Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:2

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2000
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
23-001323-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft haar vijfjarige dochterje opzettelijk en met voorbedachte rade om he tleven gebracht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 1998-07-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrestnummer 1591/00

rolnummer 23-001323-99

datum uitspraak 5 september 2000

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op liet hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te

Utrecht van 18 mei 1999 in de strafzaak onder parketnummer 16/110685-98 tegen

De verdachte,

geboren te A op B,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd Pl Toorenburg, unit Amerswiel, Heerhugowaard.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 mei 1999 en in hoger beroep van 21 december 1999 en 22 augustus 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

zij op of omstreeks 27 juli 1998 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht,

opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk C van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk,

een of meermalen een of meer pillen en/of capsules, althans (een)

medicijn(en), bevattende Oxazepam, althans een verdovende en/of

(spier)verlammende) stof, toegediend aan en/of laten innemen door die

C en/of (aldus) die C buiten bewustzijn gebracht en/of bedwelmd en/of versuft en/of

een of meermalen (met kracht) (-al dan niet met gebruikmaking van een of meer

(hard(e)) voorwerp (en)-) op/tegen het hoofd van die C geslagen en/of gestampt en/of getrapt en/of geschopt en/of een of meermalen (met kracht) het hoofd van die C tegen/op

» •• .

een of meer (hard(e)) voorwerp(en)/object(en) en/of de grond geslagen,

in elk geval uitwendig, mechanisch botsend geweld heeft uitgeoefend. op/tegen

hoofd van die C en/of

die C verstikt en/of doen stikken (-al dan niet door het brengen/duwen van zand, althans-grond, in de mondholte en/of keelholte en/of slokdarm en/of luchtpijp, althans het lichaam, van die C-),

althans een of meer handelingen verricht die de luchttoevoer voor die C hebben belemmerd in elk geval een of meer handelingen verricht die die C het ademen onmogelijk hebben gemaakt,

in elk geval een of meer (levensontnemende) (gewelds)handelingen) gepleegd

ten. aanzien van (het hoofd en/of het lichaam) die C,

tengevolge waarvan voornoemde C (door (een combinatie van) (ernstig) hoofdletsel en/of verstikking) is overleden;

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee met verenigt.

De bewijslevering

De raadsman, mr. Damman, heeft zakelijk weergegeven als verweer gevoerd dat uit het rapport

d.d. 16 oktober 1998 van forensisch entomoloog J. Krikken slechts kan worden geconcludeerd

dat de dood van het slachtoffer op dinsdagochtend 28 juli 1998 is ingetreden en dat de verdachte -

die toen op het politiebureau verbleef - dus niet als dader kan worden aangemerkt.

Het hof verwerpt dit verweer, nu dit berust op een onjuiste lezing van genoemd rapport, in het

bijzonder gelet op het uit de gehanteerde bewijsmiddelen volgende tijdstip van overlijden van het

slachtoffer op 27 juli 1998 vóór zonsondergang.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten

laste gelegd, zoals is aangegeven op de aan dit arrest als bijlage gehechte - gestreepte - kopie van

de tenlastelegging. De inhoud geldt als hier ingevoegd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden

vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de

feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde

uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van 22 mei 2000, opgemaakt door J.W. Gerritsen,

psychiater en M.L. Frohn-de Winter, psycholoog. Daarin wordt zakelijk weergegeven onder

meer geconcludeerd:

- dat verdachte lijkt te lijden aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van haar

geestvermogens, in die zin dat sprake is van een narcistische persoonlijkheidsproblematiek

met borderline-trekken;

- dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in een labiele emotionele situatie verkeerde

die waarschijnlijk samenhing met haar persoonlijkheidsstructuur en haar omstandigheden;

- dat het bovenstaande haar gedragskeuzen c.q. haar gedragingen ten tijde van het

tenlastegelegde - indien bewezen - heeft kunnen beïnvloeden;

- dat het mogelijk is dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde - indien bewezen - in een

verwardheidstoestand verkeerde, mogelijk mede beïnvloed door gebruik van medicijnen, en

dat dit in hoge mate het geval kan zijn geweest;

- dat uit het bovenstaande geconcludeerd kan worden tot een verminderde toerekenbaarheid

ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2000 zijn beide rapporteurs als getuige-deskundige

gehoord en hebben zakelijk weergegeven onder meer verklaard:

- dat zij bovenstaande conclusies handhaven;

- dat zij niet uitsluiten dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde - indien bewezen -

volledig ontoerekeningsvatbaar is geweest, maar dat zij onvoldoende aanknopingspunten

zien om daartoe te concluderen.

Het hof neemt de hierboven weergegeven conclusies over en gaat er derhalve vanuit dat de

verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar was.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de

verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en

de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft haar vijfjarige dochtertje opzettelijk en met voorbedachte rade om het leven

gebracht. Gezien de kwetsbaarheid van een jong kind en zijn afhankelijkheid van zijn moeder

wordt de moord door een ouder op zijn eigen kind doorgaans gezien als één van de meest

gruwelijke en onbegrijpelijke misdrijven. De rechtsorde is hierdoor dan ook ernstig geschokt.

Het hof heeft kennis genomen van de eerder in deze strafzaak omtrent verdachte uitgebrachte

(deskundigen)rapporten, een en ander als opgesomd in het vonnis van de rechtbank.

Het hof heeft onder ogen gezien of aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met

dwangverpleging zou moeten worden opgelegd. In hun genoemde rapport hebben de

deskundigen Gerritsen en Frohn-de Winter immers geadviseerd om, indien het tenlastegelegde

bewezen zou worden geacht, over te gaan tot terbeschikkingstelling van de verdachte, met

plaatsing in een forensisch psychiatrische kliniek. Het hof zal de genoemde maatregel evenwel

niet opleggen, omdat de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen of

goederen dit niet eist. Hierbij wordt in aanmerking genomen, enerzijds, dat de deskundigen in

hun rapport in dezen tot niet meer hebben geconcludeerd dan dat “een zekere mogelijkheid tot

recidive niet uitgesloten” is en dat zij daaraan ter terechtzitting in hoger beroep hebben

toegevoegd de kans op herhaling niet zeer groot te achten, anderzijds, dat verdachte, blijkens

een haar betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 18 november 1999,

nimmer eerder wegens misdrijf is veroordeeld.

Het hof neemt ook bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking dat de verdachte, zoals uit

genoemd uittreksel uit het justitieel documentatieregister blijkt, niet eerder is veroordeeld.

Voorts was de verdachte, als gezegd, ten tijde van het bewezenverklaarde verminderd

toerekeningsvatbaar.

Tenslotte heeft te gelden dat het het hof bij de behandeling in hoger beroep genoegzaam

aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit in wanhoop

heeft gehandeld, dat zij thans groot verdriet heeft om de dood van haar dochtertje en zeer veel

tijd nodig zal hebben om die dood ook maar enigszins te kunnen verwerken, mede reden

waarom, ondanks de ernst van het feit, zal worden volstaan met de oplegging van een

gevangenisstraf van na te noemen duur.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit zoals

hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste

gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE JAREN EN ZES

MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde v66r de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde

gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te

Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Walkate, Smit en Verheul, in tegenwoordigheid van

Tieman als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5

september 2000.

Mr. Walkate is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zij op 27 juli 1998 te Utrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade, C van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

een medicijn bevattende Oxazepam toegediend aan en/of laten innemen door die C en aldus die C versuft en uitwendig mechanisch botsend geweld uitgeoefend op/tegen het hoofd van die C en een of meer handelingen verricht die de luchttoevoer voor die C hebben belemmerd, in elk geval een of meer handelingen verricht die die C het ademen onmogelijk hebben gemaakt,

tengevolge waarvan voornoemde C door (een combinatie van) ernstig hoofdletsel en verstikking is overleden.