Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7526

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/05510
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is veroordeeld ter zake van het medeplegen van opzetheling. Bewezenverklaard is dat een bedrag van ruim f.9 mio op frauduleuze wijze van een dochter van een Nederlandse bank is overgeboekt naar diverse buitenlandse rekeningen.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende heeft beschikt over een deel van voormeld bedrag. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur terecht een bedrag van ruim f.1.3 mio tot het belastbare inkomen van belanghebbende gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/628
V-N 2001/24.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/05510

6 oktober 2000

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Negende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 30 december 1998 gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 20 november 1998 betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1992.

Aan belanghebbende is oorspronkelijk een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van f.23.965. De navorderingsaanslag (die is opgelegd zonder verhoging) is berekend naar een belastbaar inkomen van f.1.336.465 en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep, dat is aangevuld bij schrijven van belanghebbende van 3 mei 1999, strekt tot vernietiging van de uitspraak en de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak en subsidiair tot vernietiging daarvan en vermindering van de navorderingsaanslag conform hetgeen daarover is vermeld in het vertoogschrift.

Ter zitting van 10 november 1999 zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur drs . Ter zitting bleek dat het vertoogschrift van de inspecteur noch door belanghebbende noch door het Hof was ontvangen. Volgens afspraak heeft de inspecteur vervolgens alsnog het vertoogschrift aan belanghebbende en het Hof gezonden.

Ter zitting van 24 mei 2000 zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van mr h als zijn gemachtigde en mr , alsmede drs namens de inspecteur.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota met bijlagen voorgedragen en overgelegd, waaarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. De inspecteur heeft van de bijlagen kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.1. Belanghebbende deed voor het onderhavige jaar geen aangifte. Met dagtekening 31 december 1994 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag opgelegd voor het onderhavige jaar welke ambtshalve was berekend naar een belastbaar inkomen van f.75.000. Bij het tegen de aanslag gerichte bezwaarschrift heeft belanghebbende een ingevuld aangiftebiljet gevoegd waarin het belastbare inkomen is berekend op f.23.965.. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f.23.965.

2.1.2. Bij brief van 19 december 1997 heeft de inspecteur belanghebbende bericht dat hij aan belanghebbende voor het jaar 1992 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zal opleggen waarbij het oorspronkelijk vastgestelde inkomen zal worden verhoogd met f.1.312.500. In voornoemde brief is voorts vermeld dat geen boete wordt opgelegd ‘vanwege het feit dat u reeds strafrechterlijk bent veroordeeld voor de door u gepleegde handelingen.’ Bij de onderhavige navorderingsaanslag is het belastbare inkomen bepaald op f.23.965 + f.1.312.500 = f.1.336.465.

2.2. Onder de stukken (bijlage 9 bij het vertoogschrift) bevindt zich een arrest van de Strafkamer van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 5 september 1995, nr 100.435, op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam in de strafzaak tegen belanghebbende. De Hoge Raad heeft het arrest van het Gerechtshof bevestigd waarbij belanghebbende is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren ter zake van onder meer het medeplegen van opzetheling. Ten laste van belanghebbende is bewezenverklaard dat "hij als Nederlander op tijdstippen in de maanden juni tot en met september van het jaar 1992 te Luxemburg en te Genève tezamen en in vereniging met anderen (.....) opzettelijk geld (afkomstig van een geldbedrag van f.9.428.164,03 toebehorend aan de A-Trust en/of B-bank), dat door misdrijf was verkregen, uit winstbejag voorhanden heeft gehad (in contanten en op bankrekeningen t.n.v. belanghebbende en C en D-Group en E en F (het hof leest: t.n.v. belanghebbende en C-Corporation, D-Group S.A., E N.V. en F Co ))".

2.3. In voormeld arrrest van de Hoge Raad is onder meer het volgende vermeld:

"een verklaring van aangever -zakelijk weergegeven-:

Ik ben als procuratiehouder werkzaam bij de B-Bank N.V. (verder te noemen B-Bank ), waarvan het hoofdkantoor is gevestigd te . Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte contra de B-Bank en/of haar dochters gepleegde strafbare feiten. Eén van de dochters van de B-Bank is de A-trust b.v. (verder te noemen trust), gevestigd te .

Op 12 mei 1992 is bij de afdeling Clearing en Banken van de B-Bank, een formulier A verwerkt. Door middel van dit formulier A verstrekte de trust de opdracht om een bedrag van f.9.428.164,03 over te boeken naar de G-Bank op Curaçao ten gunste van rekening 00.00.00.00 ten name van H Inc. gevestigd op Curaçao. Het formulier A was voorzien van de handtekeningen van de heren I en J. Deze personen zijn namens de trust bevoegd op bankrekeningnummer van de trust, met dien verstande dat altijd door twee geautoriseerden ondertekend moet worden. De trust werd pas na ontvangst van het dagafschrift op 1 juni 1992 bekend met de overboeking. Bij de trust heeft men onderzoek gedaan waarna bleek dat de beide handtekening op het formulier A niet door I en J waren geplaatst. Op dat moment werd duidelijk dat hier sprake was van een frauduleuze overboeking waarbij valse handtekeningen waren geplaatst.

(.....)

Een ambtsedig proces-verbaal (.....), op 19 januari 1993 opgemaakt en ondertekend door

K en L, beiden hoofdagent rechercheur van gemeentepolitie te

, (.....) als relaas van verbalisanten (.....):

Naar aanleiding van de frauduleuze overboeking van de B-Bank

naar een rekeninghouder op Curaçao hebben wij een nader onderzoek ingesteld (.....). Het

blijkt (....) dat de begunstigde van de overboeking is genaamd: H Inc. (....)

rekeningnummer 000000000. De gemachtigde van deze rekening is genaamd: M

(.....) Jamaica W.I.

(.....)

De verklaring van de getuige/aangever afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep,

inhoudende:

(.....)

Nadat in juni 1992 was ontdekt dat eerder genoemd geldbedrag ten onrechte was overgeboekt heb ik een intern onderzoek verricht. Dit onderzoek, dat ongeveer een jaar heeft geduurd, was vooral gericht op de ongeveer 60 medewerkers van de afdeling clearing en banken bij de B-Bank. Bij dit onderzoek ben ik mij op een gegeven moment in het bijzonder gaan interesseren voor een medewerker, genaamd N. (.....) Tijdens mijn onderzoek heb ik gedurende een jaar de uitgaande gesprekken die werden gevoerd via het telefoontoestel dat N bij de bank in gebruik had, laten vastleggen. Dit had geen resultaat. Ongeveer eind augustus 1993 wist een bij de afdeling Telefonie van de B-Bank werkzame technicus, genaamd (...), door een bepaalde ingreep binnen te dringen in het geautomatiseerde geheugen van de telefooncentrale van de bank. In het geheugen van de telefooncentrale bleken toen zeven via het telefoontoestel van N gevoerde externe gesprekken te zijn vastgelegd, welke waren gevoerd in de periode januari 1992 tot en met april 1992 met het telefoonnummer 9999999, het zakelijke telefoonnummer van de verdachte/belanghebbende. (.....)’

Uit het vorenbedoelde arrest van de Hoge Raad blijkt onder meer het volgende.

2.4. Het overgeboekte bedrag ad f.9.428.164,03 is op 15 mei 1992 op rekening 00.00.00.00 binnengekomen bij de G-Bank. Het bedrag is terstond omgewisseld in 5.157.474,42 US $. Eveneens op 15 mei 1992 is dit bedrag in dollars overgemaakt naar een privé rekening bij dezelfde bank ten name van M. Op 15 mei en 18 mei 1992 is in totaal US $ 557.179,78 van de rekening opgenomen waarvoor US $ 5.000 in rekening is gebracht.

2.5. Op 19 mei 1992 wordt naar aanleiding van een faxbericht dat is ondertekend met de naam M door de G-Bank US $ 4.300.000 overgeboekt van laatstgenoemde privérekening naar een bankrekening bij O-Bank in de USA ten name van P ter attentie van Q Holding Ltd. Namens Q Holding Ltd wordt door R op 28 mei 1992 en op 5 juni 1992 opdracht gegeven om respectievelijk US $ 1.000.000 en US $ 2.550.000 over te boeken naar rekeningnummer 11.11.111 ten name van S-Bank S.A. te Luxemburg.

R voormeld heeft een commissie ontvangen van US $ 430.000.

2.6. Op 29 mei 1992 heeft belanghebbende een rekening met nummer 22.222.2 geopend bij S-Bank S.A. te Luxemburg. Op 3 juni 1992 respectievelijk 11 juni 1992 zijn de hiervoor onder 2.5. vermelde bedragen van US $ 1.000.000 en US $ 2.550.000 bijgeschreven op rekening 22.222.2 van belanghebbende.

2.7. In het in 2.2. genoemde arrest van de Hoge Raad is onder punt 9d. onder meer vermeld als relaas van de verbalisanten (genoemd onder 2.3.):

‘Door Sk S.A. wordt op 1 juni 1992 een fax ontvangen van T

Beheer B.V. met de opdracht de eerder geopende bankrekening nr 222222 t.n.v. belanghebbende te wijzigen en wel op naam van mr U met het paspoortnummer 3333, afgegeven op Jamaica. Deze fax is ondertekend door belanghebbende en U. Tevens is een kopie van het paspoort van U bijgevoegd. In hetzelfde faxbericht schrijft T aan een medewerker van S-Bank S.A., het volgende:

Uit voorzorg is het verstandig de middelen op naam van U te crediteren (geen binding met Ned.Fiscus). Wanneer in totaal $ 3,7 mio binnen zijn, rekening 80892, t.n.v. U op te heffen en daarna te storten op een nieuwe rekening t.n.v. belanghebbende.’

2.8. In een later faxbericht verzoekt T aan de medewerker van S-Bank S.A.: ‘S.V.P. alle reeds verzonden faxen vernietigen, voor de zekerheid.’

2.9. Y (tot 31 december 1992 medewerker van S-Bank S.A.) heeft op 28 mei 1993 ten overstaan van de rechter-commissaris onder andere het volgende verklaard:

‘Het klopt dat ik op 1 juni 1992 een fax kreeg van T met het verzoek om de rekening die 2 dagen tevoren op naam van belanghebbende was geopend te wijzigen en te zetten op naam van U. Ik heb daar telefonisch op gereageerd en ik heb T gezegd dat dat geen zin had want het geld uit Amerika was al voor een deel ontvangen en intern bij de bank was het spoor van belanghebbende naar U en vervolgens opnieuw naar belanghebbende die dan een nieuwe rekening zou openen te volgen. Ik heb dan ook aan dat verzoek geen uitvoering gegeven. Toen belanghebbende en W op 5 juni 1992 dit bedrag in contanten kwamen ophalen heb ik hen dat ook uitgelegd.’

2.10. In het hiervoor onder 2.7. vermelde relaas van verbalisanten is onder andere nog het volgende vermeld.

‘Op 2 juni 1992 ontvangt S-Bank S.A. wederom een fax van T met de volgende tekst:

Cashflow:

reeds binnen $ 1 mio

woensdag a.s. $ 2.7 mio

U en belanghebbende willen a.s. vrijdag jullie kantoor bezoeken. Indien jullie f 1.3 mio aan contanten kunnen beschikken. Laat mij weten, indien eerder is ook oke (coupures van f 1000,=). De gevraagde verklaring zullen de heren in Lux. ondertekenen. Hierbij ook per fax kopies pasp. van beide heren. De echte kopies zal ik naar te toe sturen.

Tevens ontvangt S.Bank S.A.op 12 juni 1992 wederom een fax van T met de volgende tekst:

We komen f 900.000,= (900/1000) per 22/6 in Luxemburg ophalen, kan niet wachten tot juli. $ 2.550 m (laatste zending).

(.....)

Volgens het rekeningoverzicht van de bankrekening met het nummer 22.222.2 heeft er op 4-6-92 een "Barauszahlung" plaatsgevonden voor een bedrag van 1.301.950,=. Op 5 juni 1992 is in Luxemburg aan belanghebbende f 1.300.000,= cash uitgekeerd welk bedrag afkomstig was van rekeningnummer 22.222.2. De kwitantie voor ontvangst is ondertekend met de handtekening van belanghebbende. Tevens is volgens het rekeningoverzicht op 11 juni 1992 een bedrag van 410.000,= overgeboekt naar T.’

2.11. Als bewijsmiddel is in het arrrest van de Hoge Raad voorts gebezigd een fotocopie van een reçu van de S-Bank S.A., waaruit blijkt dat op 18 juni 1992 f.900.000 cash is uitbetaald.

2.12. In het onder 2.7. vermelde relaas van de daar bedoelde verbalisanten is voorts onder meer nog het volgende vermeld:

‘Op 21 juli 1992 is door V, op verzoek van T een bedrijf opgericht genaamd

C Corp., gevestigd P.O.Box , British Virgin

Island. Beneficial eigenaren van dit bedrijf zijn

W

(.....)

belanghebbende

(.....)

V

(.....)

(.....)

Op 21 juli 1992 is tevens voor het bedrijf C Corp. een bankrekening geopend

bij de S-Bank S.A. te Luxemburg. Het rekeningnummer van dit bedrijf is 33333.3. Als

gemachtigden op deze rekening zijn de bovengenoemde personen W, belanghebbende, T en

V.

Op 24 juli 1992 wordt door de S-Bank S.A. een fax ontvangen welke is ondertekend door

belanghebbende, waarin opdracht wordt gegeven het batig saldo van de rekening 22.222.2 over te boeken naar de rekening van C-Corp, rekeningnummer 33333.3, waarna de rekening

22.222.2 moet worden opgeheven en de daarbij behorende persoonlijke bescheiden uit het

dossier moeten worden verwijderd.

Blijkens de bescheiden van S-Bank S.A. worden op 12 augustus 1992 van de rekening met

het nummer 22.222.2 (rekening van belanghebbende privé) twee bedragen, groot US $ 1.338.605.19

en DFL 1.377.321,33 overgeboekt naar de rekening met het nummer 33333.3 van C Corp.

Op 20 augustus 1992 ontvangt S-Bank S.A. een faxbericht van t waarin T een

schema bijvoegt, zoals de "organisatiestructuur van hun fiscale vehikel" er uit moet gaan

zien, namelijk:

Onder C Corp. moet een Luxemburgse Holding worden opgericht, genaamd

F Co. te Luxemburg.

Onder F Co. moet het bedrijf

E N.V. te Nederlandse Antillen worden opgericht.

Onder E N.V. moet een bedrijf in Nederland worden opgericht, welk bedrijf

nog geen naam heeft. Naast C Corp. moet een bedrijf worden opgericht in

Zwitserland, genaamd D Group S.A.

Voor al deze bedrijven worden dezelfde beneficiaires aangesteld namelijk W, belanghebbende, T en V. Het bovenstaande schema moet worden verwezenlijkt door het bedrijf van

V, genaamd (.....) te Luxemburg.

Eind augustus 1992 zijn door V al deze bedrijven opgericht met uitzondering van

D-Group S.A.

Voor al deze bedrijven zijn door V bij de S-Bank S.A. te Luxemburg bank-

rekeningen geopend (....)’

2.13. Het relaas van verbalisant K voornoemd van 7 februari 1993 houdt voorts nog het volgende in:

‘Via Interpol Den Haag is op 23 juni 1992 een telexbericht gezonden aan Interpol Jamaica

met het verzoek na te gaan of M, geboren te Jamaica op 00.00.1900,

wonende P.O.Box Jamaica W.I., bekend is.

Door de Jamaicaanse autoriteiten is op 24 augustus 1992 geantwoord dat er bij de

Jamaicaanse politie geen persoon bekend is met de naam M.’

2.14. Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende, blijkens het arrest van de Hoge Raad, onder meer als volgt verklaard:

‘Ik ben Nederlander. De afdeling clearing en banken van de B-Bank was niet

een afdeling waar ik mijn gebruikelijke bankcontacten mee onderhield. Evenmin is het

voor mij gebruikelijk op zaterdagmiddag telefonisch met een bank contact te hebben.

Ik heb 1,3 miljoen en 900.000 gulden contant opgenomen en aan M overhandigd.

U wijst mij er op dat daarvan geen kwitantie bij de stukken is.’

2.15. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek heeft belanghebbende tegenover de rechter-commissaris onder meer het volgende verklaard:

‘Ik heb de heer W in 1987 of 1988 leren kennen via een zakenrelatie van mij. We

hebben een samenwerkingsverband gehad (.....). Die samenwerking is niet goed van de

grond gekomen. W had niet veel klanten. Hij was ook erg veel op reis. (.....)

Wij gebruikten elkaars internationale contacten.

In 1990 ben ik de zaak X-Consultancies gestart met voornamelijk fiscale en

accountancy acitiviteiten. (.....)

M is in maart of april 1992 voor het eerst bij me geweest. Ik kende hem niet

en ik had ook van zijn naam nog nooit gehoord. Hij kwam op mijn kantoor aan de a-

kade en was op zoek naar W. W was op dat moment echter niet

in Nederland. W heeft mij later verteld dat hij M enige jaren geleden

had ontmoet op een conferentie in Jamaica. Ik beschrijf M als volgt: hij zei

dat hij ‘6 foot 1 inch’ lang was. Dat staat voor 1.82,5 m. Hij heeft een negroide huids-

kleur, kort kroeshaar in een scheiding gekamt. Hij spreekt met een Jamaicaans accent.

Ik schat zijn leeftijd tegen de 30, misschien iets ouder.

M en ik raakten in gesprek. Hij vertelde mij over zijn plannen die van dien aard

waren dat hij mij een wereldveroveraar leek, maar ik verbaasde me daar niet al te zeer

over want ik heb wel meer mensen op mijn kantoor langs gehad die fantastische

verhalen in verband met hun financiele plannen vertelden.

Vanaf maart 1992 heb ik M, denk ik 12 tot 14 keer ontmoet. Dat was altijd op

mijn kantoor. Ook heb ik internationaal met hem getelefoneerd, bijvoorbeeld op

Jamaica in een hotel in Ocho Rios, ook op Curacao. M stelde mij voor dat ik zijn

‘Treasurer’ zou worden. Hij had een bedrag van $ 10 miljoen ter beschikking, over welk

bedrag hij mij het beheer aanbood. Hij zei niet speciaal hoe hij aan dat bedrag was gekomen,

maar wel dat hij in het algemeen zijn geld verdiende met het verkrijgen van provisies uit

contracten bij de totstandkoming waarvan hij bemiddelde alsook uit zijn eigen handels-

activiteiten. Ik heb ervaring met het beheren van vermogens. Dat is een deel van mijn werk.

Daarop is het tussen M en mij tot een "financial services agreement" gekomen.

Ik heb die overeenkomst schriftelijk vastgelegd.

(....)

Het klopt dat deze overeenkomst niet is gedateerd. Dat hoefde voor mij niet. Het was

louter een summiere vastlegging van de afspraak tussen M en mij. Ik meen dat deze

overeenkomst is getekend eind april, begin mei 1992. Aan deze ondertekening zijn 3 a 4

gesprekken met M voorafgegaan.

De persoon van M heb ik niet via referenties of iets dergelijks gechecked. Dat doe ik

gelet op mijn ervaring niet. Het is een ondoorzichtige materie dus vind ik het zinloos. Ik ben

met M in zee gegaan omdat hij door zijn optreden en hetgeen hij vertelde, bijvoorbeeld

over zijn contacten op regeringsniveau in Jamaica, mij voldoende vertrouwen inboezemde

en ook omdat W hem bleek te kennen en W mij verteld had dat hij op hoog niveau

zaken deed. Ik voeg daar aan toe dat mede gelet op de afspraak tussen M en mij ik niet

zoveel belang hechtte aan het nachecken van de man. Hij bracht immers zijn geld in en

droeg daarmee het volledige risico. Ik had geen enkel risico.

Voor mijn werkzaamheden bedong ik een provisie van $ 750.000 dollar. Het beheer van het

geld van M zou een periode van 3 jaar beslaan. Het klopt dat die periode niet in de

overeenkomst is vermeld. Dat hoefde voor mij ook niet omdat mijn provisie 2,5 procent

per jaar zou zijn. Het bedrag van $ 750.000 is daar het resultaat van. Daarin ligt de 3 jaars-

periode besloten. Ik kwam op die 2,5 procent op jaarbasis omdat ik M voorhield dat

ik voor een rendement van 15 procent op jaarbasis kon zorgen door middel van diverse

beleggingen. Ik had daarbij verschillende projecten voor ogen die ik met gebruikmaking

van een kasvennootschap zou gaan opzetten.

Ik meen dat ik in mei 1992, wanneer weet ik niet precies, W heb verteld dat M bij

mij langs was geweest en dat ik een bedrag van $ 10 miljoen voor hem zou gaan beheren.

Ik herinner me dat ik toen niet zeker wist of M wel woord zou houden. Ik dacht ik moet

het eerst zien.

Ik meen dat ik omstreeks 21 mei 1992 -het was in ieder geval na mijn verjaardag- van M

hoorde dat hij een bedrag had overgemaakt, dat via een zekere R, woonachtig op de

Bahama’s, naar Luxemburg zou worden overgemaakt. Ik heb me tot op de dag van vandaag

afgevraagd waarom M daar R voor nodig had. Het had immers ook rechtstreeks

gekund, maar waar M het geld had staan weet ik niet. Het was M’s bedoeling dat

ik een bank in Luxemburg zou noemen, naar welke bank het geld zou moeten worden

overgemaakt. Dat zijn was uitdrukkelijke instructie. Ik meen dat hij Luxemburg koos in

verband met het daar geldende bankgeheim. Ik heb hem erop gewezen dat, als ik het geld

voor hem zou moeten beheren, het geld op mijn naam zou komen maar dat vond hij geen

bezwaar.

Daarop heb ik T ingeschakeld. T was werkzaam als beleggingsadviseur. Ik

heb hem gevraagd naar een beleggingsbank in Luxemburg die hij mij kon aanbevelen. Ik had

over de naam van de bank geen enkele instructie van M. Dat hij de naam S-Bank S.A.

in een zich bij de stukken bevindende op 22 april 1992 gedateerde brief aan R heeft

genoemd kan wel zijn, maar daar wist ik niets van. Ik weet van T dat hij de S-Bank S.A.

als een solide bank beschouwde. Ik meen dat het gesprek daarover met T in aanwezigheid

van W eind april begin mei 1992 plaatsvond. Ik heb T alleen gezegd dat W en ik

over een groot bedrag zouden gaan beschikken. We hebben met T gesproken over de

procedure en over beleggingscriteria. Ik heb hem niet gezegd van wie het geld afkomstig

was. Ik heb dat geheim gehouden uit concurrentie-overwegingen. (.....)

Mijn reden om W bij mijn beheersactiviteiten voor M te betrekken lag in het feit

dat W de internationale contacten had waaronder het contact met R op de Bahama’s,

wie ik naar ik van W had begrepen in de lobstertailbusiness zat.

Zelf heb ik trouwens R nooit ontmoet en nooit zaken met hem gedaan. Ik had hem wel

eens aan de telefoon als hij belde voor W. Ik zou niet weten hoe hij eruit ziet.

Het moment dat M mij vertelde dat het met het geld in orde was moet liggen voor 29

mei 1992. Op die dag namelijk had ik een bespreking met T en Y in een

hotel. Ik herinner mij dat ik toen de formaliteiten voor het

openen van een rekening heb vervuld, door handtekeningen te zetten op bankformulieren,

waaronder een anti-drugsverklaring. (.....)

Als u zegt dat ik de anti-drugsverklaring heb getekend op 5 juni 1992 dan kan dat wel

kloppen. Op die dag was ik in Luxemburg op bezoek bij de bank om een bedrag in contanten

van mijn rekening op te halen. Dat deed ik op instructie van M. Ik herinner mij

dat het om een bedrag van f.1.300.000 ging. Later in de maand heb ik nog een bedrag van

f.900.000 bij de bank opgehaald. Beide bedragen heb ik in contanten overhandigd aan

M. Ik heb daarna nog meer contante opnames in Luxemburg gedaan, alle in opdracht

van M.

(.....)

U houdt me voor dat ik doordat ik het geld op een rekening met mijn echte naam liet storten,

wel fiscaal risico liep. Dat klopt. Dat realiseerde ik me ook toen ik hoorde dat het geld naar

de S-Bank S.A. onderweg was. Ik had er geen behoefte aan om over depositorente

belasting te betalen. Toen ik daar met W over sprak liet hij mij twee fotocopieen van

een paspoort zien en zei: jouw fiscaal probleem is opgelost. Ik ben er toen mee accoord

gegaan dat bij de S-Bank S.A. een rekening op naam van de man in het paspoort,

U, zou worden geopend, waarvoor ik samen met W, die met de

handtekening van U tekende een verklaring heb ondertekend maar alras waren

wij het er niet meer mee eens. Ik kwam op dat idee terug. Het zou slechts een tijdelijke

oplossing betekenen. De fotocopieen van het paspoort van U had ik toen al naar

T gefaxd. Ik heb hem een dag later gebeld en gevraagd de tenaamstelling van de

rekening U terug te draaien en het geld op mijn naam te laten staan. T heeft

toen voorzover ik weet deze kwestie telefonisch met Y kortgesloten.

Het plan met C-Corp, de door V naar voren geschoven

vennootschap met statutaire zetel op de Maagdeneilanden, was bedoeld als kasvennootschap

voor het beheer van zowel de gelden van M, alsook mijn eigen provisie, te weten de

$ 750.000. Het bedrag, dat in juni 1992 bij de S-Bank S.A. op mijn rekening stond, is toen

op mijn instructie naar een eveneens bij de S-Bank S.A. op naam van C-Corp geopende

rekening overgemaakt. Dat was het bedrag dat na de contante opnames voor M

overbleef. (.....)’

2.16. Onder de stukken bevindt zich een copie van een ‘financial services agreement’ met de volgende inhoud:

‘I hereby agree to pay to (naam belanghebbende) the sum of USD 750.000,--

(sevenhunderd and fifty thousand U.S.dollars) for financial management of his Investment

portfolio in the sum of annually USD 10,000,000.00 (ten million U.S. dollars).

I hereby declare that this funds have not been derived from drugstransactions, weapons or

any other illegal activity.

I hereby give full power of attorney to ‘belanghebbende’ to act on my behalf,’

Onder voormeld stuk staat de naam "M" en op de stippellijn boven deze naam staat een handtekening die kan worden gelezen als M.

2.17. Onder de stukken (bijlage 3 bij de aanvulling op het beroepschrift) bevinden zich kopieën van een viertal kwitanties met de volgende tekst:

received from (naam belanghebbende)

dutch florins (NLG) 1.300.000.-(one million three honderd thousand guilders)

mr. M

received from (naam belanghebbende)

dutch florins (NLG) 900.000,-- (nine hundred thousand guilders)

mr. M

received from (naam belanghebbende)

dutch florins (NLG) 200.000,-- (two hundred thousand guilders)

mr. M

received from (naam belanghebbende)

dutch florins (NLG) 200.000,-- (two hunderd thousand guilders)

mr. M

Alle kwitanties hebben een handtekening op de stippellijn onder de naam "M" die kan worden gelezen als M.

2.18. De oorspronkelijk voor het onderhavige jaar aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is gedagtekend 31 december 1994. Hiertegen heeft belanghebbende op 1 april 1995 een bezwaarschrift ingediend waarop de inspecteur met dagtekening 4 augustus 1995 uitspraak heeft gedaan. Bij het bezwaarschrift was als bijlage een ingevuld aangiftebiljet gevoegd dat is gedagtekend april 1995 en waarin een belastbaar inkomen is vermeld van f.23.965; aangegeven is als inkomsten uit arbeid (vóór aftrek beroepskostenforfait) een bedrag van f.29.297 en een bedrag van f.4.605 als winst uit onderneming.

2.19. Belanghebbende heeft op 21 maart 1997 een bespreking gehad ter inspectie; tijdens die bespreking heeft belanghebbende melding gemaakt van het feit dat hij veroordeeld was en voor welke feiten. Naar aanleiding daarvan is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

3. Geschil

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen.

s sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord: is sprake van kwade trouw bij belanghebbende?

Is de onderhavige navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

4. Standpunten van partijen

Hiervoor verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zittingen is daaraan -zakelijk weergegeven- nog het volgende toegevoegd.

door of namens belanghebbende

Ik bestrijd dat er inkomsten zijn genoten als door de inspecteur gesteld.

De vraag of al dan niet sprake is van valse handtekeningen is essentieel.

door de inspecteur

In de landelijke pers worden bij strafzaken slechts initialen vermeld van verdachten. Daarmee kun je niet iemand identificeren.

Belanghebbende dient zijn verhaal over M te bewijzen.

Voor de omvang van de genoten inkomsten ben ik teruggevallen op de financial agreement. Voor mij staat vast dat belanghebbende het daarin genoemde bedrag heeft ontvangen. Er is overigens wel twijfel met betrekking tot de authenticiteit van die agreement.

Ik betreur overigens dat de fiscus op bepaalde punten slordig is geweest in de behandeling van belanghebbende.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de stelling van de inspecteur dat hij eerst na de bespreking met belanghebbende in maart 1997 op de hoogte is gekomen van het feit dat belanghebbende strafrechtelijk was veroordeeld en waarvoor. Anders dan belanghebbende stelt, is niet aannemelijk geworden dat de Fiod bij de strafzaak tegen belanghebbende betrokken is geweest en/of daarin is gekend.

Het Hof acht aannemelijk dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, geen sprake is van een beleid op grond waarvan de Fiod tenlasteleggingen renseigneert aan de belastingdienst. Voorts is niet aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval door de Fiod aan de inspecteur melding is gemaakt van de strafzaak tegen belanghebbende. Evenmin kan die strafzaak als "feit van algemene bekendheid" worden beschouwd, zoals belanghebbende heeft gesteld.

In de aangifte die als bijlage bij het bezwaarschrift van 1 april 1995, tegen de primitieve aanslag, was gevoegd heeft belanghebbende in het geheel geen melding gemaakt van zijn activiteiten ten behoeve van M en evenmin van het bestaan van de met M gesloten financial services agreement, wat daar overigens van moge zijn.

Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De vraag of sprake was van kwade trouw van belanghebbende behoeft voor dat geval geen beantwoording.

5.2. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet dat op 25 februari 1993 is uitgereikt eerst ingediend in de bezwaarfase met betrekking tot de primitieve aanslag voor het onderhavige jaar. Reeds om deze reden is het Hof van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan.

Ingevolge het bepaalde in artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt het beroep dan afgewezen tenzij gebleken is, dat en in hoeverre de uitspraak of de belastingaanslag onjuist is.

5.3. Het ligt derhalve op de weg van belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat de onderhavige navorderingsaanslag niet in stand kan blijven. In dat bewijs is belanghebbende niet geslaagd. Daarbij neemt het Hof het volgende in aanmerking.

5.4. De financial services agreement met M is niet gedateerd. Tegenover de rechter-commissaris heeft belanghebbende verklaard dat hij meent dat de overeenkomst is getekend eind april, begin mei 1992. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst authentiek is en dat M bestaat. In zijn eigen visie heeft belanghebbende, gelet op zijn stellingen en verklaring tegenover de rechter-commissaris, derhalve in het onderhavige jaar recht gehad op US $ 250.000, althans tenminste US $ 166.000 (8/12 x 250.000) provisie. Belanghebbende heeft gesteld dat dit bedrag niet vorderbaar was en dat hij niets heeft ontvangen.

5.5. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de persoon M bestaat. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking hetgeen onder 2.12. is vermeld. De verklaring die belanghebbende tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd acht het Hof niet geloofwaardig. In zakelijke relaties is het ongebruikelijk dat bedragen met een omvang als gesteld, in casu f.200.000 tot f.1.300.000 van hand tot hand gaan op de wijze als door belanghebbende gesteld. Onaannemelijk moet worden geacht dat bij een bedrag van US $ 10 mio slechts een ongedateerde overeenkomst wordt opgesteld tussen de betrokken partijen die vervolgens slechts wordt ondertekend door één der partijen. De in kopie overgelegde kwitanties zijn ongedateerd. Geen verklaring is gegeven voor het feit dat op de kwitantie waarbij M verklaart f.1.300.000 te hebben ontvangen van belanghebbende sprake is van ‘one million three honderd thousand guilders’ terwijl de tekst overigens in de Engelse taal is gesteld. Deze omstandigheden leiden het Hof tot het oordeel dat ernstig moet worden getwijfeld aan de authenticiteit van zowel de financial services agreement als de betreffende kwitanties.

5.6. Gelet op hetgeen hiervoor is vermeld onder 2.2. tot en met 2.14, een en ander in onderlinge samenhang bezien, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende betrokken is geweest bij verschillende transacties met omvangrijke bedragen en voorts dat hij betrokken is geweest bij verschillende vennootschappen. Het Hof acht tevens aannemelijk dat belanghebbende terzake van zijn vorenbedoelde betrokkenheid ruimhartig is beloond. Op grond van het voorgaande acht het Hof voldoende aannemelijk dat belanghebbende in het economische verkeer diensten heeft verricht en dat hij daarmede voordeel heeft behaald. Te dezen staat vast dat belanghebbende heeft kunnen beschikken over de bedragen van US $ 1 mio en US $ 2,55 mio die waren gestort op een bankrekening bij S-Bank S.A. waarover hij kon beschikken en waarover hij ook heeft beschikt door f.1.300.000 en f.900.000 contant op te nemen in het onderhavige jaar. Over de herkomst van deze gelden heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof slechts ongeloofwaardige verklaringen gegeven. Het Hof neemt mede in aanmerking dat de verklaringen van belanghebbende dezelfde periode beslaan als de periode die hiervoor onder de feiten is weergegeven met betrekking tot het bedrag dat op frauduleuze wijze is afgeboekt van de B-Bank/A-trust en dat van het laatstbedoelde bedrag uiteindelijk in totaal US $ 3.550.000 (US $ 1 mio en US $ 2,55 mio) is overgeboekt naar de hiervoor genoemde rekening van belanghebbende bij S-Bank S.A..

Nu belanghebbende de bedragen van f.1.300.000 en f.900.000 in contanten heeft opgenomen is het Hof van oordeel dat deze bedragen ook door belanghebbende zijn genoten in de zin van artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aangetoond.

5.7. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet overtuigend heeft aangetoond dat de uitspraak van de inspecteur en de navorderingsaanslag niet in stand kunnen blijven. Niet gebleken is dat de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het Hof volgt hierbij de inspecteur in zijn stelling dat tot een bedrag van f.53 terzake van een te laag toegepast arbeidskostenforfait interne compensatie kan plaatsvinden. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag is het belastbare inkomen immers -slechts- met f.1.312.500 verhoogd, terwijl het Hof (onder 5.6. hiervoor) aannemelijk heeft geacht dat een bedrag van f.2.200.000 door belanghebbende is genoten.

In het midden kan blijven of het bedrag van f.1.312.500 (plus f.53) dient te worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 22, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dan wel als winst uit de door belanghebbende gedreven onderneming, nu belanghebbende in het aangiftebiljet aangegeven heeft dat hij geen toevoeging wil doen aan de fiscale oudedagsreserve en de zelfstandigenaftrek reeds bij het vaststellen van de primitieve aanslag in aanmerking is genomen, zodat een en ander geen gevolgen heeft voor de hoogte van de aanslag.

5.7. Het Hof komt tot de slotsom dat het gelijk aan de inspecteur is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 6 oktober 2000 door mr Faase, in tegenwoordigheid van mr Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.