Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AN8183

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
0034/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aangifte ten invoer in het vrije verkeer volgens de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, letter c, CDW vindt plaats door de uitslag van de goederen in de administratie in te schrijven en maandelijks bij de douaneambtenaren een aanvullende aangifte in te dienen. Op grond van artikel 76, lid 3, CDW worden de inschrijvingen en de aanvullende aangifte als één enkele en ondeelbare akte aangemerkt, welke geldig is vanaf de datum van de inschrijvingen in de administratie. Van boeking kan in het geval van de onderhavige vereenvoudigde procedure pas sprake zijn nadat de ambtenaren - na ontvangst van de aanvullende aangifte - van de diverse inschrijvingen hebben kennisgenomen. Uit de systematiek van de vereenvoudigde aangifte vloeit voort dat niet elke op de aanvullende aangifte voorkomende inschrijving afzonderlijk wordt geboekt, doch dat één boeking van alle inschrijvingen tezamen plaatsvindt. Deze wijze van boeken is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 218, lid 1, tweede alinea, CDW. Indien vorenomschreven verzameling van bedragen over een vaste periode ertoe leidt dat het totaal verschuldigde bedrag meer bedraagt dan 10 ECU, dient dit bedrag in één keer te worden geboekt. Indien de boeking van dit wettelijk verschuldigde bedrag ten onrechte achterwege blijft, dient te worden nagevorderd. Gelet op de hoogte van dit bedrag is in casu geen plaats voor toepassing van de tweede volzin van artikel 868 UCDW, aldus de Tariefcommissie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0034/98 TC

de dato 24 augustus 1999

1. De procedure

1.1. op 17 maart 1998 is een beroepschrift ingekomen van mr. C te A, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict A (de inspecteur) van 3 februari 1998, nummer .., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 20 augustus 1997, nummer ..., vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 34.610,80, is afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 20 oktober 1998. Daar zijn verschenen namens belanghebbende mr. C., mr. B, E en F en namens de inspecteur drs. G en mr. H. Belanghebbende en de inspecteur hebben een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende houdt zich bezig met de inkoop, opslag en distributie van kopieerapparaten, faxen, printers en onderdelen daarvoor. De goederen worden voor het grootste deel geïmporteerd uit het Verre Oosten en opgeslagen in haar douane-entrepot, waarvoor aan belanghebbende een vergunning entrepot type E is verleend. Bij verkoop aan een afnemer in de Europese Gemeenschap worden de goederen uit het entrepot gehaald, gecontroleerd, ingepakt en verzonden. Van het op deze wijze in het vrije verkeer brengen van de goederen vindt inschrijving in de administratie plaats. Belanghebende doet in het kader van de vereenvoudigde procedure als bedoeld in artikel 76 van het Communautair douanewetboek (CDW) maandelijks een aanvullende aangifte, waarin opgave wordt gedaan van alle goederen die in die maand in het vrije verkeer zijn gebracht.

Belanghebbende heeft in juli 1997 een onderscheid gemaakt tussen de inschrijvingen van zendingen die zouden resulteren in een verschuldigd bedrag aan douanerechten van minder dan 10 ECU en in die van meer dan 10 ECU. Belanghebbende heeft bij aan de douane te Hoofddorp gerichte brief van 6 augustus 1997 medegedeeld dat in de aangifte over juli 1997 de bedragen aan douanerechten beneden de 10 ECU niet in de door haar gemaakte berekening van het te betalen bedrag aan douanerechten zijn meegeteld; het totaal daarvan bedraagt f 34.610,79. De inspecteur heeft bij de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling voormeld bedrag nagevorderd.

2.2. Tot de gedingstukken behoren:

- een brief van mr. H. van de Directie douane Rotterdam van 17 juli 1997, kenmerk ..., die luidt als volgt:

"Per 1 juni 1996 is de Nederlandse douanewetgeving herzien. Hierbij werd onder meer voorzien in een regeling dat boeking van rechten bij invoer achterwege blijft indien het totaal verschuldigde bedrag niet meer bedraagt dan 10 ECU. Deze regeling opgenomen in artikel 57 van het Douanebesluit heeft betrekking op douanerechten (als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Douanewet) en heffingen van gelijke werking, die bij invoer van goederen van toepassing zijn alsmede op landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van specifieke regelingen voor bepaalde goederen verkregen door bewerking van landbouwgoederen. De regeling heeft geen betrekking op nationale Nederlandse belastingen als omzetbelasting bij invoer en accijnzen. De regeling moet worden toegepast per artikel van een schriftelijke of electronische aangifte tot het brengen in het vrije verkeer.

Tot mijn spijt heb ik onlangs moeten constateren dat het geautomatiseerde systeem, waarin de hiervoor bedoelde aangiften worden behandeld (Sagitta invoer) niet aan deze herziening van de wetgeving is aangepast. Als gevolg hiervan is boeking slechts achterwege gebleven in die gevallen dat het totaalbedrag per artikel minder dan f 3,50 bedraagt.

Inmiddels zijn maatregelen genomen om het Sagittasysteem aan te passen. Deze aanpassing zal met ingang van 1 september 1997 worden gerealiseerd.

Het spreekt voor zich dat de als gevolg hiervan ten onrechte geboekte bedragen zullen worden gecorrigeerd. Indien ten aanzien van de door u gedane aangiften ten onrechte boeking heeft plaatsgevonden, kunt u in de maand september 1997 terugbetaling of verrekening van de teveel betaalde rechten bij invoer tegemoet zien. Een afzonderlijk verzoek om terugbetaling hoeft u niet te doen.

Ik hoop dat u met deze wijze van correctie kunt instemmen. Voor de onjuiste wijze van behandeling bied ik u mijn verontschuldigingen aan.",

- een aan belanghebbende gerichte brief van mevrouw N van het douanedistrict Hoofddorp van 29 juli 1997, nummer ..., die luidt als volgt:

"Naar aanleiding van een publicatie in Douane Update van 3 juli 1997 is er onduidelijkheid ontstaan over de boeking van rechten bij invoer. Ten aanzien van de aangifte door middel van Sagitta is een standpunt ingenomen door de directeur douane, zie tekst in In- en Uitvoernieuws van 25 juli j.l.

Voor maandaangevers (houders van een vergunning entrepot type C-Bac, type D of type E, dan wel een vergunning Domproc invoer) die periodiek opgave doen van de verschuldigde rechten bij invoer, kan artikel 57 van het Douanebesluit leiden tot onduidelijkheid. Met betrekking tot de periodieke aangifte is nog geen standpunt ingenomen door de staatssecretaris.

Vooralsnog betekent dit dat de huidige werkwijze gecontinueerd dient te worden, met andere woorden: alle regels dienen te worden aangegeven en over alle regels dienen de invoerrechten te worden betaald.".

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil of:

1. het niet boeken van douanerechten onder 10 ECU ook van toepassing is op iedere uitslag van goederen uit het douane-entrepot in het geval aangifte wordt gedaan volgens de vereenvoudigde procedure,

2. de boeking heeft plaatsgevonden in strijd met het gelijkheidsbeginsel,

3. belanghebbende, in het geval zij in het gelijk wordt gesteld, recht heeft op vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Op grond van artikel 201, lid 1, onderdeel a, juncto lid 2, CDW ontstaat, wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, een douaneschuld op het moment van aanvaarding van de desbetreffende aangifte. Voor de onderhavige volgens de vereenvoudigde procedure in de zin van artikel 76 CDW aangegeven goederen is de douaneschuld ontstaan op het moment van inschrijving van de verkoopopdracht in de administratie.

Volgens artikel 217, lid 1, eerste alinea, CDW dient elk bedrag dat uit een douaneschuld voortvloeit door de douaneautoriteiten te worden geboekt. Deze verplichting geldt ingevolge lid 1, onderdeel c, van laatstgenoemde bepaling niet indien die rechten kleiner zijn dan een bepaald bedrag. Bij artikel 868 van de Uitvoeringsverordening van het CDW (UCDW), nader uitgewerkt in artikel 57 van het Douanebesluit (DB), is dit bedrag vastgesteld op 10 ECU. Nu op het moment van aanvaarding van de aangiften vaststond van welke artikelen het bedrag van de douaneschuld minder dan 10 ECU bedroeg, zijn terecht aanvankelijk de boeking en de heffing daarvan achterwege gebleven. De uitnodiging tot betaling betreft een boeking achteraf in de zin van artikel 220, lid 1, CDW. Daarin is, anders dan in artikel 218 CDW, niet geregeld dat meerdere bedragen gelijktijdig worden geboekt. In lid 2, letter c, van dit artikel is bepaald dat de Lid-Staten niet tot boeking achteraf hoeven over te gaan, wanneer de bedragen aan rechten kleiner zijn dan een bepaald bedrag. Bij artikel 868, tweede volzin, UCDW is ook dit bedrag vastgesteld op 10 ECU.

Ieder uit een douaneschuld voortvloeiend bedrag aan rechten dat achteraf afzonderlijk moet worden geboekt, dient aan het 10-ECU criterium te worden getoetst.

4.2. Bij een gewone aangifte wordt per artikelregel de 10 ECU-grens toegepast, terwijl de boeking van de verschillende bedragen per artikel per aangifte in een keer wordt gedaan. Dit gebeurt in feite ook bij de maandaangiften. Het argument dat wordt gebruikt om bij de maandaangiften geen onderscheid naar de verschillende aangiften te hoeven maken, wordt bij de normale aangifte niet gebezigd.

Bij de sub 2.5. bij het eerste gedachtestreepje vermelde brief is medegedeeld dat de douanerechten beneden de 10 ECU, die bij de "normale" schriftelijke aangiften en bij de electronische aangiften volgens het Sagitta-systeem verschuldigd zouden zijn geworden, niet worden geheven, dan wel worden teruggegeven. Met toepassing van de vereenvoudigde procedure van aangifte wordt beoogd hetzelfde resultaat op een eenvoudiger manier te bereiken.

Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel om wel douanerechten beneden de 10 ECU te boeken indien de aangifte volgens de vereenvoudigde procedure wordt gedaan en dit niet te doen als ten aanzien van dezelfde zending op andere wijze aangifte wordt gedaan.

4.3. Met een beroep op de arresten van het Hof van Justitie van 19 november 1991, nrs. C-6/90 en C-9/90, Jur. 1991-I, blz 5357, en van 5 maart 1996, nrs. C-46/93 en C-48/93, Jur. 1996-I, blz 1029, wordt verzocht de proceskosten integraal te vergoeden. Verzocht wordt om, indien belanghebbende in zoverre het gelijk niet aan zijn zijde krijgt, daaromtrent prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te Luxemburg te stellen.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. In het geval er aangifte volgens de vereenvoudigde procedure wordt gedaan, krijgt de douane eerst kennis van de ontstane douaneschuld op het moment dat de aanvullende maandelijkse aangifte wordt gedaan. De diverse douaneschulden, die in de loop van de desbetreffende maand zijn ontstaan worden in één keer geboekt. Artikel 868 UCDW juncto artikel 57 DB beogen om redenen van efficiëncy van de boeking van kleine bedragen af te zien. Die kleine bedragen zijn derhalve wel verschuldigd, maar worden niet geboekt. Aangezien het in één keer geboekte bedrag boven de 10 ECU uitkomt, mist artikel 57 DB toepassing.

5.2. De "maandaangifte" en de "normale aangifte" zijn geen gelijke gevallen die een gelijke behandeling verdienen. Er is sprake van een verschillende proceduregang. De vereenvoudigde procedure die is beschreven in de artikelen 76, 218 en 226 CDW brengt met zich dat niet elke inschrijving in de administratie apart hoeft te worden geboekt. Als maandaangever hoeft belanghebbende de goederen niet bij de douane aan te brengen, waardoor de perceptiekosten in belangrijke mate worden gereduceerd. Veelal heeft de maandaangever de goederen in eigen beheer en opslag en verzorgt hij ook de eigen administratie en aangiften. Het is voor hem eenvoudig om zendingen te splitsen in zodanig kleine partijen dat er zo weinig mogelijk een douaneschuld zou ontstaan die groter is dan 10 ECU. De bedoeling van de communautaire wetgever zou daarmede gefrustreerd worden. Voor de gewone aangever, die meestal een douane-expediteur is, is die uitsplitsing niet mogelijk omdat dit door de hogere kosten daarvan niet door de opdrachtgever zou worden geaccepteerd.

5.3. Met betrekking tot de proceskosten acht de inspecteur geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat - in het geval belanghebbende het gelijk aan haar zijde mocht hebben - er recht zou bestaan op een integrale vergoeding van in de beroepsfase gemaakte kosten.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De boeking

6.1.1. Op grond van de tweede volzin van artikel 868 UCDW vindt geen navordering plaats van rechten bij invoer wanneer het desbetreffende bedrag lager is dan 10 ECU.

6.1.2. De aangifte ten invoer in het vrije verkeer volgens de vereenvoudigde procedure van artikel 76, lid 1, letter c, CDW vindt plaats door de uitslag van de goederen in de administratie in te schrijven en maandelijks bij de douaneambtenaren een aanvullende aangifte in te dienen. Op grond van artikel 76, lid 3, CDW worden de inschrijvingen en de aanvullende aangifte als één enkele en ondeelbare akte aangemerkt, welke geldig is vanaf de datum van de inschrijvingen in de administratie. Van boeking kan in het geval van de onderhavige vereenvoudigde procedure pas sprake zijn nadat de ambtenaren - na ontvangst van de aanvullende aangifte - van de diverse inschrijvingen hebben kennisgenomen. Uit de systematiek van de vereenvoudigde aangifte vloeit voort dat niet elke op de aanvullende aangifte voorkomende inschrijving afzonderlijk wordt geboekt, doch dat één boeking van alle inschrijvingen tezamen plaatsvindt. Deze wijze van boeken is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 218, lid 1, tweede alinea, CDW.

6.1.3. Indien vorenomschreven verzameling van bedragen over een vaste periode ertoe leidt dat het totaal verschuldigde bedrag meer bedraagt dan 10 ECU, dient dit bedrag in één keer te worden geboekt. Indien de boeking van dit wettelijk verschuldigde bedrag ten onrechte achterwege blijft, dient te worden nagevorderd. Gelet op de hoogte van dit bedrag is in casu geen plaats voor toepassing van de tweede volzin van artikel 868 UCDW.

6.2. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel

In het sub 6.1. overwogene is reeds tot uiting gebracht dat er - voor zover hier van belang - twee verschillende wijzen van aangeven zijn, welke tot een verschillende behandeling ten aanzien van de boeking van douanerechten kunnen leiden. Nu deze situatie het gevolg is van uitdrukkelijk in het systeem van het CDW opgenomen regelingen kan niet worden geoordeeld dat de inspecteur gelijke gevallen ongelijk zou hebben behandeld.

6.3. Conclusie

Hetgeen hiervoor onder 6.1. en 6.2. is overwogen, leidt tot de conclusie dat het gelijk aan de inspecteur is.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 24 augustus 1999 door mr. F.H.M. Possen, ondervoorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. J.W.M. Tijnagel, gewone leden, dr. J. Heemskerk en mr. A. Bijlsma, buitengewone leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De ondervoorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 14 december 1999.