dan wel dat de aanslag op basis van 1 vervuilingseenheid naar een bedrag van ƒ 98,88 dient te worden opgelegd, hetgeen belanghebbende voorstaat.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd.

door belanghebbende:

Sinds 1994 verblijft mijn vrouw in een verpleeghuis. Ze woont daar omdat zij niet in staat is om thuis te wonen. Ze heeft twee maal een herseninfarct gehad. Ze is verlamd en kan niet zelfstandig eten en naar bed gaan.

Ik woon sinds 1998 in een aanleunwoning naast het verpleeghuis N. In het algemeen verblijft mijn echtgenote enkele uren per dag -zolang als ze dat volhoudt- bij mij thuis. Ze brengt de nacht altijd in het verpleeghuis door.

Mijn echtgenote is thans wel in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van het verpleeghuis.

door verweerder:

Ik heb de alleenbewoningssituatie getoetst aan de hand van de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Z. Deze administratie is voor ons de maatstaf. Belanghebbende en zijn echtgenote waren in 1999 op het adres van belanghebbende ingeschreven. Voor vermindering van het bedrag van de aanslag moet belanghebbende aantonen dat hij alleen woonde.

Omdat belanghebbendes echtgenote nu wel staat ingeschreven op het adres van het verpleeghuis, neem ik aan dat belanghebbendes woonruimte thans door één persoon wordt bewoond.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 9 van de Verordening luidt: "De vervuilingswaarde voor een woonruimte wordt op 3 vervuilingseenheden gesteld, met dien verstande dat voor een woonruimte die door één persoon wordt bewoond de vervuilingswaarde op aanvraag van de heffingsplichtige op 1 vervuilingseenheid wordt gesteld."

5.2. Een als in 5.1. bedoelde aanvraag is door belanghebbende gedaan en door verweerder op 7 april 1999 ontvangen. Verweerder heeft de aanvraag van belanghebbende niet gehonoreerd omdat op belanghebbendes adres twee personen, te weten belanghebbende en zijn echtgenote (Y), staan ingeschreven.

5.3.1. Verweerder stelt dat belanghebbendes woonruimte door twee personen en niet "door één persoon wordt bewoond" (zie 5.1.) aangezien blijkens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Z zowel belanghebbende als zijn echtgenote op belanghebbendes adres staat ingeschreven.

5.3.2. Belanghebbende huldigt het standpunt dat zijn woonruimte slechts door hemzelf en niet tevens door zijn echtgenote wordt bewoond.

5.4. Waar iemand woont, wordt op grond van de omstandigheden bepaald. De inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie kan daarop van invloed zijn maar is geenszins doorslaggevend. Onder de omstandigheden die belanghebbende heeft geschetst (zie 4.) en het Hof aannemelijk acht, kan naar ’s Hofs oordeel niet worden gezegd dat de echtgenote van belanghebbende de woonruimte waarvoor belanghebbende heffingsplichtige is mede bewoont in de zin van artikel 9 van de Verordening. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor de veroordeling van verweerder in de kosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen daarvoor in het onderhavige geval in aanmerking de reiskosten die belanghebbende heeft moeten maken om de zitting bij te wonen. Het Hof stelt deze kosten in goede justitie vast op ƒ 20. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niets gesteld of gebleken.

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert het bedrag van de aanslag tot ƒ 98,88;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van ƒ 20 en wijst de Dienst Waterbeheer en Riolering te P aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

gelast verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 25 augustus 2000 door mr. Schaap, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 30 mei 2000.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.