Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7527

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/720
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof leest in het bezwaarschrift van belanghebbende en een tot de gedingstukken behorende brief van de enig aandeelhouder van belanghebbende in elk geval een begin van de motivering van het bezwaar. Belanghebbende heeft met de in haar bezwaarschrift opgenomen motivering voldaan aan de motiveringseis van artikel 6:5 Awb.

De gemachtigde heeft twee dagen voor aanvang van de zitting verzocht de behandeling van de zaak op een nader te bepalen dag te laten plaatsvinden. Hoewel van zulk een verzoek in het algemeen niet kan worden gezegd dat het tijdig is geweest, acht het Hof het evenwel niet voor onmogelijk dat door uitzonderlijke omstandigheden een verzoek als hiervoor bedoeld kort voor aanvang van de zitting wordt gedaan. Mede in aanmerking genomen dat het fiscale geding slechts één instantie kent waarin de rechter over de feiten oordeelt en dat aan artikel 11 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de gedachte ten grondslag ligt dat de belanghebbende gerechtigd is de behandeling van haar zaak door het Hof in persoon van de enig aandeelhouder bij te wonen, heeft het Hof aanleiding gevonden de gemachtigde te verzoeken nadere gegevens te verstrekken omtrent de toedracht van het verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak. De gemachtigde heeft met hetgeen hij heeft verklaard omtrent de toedracht van het verzoek de aanwezigheid van omstandigheden die inwilliging van het vlak voor aanvang van de zitting gedane verzoek om uitstel rechtvaardigen, niet aannemelijk gemaakt. Een oproep voor een tweede mondelinge behandeling zal een onredelijke vertraging in het afwikkelen van de zaak meebrengen.

Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat de door haar geclaimde aftrekposten terecht zijn opgevoerd en tot de gestelde bedragen. Het Hof acht belanghebbende daarin niet geslaagd.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de geclaimde aftrekposten zijn gemaakt terwijl belanghebbende in haar aangifte wel een aanzienlijk bedrag terzake heeft vermeld, komt het Hof tot de conclusie dat niet de vereiste aangifte is gedaan. Belangheb-bende is er niet in geslaagd aan te tonen dat de onderhavige aanslag te hoog is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1550
V-N 2000/53.2.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/720

6 september 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap A B.V. gevestigd te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren / Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 3 maart 1999, ingediend door mr. B ( AA advocaten en notarissen) te S als gemachtigde en aangevuld bij brief van 6 augustus 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 22 januari 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschaps-belasting voor het jaar 1995.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 784.503. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van negatief ƒ 388.130.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 26 januari 2000 is verschenen mr. C namens de inspecteur. De gemachtigde is, hoewel daartoe opgeroepen bij aangetekende brief van 17 november 1999, niet ter zitting verschenen. De inspecteur heeft ter zitting een mandaatbesluit overgelegd.

Bij faxbericht van 24 januari 2000 heeft de gemachtigde het Hof verzocht de mondelinge behandeling te verdagen en een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling vast te stellen. Bij faxbericht van 25 januari 2000 deelde de gemachtigde het Hof mede dat hij, gelet op de in dat bericht vermelde omstandigheden, niet in staat was de mondelinge behandeling bij te wonen. Bij brief van de griffier van 25 januari 2000 werd de gemachtigde medegedeeld dat zijn verzoek niet werd ingewilligd, hetgeen hem reeds diezelfde dag telefonisch door de griffier was medegedeeld. Bij brief van de griffier van 26 januari 2000 heeft het Hof vragen gesteld aan de gemachtigde en hem verzocht het Hof te informeren omtrent de toedracht van het uitstelverzoek. Daarop is door de gemachtigde bij brief van 1 februari 2000 gereageerd. Bij brieven van de griffier van 11 en 29 februari 2000 heeft het Hof gemachtigde verzocht om het Hof nadere informatie te verstrekken. De gemachtigde heeft daarop gereageerd bij brief van 10 maart 2000.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is opgericht op 4 augustus 1989. Haar ondernemingsactivi-teiten richten zich op het verstrekken van geautomatiseerde gegevens over met name beursgenoteerde fondsen. Belanghebbende houdt tevens alle aandelen in de te Z gevestigde vennootschappen D B.V., E B.V. en F B.V.

2.2. G wonende te Z (hierna: de enig aandeelhouder) houdt alle aandelen in belanghebbende en is tevens aangesteld als haar directeur.

2.3.1. Op 18 maart 1997 deed de enig aandeelhouder namens belanghebbende aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1995 van een belastbaar bedrag van negatief ƒ 388.130. Onder vraag 16a van de bij de aangifte behorende opgaaf ("Bedrijfsopbrengsten") werd een bedrag opgevoerd van ƒ 301.896.

2.3.2. De aanslagregelende ambtenaar verzocht de toenmalige gemachtigde van belanghebbende bij brief van 16 mei 1997 het verschil tussen de aangegeven omzet voor het jaar 1994 voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 en die voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te verklaren. De aanslagregelende ambtenaar constateerde een verschil in omzet van ƒ 757.703.

2.3.3. Bij brief van 30 mei 1997 werd de hiervoor bedoelde brief beantwoord door H van I (Belastingadviseurs) te R. In die brief is de volgende passage opgenomen: "(…) Bijgaand treft U aan copieën van de grootboekrekeningen nr 8000 (omzet), nr 8004 (omzet declarabele kosten), nr 8006 (onderhanden werk), nr 7006 (werk derden doorgedeclareerd) alsmede nr 1504 (af te dragen BTW). De BTW wordt afgerekend op kasbasis. Op het moment dat "werk derden" wordt doorgedeclareerd zal de BTW hierover worden teruggevraagd.

OMZET 1995

Nr 8000 Fl. 393.445,19

Nr 8004 Fl. 1.035.321,41

Nr 7006 FL 1.035.321,41

Fl. -,--

Nr 8006 Fl. 25.900,00

Overige Fl. 1.498,28

Fl. 420.844,00 .(…)".

2.3.4. Bij de onder 2.3.3. bedoelde brief werden tevens afschriften van een deel van de grootboekadministratie van het onderhavige jaar gevoegd. Onder het grootboek met rekeningnummer 8004 (omzet declarabele kosten) worden bedragen opgevoerd onder de benaming "Doorn" tot een totaalbedrag van ƒ 1.035.321,41. Onder het grootboek met rekeningnummer 7006 (werk derden doorgedeclareerd) wordt een bedrag opgevoerd onder de benaming "Nota's werk Doorn".

2.3.5. Onder vraag 11b van de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1995 (Voorheffingen, Dividendbelasting) werd een bedrag opgevoerd van ƒ 4.182.

2.4.1. Onder de gedingstukken bevindt zich een brief van de inspecteur van 10 juli 1998 (bijlage 4 bij het verweerschrift) gericht aan de gemachtigde van belangheb-bende waarin de volgende passage is opgenomen:

"In de tweede helft van 1997 is diverse malen geprobeerd om een boekenonderzoek over onder andere het jaar 195 in te stellen. De gemaakte afspraken zijn steeds door [de enig aandeelhouder] in verband met diverse medische onderzoeken afgezegd. Ik besluit om, hoewel nog geen boekenonderzoek is ingesteld, een aanslag Vennootschapsbelasting 1995 op te leggen."

2.4.2. Bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 1995 corrigeerde de aanslagregelende ambtenaar het aangegeven belastbare bedrag met het onder grootboekrekening 7006 (werken derden doorgedeclareerd) opgevoerde bedrag van ƒ 1.172.633. Voorts heeft de aanslagregelende ambtenaar bij het opleggen van de aanslag geen rekening gehouden met de hiervoor onder 2.3.5. genoemde dividendbelasting van ƒ 4.182.

2.5. Tot de gedingstukken behoort een brief van belanghebbende van 19 november 1998 betreffende het belastingjaar 1994 (bijlage 9 bij het vertoogschrift). In die brief is voor zover hier van belang de volgende passage opgenomen: " (...) Uit de door u thans meegezonden correcties blijkt dat dit betreft "werk derden" en "ingehouden dividendbelasting". Deze correcties zijn ten onrechte daar voor de uitgevoerde werken derden facturen en voor de ingehouden dividendbelasting dividendnota's ten grondslag liggen. (...)".

2.6.1. De enig aandeelhouder heeft bij brief van 28 oktober 1998 namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. In dat bezwaarschrift is de volgende passage opgenomen: "Voor de motivering van dit bezwaarschrift zie ik gaarne van u tegemoet de correcties welke u heeft aangebracht met betrekking tot de vastgestelde belastbare winst, welke op de aanslag afwijkend is ten opzichte van de ingediende aangifte. Na ontvangst van de door u aangebrachte wijzigingen kan ik dit bezwaarschrift nader motiveren."

2.6.2. Bij brief van 7 december 1998 deelde de inspecteur de enig aandeelhouder mede dat hij het bezwaarschrift niet kon afhandelen aangezien het niet was gemotiveerd.

2.6.3. De enig aandeelhouder reageerde bij brief van 6 januari 1999 op de onder 2.6.2. genoemde brief van de inspecteur.

2.6.4. De inspecteur reageerde bij brief van 8 januari 1999 op de brief van de enig aandeelhouder van 6 januari 1999. In deze brief is de volgende passage opgenomen: "(...) Uw brief van 6 januari 1999 kan ik niet aanmerken als een motivering van uw bezwaar. Ik stel u echter alsnog in de gelegenheid om vóór 22 januari 1999 uw bezwaar te motiveren. Indien ik voor deze datum geen motivering van u heb mogen ontvangen, zal ik u in uw bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. (...)".

2.6.5.. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een brief van 12 januari 1999 van belanghebbende (bijlage 7 bij het beroepschrift). Bij deze brief reageerde de enig aandeelhouder op de evenbedoelde brief van de inspecteur.

2.6.6. Op 22 januari 1999 deed de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift.

2.7.1. Tot de gedingstukken behoort een faxbericht van de gemachtigde van 24 januari 2000 waarin wordt verzocht de mondelinge behandeling op een andere dan de vastgestelde dag te doen plaatsvinden. In die brief is de volgende passage opgenomen: "(...) Ik ben eerst zeer recentelijk ervan op de hoogte gesteld dat mijn cliënt zich in een reumakliniek bevindt en heb geen mogelijkheid om inhoudelijk overleg met hem te voeren. Daardoor ben ik niet in staat namens hem het woord te voeren ter zitting.

Gelet op deze stand van zaken kan ik niet anders dan u een verzoek te doen tot aanhouding van de zaak en nieuwe datum voor een mondelinge behandeling vast te stellen. Mijn cliënt deelt mij mede dat hij eind maart weer beschikbaar zal zijn en verzoekt een datum vast te stellen in april van dit jaar."

2.7.2. Bij brief van 26 januari 2000 van de griffier werd de gemachtigde verzocht antwoord te geven op de in die brief gestelde vragen. De gemachtigde reageerde bij brief van 1 februari 2000 waarin hij de in de vorenbedoelde brief gestelde vragen beantwoordde.

2.7.3. Bij brief van de griffier van 11 februari 2000 werd de gemachtigde onder verwijzing naar de hiervoor onder 2.6.2. genoemde brief van 1 februari 2000 verzocht om nadere informatie te verstrekken. In die brief is de volgende passage opgenomen: "(...) Met de door in uw brief gegeven antwoorden en de in de bijlagen opgenomen telefoonnotitie en faxberichten heeft u naar 's Hofs oordeel belanghebbendes verblijf in een reumakliniek nog niet voldoende kunnen staven. Wij stellen u hierbij nogmaals in de gelegenheid nader bewijs te leveren. Bij die gelegenheid kan bijvoorbeeld een afschrift van een opnameverklaring van de betreffende reumakliniek worden overgelegd.(...)".

2.7.4. Bij brief van 10 maart 2000 heeft de gemachtigde gereageerd op de onder 2.7.3. genoemde brief van de griffier. In die brief is de volgende passage opgenomen: "(...) Ondanks uw (en mijn) herinnering beschik op dit moment nog immer niet over het bedoelde bewijs. Gelet op deze stand van zaken dien ik mij als gemachtigde te ontrekken aan de beide aanhangige procedures. (...)".

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

Heeft belanghebbende haar bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschaps-belasting 1995 genoegzaam gemotiveerd?

Kan belanghebbende een bedrag van ƒ 1.035.321 als kosten ter zake van door derden verrichte diensten in aanmerking nemen bij de berekening van het belastbare bedrag?

Kan een bedrag van ƒ 8.000 aan dividendbelasting als voorheffing worden aangemerkt?

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan -kort en zakelijk weergegeven- nog het volgende toegevoegd:

namens de inspecteur:

Ik heb de brief van de enig aandeelhouder van 12 januari 1999 niet ontvangen. Uit eigen ervaring weet ik dat de enig aandeelhouder zijn brieven steeds aangetekend verstuurt. Het bevreemdt mij dan dat deze brief niet is aangekomen op de inspectie.

De enig aandeelhouder heeft mij verzocht om een geschrift te overleggen waaruit zou blijken dat belanghebbende I zou hebben gemachtigd. Het ingediende aangiftebiljet is voorzien van de firmastempel van de evengenoemde belastingadviseur. Ik heb vanochtend bij I geïnformeerd of de heer H daar nog werkt. Een van de medewerkers deelde mij mede dat hij daar niet meer werkt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur is bij het opleggen van de onderhavige aanslag afgeweken van de ingediende aangifte en heeft de correcties slechts summier gemotiveerd. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk is nu het niet voldoet aan het in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde vereiste het bezwaarschrift te voorzien van een motivering. Het Hof leest in het bezwaarschrift van belanghebbende van 28 oktober 1998 en de tot de gedingstukken behorende brief van 19 november 1998 van de enig aandeelhouder van belanghebbende (bijlage 9 bij het verweerschrift) in elk geval een begin van de motivering van het bezwaar. Gelet op het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat belanghebbende met de in haar bezwaarschrift opgenomen motivering heeft voldaan aan de motiveringseis van artikel 6:5 Awb.

5.2.1. De gemachtigde werd bij aangetekende brief van 17 november 1999 van de griffier opgeroepen om op 26 januari 2000 te verschijnen voor de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak. De gemachtigde van belanghebbende heeft het Hof bij faxbericht van 24 januari 2000 verzocht de mondelinge behandeling te verdagen. Ingeval tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen wordt verzocht de mondelinge behandeling van de zaak op een andere dan de vastgestelde dag te laten plaatsvinden, brengen de eisen van een goede rechtspleging mee dat het Hof dat verzoek inwilligt. Deze regel lijdt slechts uitzondering ingeval zwaarder wegende belangen aan het verzochte uitstel in de weg staan (vergelijk Hoge Raad, 20 december 1989, nr. 26 194, BNB 1990/57).

5.2.2. In een geval als het onderhavige waar de gemachtigde van belanghebbende eerst twee dagen voor aanvang van de zitting verzoekt de behandeling van de zaak op een nader te bepalen dag te laten plaatsvinden, kan in het algemeen niet worden gezegd dat dat verzoek tijdig heeft plaatsgevonden. Het Hof houdt het evenwel niet voor onmogelijk dat door uitzonderlijke omstandigheden eerst twee dagen voor aanvang van de zitting kon worden verzocht om de behandeling op een andere dan de vastgestelde dag te laten plaatsvinden. Voorts in aanmerking genomen dat het fiscale geding slechts één instantie kent waarin de rechter over de feiten oordeelt en dat aan artikel 11 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de gedachte ten grondslag ligt dat de belanghebbende gerechtigd is de behandeling van haar zaak door het Hof in persoon van de enig aandeelhouder bij te wonen, heeft het Hof aanleiding gevonden de gemachtigde te verzoeken om nadere gegevens te verstrekken omtrent de (late) toedracht van het verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak, op grond waarvan het Hof zou kunnen overwegen de zaak voor een tweede mondelinge behandeling op te roepen.

5.2.3. Met hetgeen de gemachtigde in zijn onder 2.6.2. en 2.6.3. genoemde brieven heeft uiteengezet omtrent de toedracht van zijn verzoek om uitstel heeft hij de aanwezigheid van omstandigheden die inwilliging van het vlak voor aanvang van de zitting gedaan verzoek om uitstel rechtvaardigen niet aannemelijk gemaakt. Een oproep voor een tweede behandeling van de zaak zal in het licht van de door de gemachtigde in zijn evenbedoelde brieven gestelde feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien naar 's Hofs oordeel een onredelijke vertraging in het afwikkelen van de zaak meebrengen. Het Hof heeft derhalve geen aanleiding de zaak voor een tweede mondelinge behandeling op te roepen.

5.3. Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat de geclaimde aftrekposten, in casu "werk derden gedeclareerd" en geheven dividendbelasting, terecht zijn opgevoerd en tot de gestelde bedragen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan de evengenoemde aftrekposten facturen respectievelijk dividendnota's ten grondslag liggen. Deze stelling is door de inspecteur gemotiveerd bestreden en naar 's Hofs oordeel door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende is door de inspecteur ruimschoots in de gelegenheid gesteld afschriften van de evenbedoelde facturen en dividendnota's over te leggen doch hij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het Hof acht de enkele in de onder 2.5.5. genoemde brief weergegeven stelling van belanghebbende dat de bedoelde bescheiden reeds begin 1998 door de enig aandeelhouder zijn overgelegd, ongeloofwaardig. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zelf bij brief van 19 november 1998 van de inspecteur een bewijsaanbod heeft gedaan. De door belanghebbende in haar brief van 6 januari 1999 ingenomen stelling dat de bescheiden al eerder waren overgelegd, valt naar 's Hofs oordeel niet te rijmen met het eerder door haar gedane bewijsaanbod. Ook de inspecteur verwijst in zijn onder 2.4.1. genoemde brief niet naar het door de enig aandeelhouder genoemde tijdstip waarop de litigieuze bescheiden zouden zijn overgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat in kosten ter zake van werk door derden zijn gemaakt en evenmin dat dividendbelasting is ingehouden op genoten dividend.

5.4. Gelet op 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat kosten zijn gemaakt ter zake van werk door derden die tot een zelfde bedrag in de omzet van belanghebbende zijn begrepen en dat dividendbelasting is ingehouden, terwijl belanghebbende wel een aanzienlijk bedrag aan kosten ter zake van werk door derden in haar aangifte heeft vermeld en voorts aanspraak maakt op verrekening van dividendbelasting, moet worden geconcludeerd dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Voor een geslaagd beroep tegen de bestreden uitspraak dient belanghebbende, gelet op artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, aan te tonen dat en in hoeverre de onderhavige aanslag onjuist is. Nu belanghebbende slechts afschriften van een deel van haar grootboekadministratie heeft overgelegd, is belanghebbende naar 's Hofs oordeel niet in dat bewijs geslaagd. Deze afschriften tonen met name niet aan dat belanghebbende aan CUG ter zake van verrichte diensten ƒ 1.035.321 verschuldigd is en dat ƒ 8.000 aan dividendbelasting is ingehouden op ontvangen dividenden zoals belanghebbende stelt in haar brief van 6 januari 1999. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende er niet in is geslaagd aan te tonen dat de onderhavige aanslag te hoog is.

5.5. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur door geen onderzoek in stellen naar de door in haar brief van 6 januari 1999 opgeworpen stelling heeft gehandeld in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Het Hof neemt hierbij in aanmerking hetgeen hiervoor onder 5.2. is verwoord, te weten dat de door belang-hebbende in haar brief van 6 januari 1999 ingenomen stelling niet valt te rijmen met het eerder door haar gedane bewijsaanbod en ook de inspecteur in zijn onder 2.4.1. genoemde brief niet verwijst naar het door de enig aandeelhouder genoemde tijdstip waarop de litigieuze bescheiden zouden zijn overgelegd.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat zij ten onrechte niet door de inspecteur is gehoord. Deze stelling van belanghebbende kan haar evenmin baten. Immers, schending van de in art. 7:2 Awb neergelegde hoorplicht kan in geen geval ertoe leiden dat de zaak, na vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, naar de inspecteur wordt terugverwezen teneinde deze in staat te stellen de belastingplichtige alsnog te horen, aangezien het Hof niet de bevoegdheid tot zodanige terugverwijzing heeft.

5.6. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat het gelijk aan de inspecteur is, behoudens op het punt van de ontvankelijkheid van het bezwaar.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak niet in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op 1 (punten per proceshandeling) x ƒ 710 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor) = ƒ 710.

7. Beslissing

Het Hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart het bezwaar ontvankelijk;

handhaaft de aanslag;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 710 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

gelast de inspecteur het betaalde griffierecht van ƒ 85 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 6 september 2000 door mrs Smit, Van Ballegooijen en Blokland, in tegenwoordigheid van mr Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.