Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7533

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/0007
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij belanghebbende zijn bij een controle op Schiphol waardepapieren ten bedrage van fl x aangetroffen. De inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde verklaring van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de waardepapieren betrekking hebben op aan belanghebbende toebehorende bezittingen en evenmin dat tot het bedrag fl x of een deel daarvan sprake is van inkomsten afkomstig uit een van de bronnen van inkomen genoemd in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Het Hof acht (ten overvloede) evenmin aannemelijk dat met betrekking tot het bedrag fl x of een deel daarvan sprake zou kunnen zijn van in 1995 genoten arbeidsinkomen in de zin van artikel 22 van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/0007

4 oktober 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Negende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te Y, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 3 januari 2000, ingediend door A als gemachtigde.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 7 december 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

Aan belanghebbende is oorspronkelijk een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van, na bezwaar, ¦ 14.800.

De onderhavige navorderingaanslag, opgelegd met dagtekening 26 februari 1999, is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ 134.277 en met een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting welke tot op 50% is kwijtgescholden. Bij de bestreden uitspraak is de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 12 juli 2000 zijn verschenen de gemachtigde en belanghebbende, vergezeld door B als tolk in de Chinese taal (hierna ook: de tolk), alsmede C namens de inspecteur.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is geboren in 1947 en gehuwd.

Van 1 november 1986 tot en met 30 november 1995 is belanghebbende als ondernemer vennote geweest in de vennootschap onder firma "V.O.F. Chinees Indisch Restaurant … " (hierna: de v.o.f) te Z. Haar mede-vennoten waren haar echtgenoot en een ander familielid. Haar aandeel in de winst van de v.o.f. bedroeg een derde deel.

2.2. Over het onderhavige jaar bedroeg het winstaandeel van belanghebbende

¦ 11.000,96. In haar aangifte heeft belanghebbende, behalve winst uit onderneming, geen andere inkomsten aangegeven. De primitieve aanslag is -na bezwaar- vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ¦ 14.800.

2.3.1. Volgens een verklaring van een ambtenaar van de Belastingdienst/Douane Post Schiphol Stationsgebouw is belanghebbende op 9 maart 1996 om 06.00 uur bij aankomst uit Hong Kong gecontroleerd. Bij deze controle zijn waardepapieren en bankafschriften aangetroffen. Belanghebbende heeft op dat moment geen verklaring gegeven omtrent de herkomst van deze stukken.

Het naar aanleiding van de onderzoekgegevens van de Douane Schiphol opgemaakte rapport van de FIOD/CVI-Haarlem (bijlage 4 bij het verweerschrift) vermeldt onder meer: als "gesignaleerd bedrag": ¦ 119.477,06; onder "fiscale gegevens": "Heeft gezien BVR-uitdraai 1996 een Chinees Restaurant gehad. Gelden mogelijk uit zwarte omzet verkregen."; onder "Rapport: aantreffen geldsom/bescheiden van tegoeden":

"Valuta/(….) Coupures (….) Totaal (….)

HFl 36.000 36.000

FF 30.036,94 9.759

HKD 120.000 25.392

HKD 13.554 2.868,03

HKD 214.830 45.458,03

Totaal: 119.477,06"

2.3.3. Kopieën van de evengenoemde, voornamelijk in de Chinese taal gestelde waardepapieren en bankafschriften bevinden zich als bijlage bij het Douane Rapport onder de stukken van het geding. Het betreft de hiernavolgende stukken.

(a) Drie maal een "Fixed Deposit Receipt in Foreign Currency" met een looptijd van twaalf maanden, uitgegeven op 27 januari 1996 (nr. 0415399, in FF) en op 5 februari 1996 (nr. 0416496 in HFl en nr. 0416487 in HKD).

De in (arabische) cijfers vemelde bedragen in Franse Francs en Hong Kong Dollars corresponderen met de hiervoor vermelde bedragen van respectievelijk 30.036,94 en 120.000; het bedrag in Nederlandse guldens is door een stempel niet goed leesbaar doch lijkt 36.000 te vermelden.

(b) Drie betalingsbewijzen met Chinese tekst, van D & Co., Solicitors & Notaries, Hong Kong, alle gedateerd 23 juli 1994 en genummerd 31567, 31586 en 32801, ten bedrage van respectievelijk $ 7.554, $ 6.000 en $ 214.830.

(c) Een nagenoeg geheel in de Chinese taal gesteld document, waarin de datum 30 juli 1994 is vermeld.

(d) Een nagenoeg geheel in de Chinese taal gesteld document "Joint Venture E Real Estate Development Co. Ltd." waarin naam en adres van belanghebbende voorkomen.

(e) In de Chinese taal gestelde nota’s of rekeningen, genummerd 0000156 en 0000157, 0002070, 0016816 en 0016817, en alle gedateerd 19 januari 1996

(f) Rekeningen van D & Co., Solicitors, Hong Kong, van 7 juli 1994, ten bedrage van $ 7.554 en $ 6.000.

2.4.1. Bij schrijven van 11 januari 1999 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld voornemens te zijn een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting op te leggen naar een belastbaar inkomen van ¦ 134.277, zijnde ¦ 14.800 (conform de primitieve aanslag) plus ¦ 119.477 (correctie naar aanleiding van de bij de aanhouding op Schiphol aangetroffen waardepapieren en bankafschriften). De inspecteur schreef onder meer "de waarde van de papieren (….) uit praktische overwegingen in zijn geheel [te] belasten als inkomsten in 1995." Omdat naar zijn mening sprake was van het opzettelijk verzwijgen van inkomsten kondigde de inspecteur aan een boete van 100% op te leggen en daarvan 50% kwijt te schelden. De inspecteur verzocht belanghebbende voor 1 februari 1999 te reageren.

2.4.2. De navorderingsaanslag is met dagtekening 26 februari 1999 opgelegd. Bij brief van 26 februari 1999 heeft belanghebbende bezwaar tegen de navorderingsaanslag gemaakt; daarin verwijst zij naar haar brief van 14 januari 1999 welke, naar zij na telefonisch contact met de belastingdienst begreep, niet door de inspecteur is ontvangen.

2.5.1. Onder de stukken bevindt zich een kopie van een brief van belanghebbende van 14 januari 1999, gericht aan de inspecteur, waarin -voor zover relevant- is vermeld:

"Een aantal jaren geleden heeft mijn broer (….Chinese tekens….) mij verzocht tijdelijk het beheer over zijn bezittingen waar te nemen. Door de politieke ontwikkelingen tussen Hong Kong en de Volksrepubliek China vond hij dit beter. Hij heeft hiervoor zijn bankrekening op mijn naam gesteld. Een echtscheidings procedure maakte een en ander nog dringender. De waardepapieren, die ik op Schiphol bij mij had, zijn dus niet mijn eigendom, maar heb ik tijdelijk in beheer.".

2.5.2. Onder de stukken bevindt zich voorts een beëdigde vertaling van de (ter zitting verschenen) tolk, van een in het Chinees gestelde verklaring, waarvan de inhoud als volgt luidt: "Laat ik mij zelf even voorstellen. Ik ben F, de broer van [belanghebbende]. 1997 nadert en Hong Kong wordt teruggenomen door China. Daar de situatie niet echt duidelijk is, wil ik voor 1997 het beheer van mijn geld en huis aan haar ([belanghebbende]) overlaten. Bovendien ben ik gescheiden en heb ik niet veel vertrouwen in mijn huidige vrouw. De enige die ik vertrouw is mijn eigen jongere zus [belanghebbende]. Dus laat ik haar mijn eigendommen beheren.". De verklaring is gedateerd 1 mei 1999.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het bedrag ad ¦ 119.477, als gespecifeerd onder 2.3.2. hiervoor, als inkomsten uit andere arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) behoort tot haar belastbare inkomen over 1995, hetgeen de inspecteur stelt en belanghebbende bestrijdt.

4. Standpunten van partijen

4.1. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding.

4.2. Ter zitting hebben partijen daaraan het volgende toegevoegd:

namens belanghebbende:

de gemachtigde

4.2.1. Ik handhaaf mijn formele bezwaren.

4.2.2. Belanghebbende kan de Nederlandse taal niet spreken; zij kan slechts zeer beperkt Nederlands verstaan. Bij de douane op Schiphol heeft zij niet in de gaten gehad wat er gebeurde.

Belanghebbende had geen waardepapieren bij zich, alleen afschriften daarvan. De verklaring die belanghebbende in tweede instantie daarvoor heeft gegeven acht ik plausibel. Ook de verschillende valuta wijzen er niet op dat het gaat om in 1995 in Nederland verworven inkomsten. De inspecteur hinkt op twee gedachten: eerst corrigeert hij als winst, later als inkomsten uit andere arbeid in 1995. De inspecteur heeft daar verder geen onderzoek naar ingesteld. De bron is dus niet duidelijk. Als sprake zou zijn van winst, dan had hij de boekhouding kunnen controleren. De inspecteur heeft er een slag naar geslagen maar niet aannemelijk gemaakt dat er inkomsten zijn genoten. Als al sprake zou zijn van een belastbaar voordeel, dan is het niet in 1995 genoten.

de tolk:

4.2.3. Op de bank/depositoslip die in Nederlandse guldens luidt (Hof: zie onder 2.3.3. (a)) staat "zegge zesduizend", voluit in de Chinese taal geschreven.

Alle fixed deposit receipts staan op naam van belanghebbende. Belanghebbende zegt mij dat zij het geld voor haar broer had gestort en dat zij het na een jaar ofwel persoonlijk, ofwel via een gemachtigde, moest ophalen. Zij denkt dat zij op 9 maart 1996 de originele receipts bij zich had. Dat was omdat de toenmalige echtgenote van haar broer niet van de stortingen mocht weten.

4.2.4. Het ontvangstbewijs van D & Co., Solicitors & Notaries, Hong Kong, nummer 31586 (Hof: zie onder 2.3.3. (b)) is een bewijs van betaling door belanghebbende van advocaatkosten en vermeldt een adres en de naam van een warenhuis, de vijfde verdieping daarvan en de afdeling. Het andere ontvangstbewijs, met numer 31567, vermeldt dat ook. Het ontvangstbewijs nummer 32801 betreft een vooruitbetaling onder aftrek van een aanbetaling ("eerste som").

4.2.5. Het volgende document (Hof: bedoeld onder 2.3.3. (c)) is een koop/verkoop-overeenkomst betreffende een onroerende zaak, een winkelruimte op de vijfde verdieping van het zojuist genoemde warenhuis. Verkoper is een "Limited", de Joint Venture E Real Estate Development Co.; kopers zijn belanghebbende en een man, naar ik van belanghebbende thans verneem, haar echtgenoot. Belanghebbende zegt mij dat de winkelruimte op beider namen moest staan omdat zij ná de aanbetaling (waarvoor zij alleen in Hong Kong was) pas in een later stadium bericht over de sleutels zou krijgen en toen nog onbekend was wie daarvoor naar Hong Kong zou gaan. De datum van de koopovereenkomst is 14 november 1994. Belanghebbende zegt mij dat zij op 9 maart 1996 het originele contract bij zich had.

4.2.6. Belanghebbende zegt mij dat zij de "Joint Venture E Real Estate Development Co. Ltd." (Hof: zie onder 2.3.3. (d)) bij zich had om te bewijzen dat de winkelruimte van haar was. Daarmee kreeg zij de sleutels. Het contract is van 1994; haar oudere broer had het contract ter ondertekening aan haar opgestuurd. Belanghebbende heeft al in 1994 het beheer van zijn vermogen gekregen.

4.2.7. De nota’s genummerd 0000156 en 0000157 (Hof: zie onder 2.3.3. (e)) betreffen dezelfde onroerende zaak en zijn een soort eindafrekening, met daarop vermeld registratiegeld, belastingen en controlegeld, voor twee verschillende oppervlakten met eenzelfde prijs per eenheid.. Zij zijn gedateerd 19 januari 1996. Naar ik thans van belanghebbende verneem heeft zij twee units gekocht. De volgende nota is een kwitantie voor notariskosten.

4.2.8. Belanghebbende zegt mij dat zij in 1995 het volledige beheer over het restaurant had; eerst dreef zij het restaurant alleen met haar echtgenoot; later, toen hij 18 werd, trad haar zoon toe tot de v.o.f.. In 1995 werkte zij fulltime. Het restaurant was open vanaf 12.00 uur ’s middags. Zij bleef dan totdat ’s avonds de laatste klant was vertrokken. Het restaurant was zeven dagen per week open. Eind 1995 is het restaurant aan een neef verkocht die het toen tezamen met haar zoon ging drijven.

de inspecteur:

4.2.9. Belanghebbende is vier keer uitgenodigd voor een hoorzitting. De vorige gemachtigde heeft wel gereageerd maar dat betrof verzoeken om uitstel.

4.2.10. De verklaring van belanghebbende inzake de waardepapieren komt wel erg laat. De verklaring van haar broer is niet controleerbaar en drie jaar na dato afgegeven. Bij de douane heeft zij geen verklaring gegeven. Belanghebbende heeft nooit meegewerkt aan het kunnen instellen van een onderzoek. Op de aankondiging van de navorderingsaanslag heeft zij niet gereageerd. Ik heb het bewuste bedrag als inkomsten ex artikel 22, lid 1, onder b, van de Wet gecorrigeerd omdat ik op zich geen titel heb.

4.2.11. Omdat de waardepapieren vrij vroeg in 1996 bij belanghebbende zijn aan-getroffen is het gehele bedrag over 1995 gecorrigeerd. Als het andere jaren zou betreffen dan zou 1995 moeten worden verminderd en over andere jaren worden nagevorderd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Tijdens de zitting is het Hof gebleken dat belanghebbende de Nederlandse taal niet beheerst (wellicht enigszins verstaat doch niet spreekt), hetgeen wordt bevestigd door de omstandigheid dat belanghebbende ter zitting is bijgestaan door een door haar medegebrachte tolk in de Chinese taal. Ter zitting heeft de gemachtigde erop gewezen dat het derhalve niet verwonderlijk is dat belanghebbende bij haar aanhouding op Schiphol in maart 1996 geen verklaring voor de bij haar aangetroffen bescheiden heeft gegeven.

5.2.1. Belanghebbende is tot de brief van de inspecteur van 11 januari 1999, waarin de onderhavige navorderingsaanslag werd aangekondigd, van de zijde van de belastingdienst niet met haar aanhouding op Schiphol geconfronteerd; evenmin zijn haar ter zake van de op Schiphol bij haar aangetroffen bescheiden na 9 maart 1996 door die dienst vragen gesteld.

5.2.2. Uit de onder 2.5.1. bedoelde brief van belanghebbende van 14 januari 1999 blijkt dat zij in reactie op de aankondiging van de navorderingsaanslag heeft verklaard dat de litigieuze bescheiden betrekking hebben op vermogen van haar in Hong Kong wonende oudere broer en dat zij dat vermogen onder haar beheer had. Nu haar brief van 14 januari 1999 de inspecteur, naar hij onweersproken heeft gesteld, kennelijk niet heeft bereikt, is de onderhavige navorderingsaanslag in februari 1999 opgelegd. In de bezwaarfase heeft belanghebbende haar bovenbedoelde verklaring herhaald en nader toegelicht en door haar oudere broer schriftelijk doen bevestigen. Zij heeft steeds uitdrukkelijk ontkend dat het vermogen haar toebehoorde.

5.3.1. Het Hof heeft zich ter zitting, door tussenkomst van de door belanghebbende meegebrachte tolk in de Chinese taal, nader doen informeren omtrent de herkomst en inhoud van de onder 2.3.3. bedoelde documenten. Mede gelet op deze nadere toelichting ter zitting acht het Hof de onder 5.2.2. bedoelde verklaring van belang-hebbende aannemelijk. De omstandigheid dat belanghebbende die verklaring niet reeds op Schiphol heeft gegeven doet daaraan, gelet op het onder 5.1. hiervoor gestelde, niet af. Het Hof heeft bij zijn vorenstaande oordeel mede in aanmerking genomen dat van algemene bekendheid is dat de situatie in en omtrent Hong Kong, in de jaren vóór de overdracht van die kroonkolonie aan China, door vele inwoners van Hong Kong als onzeker en bedreigend werd ervaren, alsmede de omstandigheid dat belanghebbende haar verklaring heeft gegeven in een per ommegaande reactie op de brief van de inspecteur van 11 januari 1999, waarin de kwestie door hem voor de eerste maal werd aangekaart.

5.3.2. Door de inspecteur is tegenover de gemotiveerde en door het Hof aannemelijk geachte verklaring van belanghebbende inzake de herkomst van de onderwerpelijke bescheiden niet op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat het bedrag van ¦ 119.477, of een deel daarvan, afkomstig is uit een van de bronnen van inkomen genoemd in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Met name is daartoe niet voldoende ’s inspecteurs enkele stelling dat hij die verklaring van belanghebbende niet aannemelijk acht.

Het Hof overweegt voorts en ten overvloede dat, mede gelet op hetgeen belang-hebbende ter zitting heeft verklaard omtrent haar werkzaamheden in het onderhavige jaar (zie onder 4.2.8.) en op de datering van de diverse onder 2.3.3. genoemde en ter zitting nader toegelichte bescheiden, het evenmin aannemelijk acht dat met betrekking tot het onderwerpelijke bedrag, of een deel daarvan, sprake zou kunnen zijn van in 1995 genoten arbeidsinkomen in de zin van artikel 22 van de Wet.

5.4. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 dient overeenkomstig haar conclusie te worden vernietigd.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur en de navorderingsaanslag moeten worden vernietigd acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet Bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van deze kosten, overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 (beroepschrift en mondelinge behandeling) x ¦ 710 x 2 (wegingsfactor) = ¦ 2.840.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- gelast de inspecteur het gestorte griffierecht ad ¦ 60 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ¦ 2.840 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is gedaan op 4 oktober 2000 door mr. Faase, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.