Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AN8885

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
25-11-2003
Zaaknummer
0099/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende had mogelijk ten tijde van de invoer een beroep kunnen doen op toepassing van het tariefcontingent. Zij heeft echter verzuimd op de aangifte de daarvoor vereiste code te vermelden waaruit zou moeten blijken dat zij een beroep wenste te doen op toepassing van het binnen het kader van een tariefcontingent geldende tarief van 0%. Door deze omissie, waarvoor belanghebbende geheel en al het risico draagt, is geen preferentie toegepast. Het beroep van belanghebbende op artikel 220 CDW faalt omdat in casu geen sprake is van een navordering, maar van de toepassing van artikel 201 CDW: het brengen van aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer. Bij de indiening van het verzoek om teruggaaf heeft belanghebbende een invoercertificaat overgelegd dat reeds geheel benut was. Nu geen ander certificaat met nog aanwezige preferentieaanspraak is overgelegd, is het verzoek om teruggaaf terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0099/98 TC

de dato 24 augustus 1999

1. De procedure

1.1. Op 2 juli 1998 is een beroepschrift ingekomen van A. te B, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C. te D, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het Hoofd van het douanedistrict Z (hierna: de inspecteur) van 20 mei 1998, kenmerk x, betreffende het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzende beschikking van 13 november 1997, kenmerk y, op een verzoek om teruggaaf van een bedrag aan douanerechten, groot f 99.561,10.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 18 mei 1999. Belanghebbende is per aangetekende brief voor de zitting opgeroepen; zij heeft bij brief van 17 mei 1999 meegedeeld aldaar niet aanwezig te zullen zijn. Namens de inspecteur zijn verschenen K. en L. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overge-legd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 29 juli 1997 heeft belanghebbende te B onder nummer q een elektronische aangifte ten invoer tot verbruik gedaan van 3240 kartons "Bananen", van oorsprong uit de Dominicaanse Republiek. De douanewaarde bedroeg f 97.200,--; als netto gewicht is aangegeven 58.773 kg. De goederen zijn aangegeven onder post 0803 00 19 van het gemeenschappelijk douanetarief (het GDT); ten tijde van de invoer gold voor deze post een conventioneel tarief van f 169,399305 per 100 kg netto gewicht.

2.2. Bij de aangifte was een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, nummer A p, alsmede een overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de Verordening (EEG) nr. 1442/93 afgegeven invoercertificaat inzake de invoer van bananen uit ACS-landen, nummer FR A r, gevoegd. Belanghebbende heeft in de aangifte geen preferentie codes vermeld. De verificatie van de aangifte is aangehouden.

2.3. Op 8 augustus 1997 is mededeling gedaan van de beëindiging van de verificatie. De uitslag van de controle was "niet conform" omdat de ambtenaren een hoger netto gewicht hadden vastgesteld dan was aangegeven, te weten 59.724 kg. Met toepassing van het conventionele tarief werd f 99.561,10 aan douanerechten geheven.

2.4. Bij brief van 10 oktober 1997 heeft belanghebbende om gedeeltelijke teruggaaf van de geheven douanerechten verzocht, waarbij een fotokopie van het sub 2.2. vermelde invoercertificaat werd overgelegd, welk certificaat geheel was afgeboekt voor de invoer van bananen met recht op een verlaagde heffing, met als laatst vermelde afstempeldatum "2 oktober 1997".

2.5. De inspecteur heeft het verzoek bij de sub 1.1. genoemde beschikking afgewezen. Het op 17 december 1997 tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

3. Het geschil

In geschil is of de inspecteur terecht het verzoek om teruggaaf heeft afgewezen.

4. Het standpunt van belanghebbende

Bij de aangifte op 29 juli 1997 voor een partij bananen afkomstig uit de Dominicaanse Republiek is overgelegd een invoercertificaat en een certificaat EUR.1. De vakken preferentie/contingent en communautair contingent waren op deze aangifte niet ingevuld.

Ten tijde van het indienen van de elektronische aangifte is tevens een formulier "Intrastat" bij de douane ingediend. Dit formulier is mede bedoeld om de werkzaamheden van de douane bij de aangifte te vergemakkelijken en wordt als zodanig in de praktijk ook door de douane gehanteerd bij de verificatie. Op het desbetreffende formulier zijn de preferentie- en contingentcodes (120/322) wel aangegeven.

Het formulier "Intrastat" dient mede te worden beschouwd als de douaneaangifte, althans als wezenlijk onderdeel van die aangifte, zodat de douane rekening had dienen te houden met de preferentie en de contingentcodes.

In casu is sprake van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het Communautair douanewetboek (het CDW), nu de douaneautoriteiten wisten, althans konden weten dat aanspraak op toepassing van de preferentie kon worden gemaakt.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. In het kader van de gemeenschappelijke marktordening van verse bananen uit derde landen wordt jaarlijks door de EU voor marktdeelnemers een tariefcontingent opengesteld. Voor bananen uit ACS-landen worden, afhankelijk van het land van herkomst, afzonderlijke tariefcontingenten toegewezen, hetgeen de verplichting meebrengt die hoeveelheid binnen de geldigheidsduur van het certificaat in te voeren.

5.2. Bij de aangifte voor het vrije verkeer moeten alle in artikel 218 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (UCDW) vereiste bescheiden zijn gevoegd, waaronder ook de documenten die vereist zijn voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling. Het door belanghebbende ingediende formulier met de benaming "Intrastat" is een formulier dat zij gebruikt als "uitrekenbriefje" en is geen bescheid dat volgens de UCDW moet worden overgelegd.

Belanghebbende heeft een elektronische aangifte gedaan, waarbij geen verzoek is gedaan om het preferentiële tarief toe te passen. Een dergelijk verzoek dient op de aangifte te worden aangegeven door middel van het invullen van een code in de daarvoor bestemde vakken. Door het ontbreken van een code in deze vakken trekt het geautomatiseerde systeem Sagitta het algemeen tarief uit.

5.3. Het is vaste jurisprudentie van de Tariefcommissie (o.m. UTC 1997/26) dat de aangever geheel en al verantwoordelijk is voor de inhoud van de aangifte en dat zij zelf het risico draagt van omissies. In het onderhavige geval is belanghebbende niet in haar belangen geschaad omdat, zoals uit de afschrijvingen van het overgelegde certificaat blijkt, wel de totale toegewezen hoeveelheid is ingevoerd tegen het preferentieel tarief.

5.4. Het beroep dat belanghebbende doet op artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW treft geen doel; in casu is immers geen sprake van het navorderen van niet geheven rechten, maar van rechten die uitgetrokken zijn naar aanleiding van een aangifte ten invoer.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Belanghebbende had mogelijk ten tijde van de invoer een beroep kunnen doen op toepassing van het tariefcontingent. Zij heeft echter verzuimd op de aangifte de daarvoor vereiste code te vermelden waaruit zou moeten blijken dat zij een beroep wenste te doen op toepassing van het binnen het kader van een tariefcontingent geldende tarief van 0%. Door deze omissie, waarvoor belanghebbende geheel en al het risico draagt, is geen preferentie toegepast.

Het beroep van belanghebbende op artikel 220 CDW faalt omdat in casu geen sprake is van een navordering, maar van de toepassing van artikel 201 CDW: het brengen van aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer.

6.2. Bij de indiening van het verzoek om teruggaaf heeft belanghebbende, zoals blijkt uit de sub 2.4. vermelde feiten, het invoercertificaat FR A r overgelegd dat reeds geheel benut was. Nu geen ander certificaat met nog aanwezige preferentieaanspraak is overgelegd, is het verzoek om teruggaaf terecht afgewezen; de bestreden uitspraak dient derhalve in stand te blijven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De uitspraak

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 24 augustus 1999 door mr. F.H.M. Possen voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. J.J.A.M. Kennis, gewone leden, mr. M.J. Kuiper, plaatsvervangend lid en jhr.ing. K.J.L. Hesselt van Dinter, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 24 oktober 2000.