Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AN7407

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
0003/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van het beschreven productieproces en de diverse verklaringen wordt als vaststaand aangenomen dat de ingevoerde goederen (kalkoenvlees) niet gekruid, doch slechts gezouten zijn. Op grond daarvan wordt geoordeeld dat de goederen geen bereiding hebben ondergaan, die indeling onder post 1602 van het GDT rechtvaardigt. Bij de afgifte van de BTI's hebben de ambtenaren niet het vertrouwen gewekt dat ook het vlees, waar de onderhavige maandaangiften op zien - zonder voorbehoud en ongeacht het karakter van het vlees - in de post van die BTI's zou worden ingedeeld. De ambtenaren hebben geen vergissing begaan, en het stond hen vrij om - na een warenonderzoek - de posten van de maandaangiften te wijzigen. Naar het oordeel van de Tariefcommissie voldoen de goederen aan de bewoordingen van post 0207 27 10 van het GDT en dienen de goederen derhalve onder die post te worden ingedeeld. In casu is belanghebbende voor de ontstane douaneschuld medeaansprakelijkheid aangezien zij -als opdrachtgever- een leidende rol heeft gespeeld bij de tot standkoming van de foutieve aangifte, die de douane naderhand moest corrigeren. Geoordeeld wordt dat belanghebbende als ervaren marktdeelnemer wist of redelijkwijs had moeten weten dat de door haar aangedragen gegevens niet tot de omstreden tariefpost hadden kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0003/98 TC

de dato 24 augustus 1999

1. De procedure

1.1. Op 7 januari 1998 is een beroepschrift ingekomen van mr. A,van B, belastingadviseurs te C, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V. te X, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict P (hierna: de inspecteur) van 18 december 1997, kenmerk xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de indeling in het Tarief van invoerrechten (GDT) werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 12 januari 1999. Daar zijn namens belanghebbende verschenen mr. A voornoemd, mr. R en mr. S, advocaat van belanghebbendes leverancier, Y. Ltd. in Z; namens de inspecteur is verschenen mr. Q.

1.3. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De pleitnota van de inspecteur is voorzien van twee bijlagen, te weten een exemplaar van een door het Douanedistrict O afgegeven bindende tariefinlichting (BTI), alsmede een afschrift van een op 5 oktober 1998 voor de Arrondissementsrechtbank te O opgenomen proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor van K, declarant van L , en van U, douaneambtenaar van het douanedistrict P.

2. De vaststaande feiten

2.1. L heeft via haar entrepot type C-bac, in opdracht van belanghebbende, vanaf 1995 op koosjere wijze geslacht en bevroren kalkoenvlees, zonder been, van oorsprong en van herkomst uit Z, ingevoerd. De aangegeven tariefpost was steeds post 1602 31 11 van het GDT; voor deze post gold voor de periode oktober 1995 tot en met juni 1996 een douanerecht van 15,6% en over de periode juli 1996 tot en met februari 1997 een recht van 14,2%; totaal heeft belanghebbende over voornoemde periode een bedrag van f 2.589.264,10 aan douanerechten betaald.

2.2. Op 15 augustus 1995 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om een achttal BTI's voor koosjer bereid en gezouten kalkoenvlees, niet gekookt en niet gebakken; zij verzocht indeling onder post 1602 31 11 van het GDT.

Tot de gedingstukken behoort een bij voornoemde aanvraag gevoegde verklaring inzake de beschrijving van het proces van het koosjer slachten.

Onder punt 5 vermeldt deze verklaring het navolgende:

"5. Nadat uiteindelijk de ingewanden verwijderd zijn wordt de kalkoen in een tank met een zoutmassa op lichaamstemperatuur van de kalkoen ondergedompeld gedurende één uur. Hierdoor wordt het vlees gereinigd van alle bloedresten, haarvaatjes, bacteriën, etc. Door deze bewerking/veredeling van het kalkoenvlees wordt een hoogwaardig gezouten vleesproduct bereid."

In de kopie waarover de Tariefcommissie beschikt is na het woord "zoutmassa" met de pen de tekst "en gemengd met kruiden" toegevoegd, waarbij in de kantlijn een paraaf is geplaatst met de woorden "gebeld d.d. 11/10/95".

2.3. Tot de gedingstukken behoort eveneens een door V en W, ambtenaren van de Belastingdienst, douanedistrict O, op ambtseed afgelegde verklaring; hierin is onder meer het volgende vermeld:

"De verzoeken werden mondeling besproken met (...) de rechthebbende. De rechthebbende stelde de indeling in hoofdstuk 16 van de douanenomenclatuur voor. Door ons is meegedeeld dat voor indeling in dit hoofdstuk het vlees voldoende gekruid dient te zijn. Volgens de rechthebbende zou dit het geval zijn bij de koosjere slachtwijze. Hierop is de rechthebbende verzocht een beschrijving van het slachtproces toe te zenden ter aanvulling van de verzoeken. Hierna werd een beschrijving aan het Douanedistrict gezonden, opgemaakt te X en gedateerd 14 augustus 1995 en ondertekend door de rechthebbende.

Uit deze beschrijving van het slachtproces bleek niet dat het kalkoenvlees gekruid was. Hierop is door tweede relatant op 11 oktober 1995 met de rechthebbende telefonisch contact gezocht. In het gesprek antwoordde de heer T op de vraag van tweede relatant, waar de voor indeling in hoofdstuk 16 vereiste wijze van kruiden van het vlees heeft plaatsgevonden, dat in punt 5 van de verklaring, waar sprake is van een onderdompeling in een tank met een zoutmassa, eveneens kruiden in de zoutmassa aanwezig zijn, zodat het vlees voldoende gekruid is om voor indeling in hoofdstuk 16 in aanmerking te komen. Door tweede relatant is dit - verkort - aangetekend op de overgelegde verklaring."

2.4. Op 19 oktober 1995 zijn vervolgens voor een achttal verschillende kalkoenproducten BTI's afgegeven. In elk van deze BTI's is onder punt 7 een omschrijving van de kalkoenproducten vermeld; deze omschrijving begint voor alle producten met de woorden "Gezouten en gekruide ...". Goederen die aan vorenstaande omschrijving voldoen dienen volgens punt 6 van de BTI's ingedeeld te worden onder post 1602 31 11 van het GDT.

Belanghebbende heeft tegen de afgegeven BTI's geen bezwaar gemaakt.

2.5. Voorts behoren tot de gedingstukken:

a. de navolgende door de FIOD, Afdeling opsporing te P, op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van verhoor:

1) T heeft op 7 februari 1997 - zakelijk samengevat - tegenover E en F, ambtenaren van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD, beiden aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar ter standplaats P, het volgende verklaard:

"Ik ben financieel directeur van het bedrijf genaamd D B.V. Het kalkoenvlees wat wij uit Z betrekken is koosjer. Dit is een proces dat doelt op de slachtwijze en op de bereidingswijze. De bereiding in Z bestaat uit het onderdompelen van het geslachte vlees in een zoutbad. Dit zoutbad heeft de lichaamstemperatuur van de geslachte kalkoen. Dit gebeurt onder toezicht van het rabbinaat. U vraagt mij of er in Z kruiden worden toegevoegd aan het geslachte vlees. Ik kan verklaren dat er na 20 september 1995 geen kruiden meer zijn toegevoegd aan het geslachte kalkoenvlees in Z wat wij hebben ingevoerd via de maandaangifte van L.

In de periode van 3 augustus 1995 tot 20 september 1995 hebben wij echter gekruid vlees ingevoerd wat afkomstig is uit Z. Wij hebben echter vanaf oktober 1995 het koosjere vlees laten invoeren onder tariefpost 1602, omdat het vlees volgens ons een bereiding heeft ondergaan. Dit na afgifte van de BTI's.

Het is mij bekend dat er een verschil bestaat in het betalen van invoerrechten tussen de twee tariefposten 0207 en 1602. Het onderwerpelijke kalkoenvlees valt volgens mij niet onder hoofdstuk 2 en niet onder post 0207. Dit onder meer omdat het zoutgehalte, vetgehalte en eiwitgehalte afwijken van normaal vers vlees. Tevens omdat volgens ons het koosjere proces inhoudt dat het vlees een bereiding heeft ondergaan."

2) M heeft op 7 februari 1997 - zakelijk samengevat - tegenover G en H, ambtenaren van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD, beiden aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar ter standplaats P, het volgende verklaard:

Ik ben gemachtigd om een verklaring af te leggen namens D B.V.

Wij zijn bij de heren V en W van het douanedistrict O geweest met de vraag hoe wij het vlees van kalkoenen koosjer geslacht en koosjer bereid moesten invoeren. Wij hebben op 14 augustus 1995 een onderhoud gehad met beide heren en hebben daar uitgelegd wat voor vlees wij zouden gaan invoeren. Wij voerden reeds vlees in vanuit Z; dit was gekruid vlees. Daarbij is gesproken over het koosjere proces, zijnde een bereiding. Er is toen geen toezegging gedaan tot welke indeling in het tarief het koosjer proces zou leiden. Wij hebben een aantal aanvraag formulieren voor BTI's meegekregen. De formulieren zijn ingevuld door de heer T. In de aanvragen die wij hebben ingevuld is door ons alleen bij de rollades aangegeven dat het om gekruid vlees ging. Deze rollades waren ook gekruid. Wat betreft de andere aanvragen voor de BTI's hebben wij nooit over gekruid vlees gesproken. Na september 1995 is door ons, met uitzondering van de rollades, geen gekruid vlees meer ingevoerd.

Ik heb een beschrijving gemaakt van het koosjere proces en opgestuurd naar het douanedistrict O. Op 4 oktober 1995 zijn wij wederom bij het douanedistrict te O geweest; ons is toegezegd dat de BTI's zouden worden afgegeven en dat de goederen onder tariefpost 1602 konden worden ingedeeld.

b. een door TNO Voeding, Afdeling Diervoeding en Vleestechnologie, te Zeist opgemaakt rapport met betrekking tot een onderzoek naar de kenmerkende verschillen van kalkoenvlees van koosjere en niet-koosjere herkomst. Een samenvatting van de resultaten van dit onderzoek, gedagtekend 30 juni 1997, luidt, voor zover van belang, als volgt:

"- verschil in keukenzoutgehalte en natriumgehalte (factor 2 tot 4 hoger in koosjere variant);

- verlaagd water oplosbaar eiwitgehalte in monsters koosjer kalkoenvlees (3 tot 10% lager in koosjer vlees indien betrokken op totaal eiwit);

- het percentage restbloed in de monsters van koosjere herkomst is in relatieve zin 23 tot 30% lager dan in de monsters kalkoenvlees van niet-koosjere herkomst;

- er zijn aanwijzingen dat er histologisch op microscopisch niveau structuurverschillen bestaan tussen de onderzochte monsters koosjer en niet-koosjer kalkoenvlees; het blijft echter onduidelijk of deze verschillen zijn veroorzaakt door het koosjere slachtproces als zodanig dan wel het gevolg zijn geweest van verschillen in de (in)vriesbehandelingen die het vlees heeft ondergaan."

2.6. De FIOD heeft in de administratie van D BTI's aangetroffen, waarop wijzigingen waren aangebracht; deze bestonden volgens de sub 1.3. door de inspecteur overgelegde bijlage bij de pleitnota uit een wijziging van de woorden "gezouten en gekruid" in "gezouten of gekruid".

2.7. In de sub 1.3. door de inspecteur overgelegde bijlage is door K van L de navolgende verklaring afgelegd:

"Op de aangiften vermelden wij de tariefcode op basis van de mededeling van M, de informatie uit het gezondheidscertificaat, de facturen, de paklijst en het oorsprongcertificaat. De facturen, het gezondheidscertificaat en het door de Z-se autoriteiten afgegeven oorsprongcertificaat komen alle uit Z; op die documen-ten staat al "16023111" vermeld. Die documenten krijg ik van D."

2.8. Naar aanleiding van de vorenvermelde onderzoeken, processen-verbaal van verhoor en de verklaring sub 2.6. heeft de inspecteur, in afwijking van de sub 2.1. aangegeven tariefpost, de ingevoerde kalkoenproducten alsnog ingedeeld onder post 0207 27 10 van het GDT en belanghebbende mede-aansprakelijk gesteld.

2.9.Deze correctie van de indeling der goederen in het GDT leidde tot de uitnodiging tot betaling van 20 maart nr. 719/50091, waarbij als volgt landbouwheffing werd nagevorderd met verrekening van de betaalde douanerechten: "Tijdens de controle is geconstateerd dat er bij de invoer van kalkoenvlees met betrekking tot de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur gebruik is gemaakt van een onjuiste goederencode. Op grond van artikel 201, juncto de artikelen 220 en 221 Verordening (EEG) nr. 2913/92 hierna: het CDW) en artikel 54 van het Douanebesluit vorder ik de hierna vermelde rechten bij u na. De berekening van de verschuldigde rechten bij invoer luidt als volgt: (zie bijlagen)

Landbouwheffing f 9.700.081,10

Reeds voldaan f 2.589.264,10

Nog te voldoen f 7.110.817,00 ".

3. Het geschil

3.1. In geschil is primair of de sub 2.1. omschreven goederen dienen te worden ingedeeld onder post 0207 27 10 van het GDT, zoals de inspecteur voorstaat, dan wel onder post 1602 31 11, hetgeen belanghebbende bepleit.

Genoemde posten luiden als volgt:

post 0207 27 10

"0207 Vlees en eetbare slachtafvallen van

pluimvee (bedoeld bij post 0105),

vers, gekoeld of bevroren:

- van kalkoenen:

0207 27 - - delen en slachtafvallen, bevroren:

- - - delen:

0207 27 10 - - - - zonder been

(...)";

post 1602 31 11

"1602 Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen---------- of van bloed:

(...)

- van pluimvee bedoeld bij post 0105:

1602 31 - - van kalkoenen:

- - - 57 of meer ge-wichtper-centen

vlees of slacht- afval--len bevat-- tend-- (3):

1602 31 11 - - - - uitsluitend niet-gekookt en niet-gebakken vlees van

kalkoenen bevattend

(...)".

3.2. Subsidiair is in geschil of de inspecteur terecht op basis van de indeling van de goederen onder post 0207 2710 van het GDT is overgegaan tot navordering.

3.3. Voorts is in geschil of belanghebbende terecht voor het bedrag van de navordering mede-aansprakelijk is gesteld.

3.4. Tussen partijen is niet in geschil de berekening van de nagevorderde rechten noch het totaal zoutgehalte van de goederen dat minder dan 1,2 gewichtspercenten bedraagt.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Na het slachten van de kalkoenen wordt het bloed verwijderd, wordt de kalkoen geplukt en de ingewanden verwijderd op een speciale koosjere manier. Vervolgens wordt het karkas handmatig ingesmeerd met een speciaal soort zout. Na een uur wordt het zout met de bloedresten in het vlees en haarvaten zo grondig mogelijk driemaal afgespoeld. Door deze bereiding heeft het kalkoenvlees een aanzienlijke verandering ondergaan in structuur, kleur en smaak. Dit zouten en het verwijderen van zout vindt niet plaats bij niet koosjere bereiding. Door de koosjere bereiding kan het kalkoenvlees niet meer worden beschouwd als vlees in natuurlijke verse staat. De verschillen met vers vlees worden ook bevestigd door de bevindingen die zijn weergegeven in het TNO-rapport.

Uit de GS-Toelichting (IDR) op hoofdstuk 2 volgt dat vlees onder meer in hoofdstuk 16 moet worden ingedeeld indien het anders is bereid dan is omschreven in hoofdstuk 2. Aangezien de koosjere bereiding van vlees een bereiding is die niet leidt tot indeling in hoofdstuk 2, resteert slechts indeling in post 1602 als bereid kalkoenvlees.

4.2. Indien de goederen ingedeeld zouden moeten worden onder hoofdstuk 2 dan had de douane, in verband met het bepaalde in artikel 220, lid 2, letter b CDW niet tot boeking achteraf mogen overgaan. Omdat niet exact is omschreven wat onder een bereiding moet worden verstaan, heeft belanghebbende BTI's gevraagd om duidelijkheid te krijgen in deze ingewikkelde regelgeving. Bij de aanvraag van de BTI's heeft zij duidelijk aangegeven dat slechts in één geval, bij kalkoenrollade sprake is van gekruid kalkoenvlees. Belanghebbende mocht ervan uit gaan dat douane bij haar besluitvorming zorgvuldig te werk was gegaan en bewust de toevoeging gekruid had opgenomen. Bovendien heeft de douane de indeling lange tijd geaccepteerd. Er is derhalve sprake van een vergissing van de douaneautoriteiten, die belanghebbende niet kon onderkennen. Belanghebbende heeft te goeder trouw gehandeld en de goederen aangegeven overeenkomstig de door de douane in de BTI opgegeven tariefpost. Navordering is niet op zijn plaats.

4.3. De douaneschuld is gevorderd op grond van artikel 201, derde lid, CDW. Op grond van deze bepaling kunnen personen die wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat de voor het opmaken van de aangifte verstrekte gegevens onjuist waren, overeenkomstig de nationale bepalingen als schuldenaar worden aangemerkt.

Allereerst is artikel 54 van het Douanebesluit (hierna: DB) in strijd met het in artikel 104 van de Grondwet vervatte legaliteitsbeginsel dat belasting geheven dient te worden uit kracht van een wet. Dit betekent dat belanghebbende niet rechtsgeldig tot betaling kan worden aangesproken.

In de tweede plaats heeft belanghebbende niet alleen argumenten aangedragen voor indeling in de door haar voorgestane tariefpost en neemt zij daarmee een voldoende pleitbaar standpunt in, ook heeft de inspecteur niet bewezen of aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de voor het opstellen van de aangiften benodigde gegevens heeft verstrekt in de zin van artikel 201, derde lid, CDW. Belanghebbende is in het bezit van bindende tariefinlichtingen voor de indeling van koosjer bereid kalkoenvlees in post 1602. Hiermee verbindt de douane zich tegenover de houder, in casu D, de in de aangifte opgenomen goederencode te accepteren, indien de goederen overeenkomen met de goederen waarvoor de BTI's zijn aangevraagd. In casu komen de in de aangiften opgenomen kalkoenvleesproducten overeen met de kalkoenvleesproducten waarvoor de BTI's waren aangevraagd. Belanghebbende is ten onrechte als schuldenaar aangemerkt.

4.4. De inspecteur heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de periode voor en na 1 juni 1996, de datum van inwerking treding van de Douanewet. Artikel LV van de Invoeringswet Douane moet aldus worden uitgelegd dat de Douanewet slechts van toepassing is op de periode vanaf 1 juni 1996. Het in de uitnodiging tot betaling vervatte bedrag dient daarom te worden teruggebracht tot een bedrag van f 3.482.564,40.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Geslachte dieren, c.q. vers vlees wordt ingedeeld in hoofdstuk 2. Daarbij maakt het niet uit hoe de dieren geslacht zijn; het feit dat het vlees nog in een zoutbad ondergedompeld wordt is geen handeling die tariefverspringing rechtvaardigt. Bij het koosjere slachten wordt het vlees zodanig behandeld dat het zo veel mogelijk de verse staat benadert. Ook uit het TNO onderzoek blijkt dat er geen significante verschillen zijn tussen vers vlees en koosjer geslacht vlees.

Uit de GS-Toelichtingen op hoofdstuk 2 en 16 blijkt dat het enkel zouten een onvoldoende bereiding is om te komen tot een indeling onder hoofdstuk 16; daarvoor moet meer gebeuren, zoals bijvoorbeeld kruiden.

5.2. Belanghebbende is importeur en heeft telkens de voor de aangifte benodigde stukken geleverd. Daarbij heeft zij L uitdrukkelijk opdracht gegeven het kalkoenvlees in te voeren onder post 1602, zoals ook blijkt uit de door L en de ambtenaar voor de Arrondissementsrechtbank te O afgelegde getuigenverklaringen.

Belanghebbende had blijkbaar twijfels over de indeling van de goederen en heeft daarom bij het douanedistrict O BTI's aangevraagd. Op de door deze instantie afgegeven BTI's staat evenwel dat er sprake moet zijn van "gezouten en gekruid" vlees.

Bij het FIOD-onderzoek is aan het licht gekomen dat D de BTI's heeft vervalst door van het woordje "en" "of" te maken. Dit falsificaat is door D gebruikt om haar Z-se moedermaatschappij ervan te overtuigen dat zij de juiste papieren voor invoer van kalkoenvlees onder hoofdstuk 16 in haar bezit had.

Hiermee staat vast dat belanghebbende wist of redelijkerwijze had kunnen weten dat het kalkoenvlees in post 0207 diende te worden ingedeeld. Belanghebbende is daarmee schuldenaar op basis van artikel 201, derde lid, laatste volzin van het CDW.

5.3. Voor 1 juni 1996 vloeit de aansprakelijkheid van belanghebbende direct voort uit de Wet inzake de douane, terwijl thans de bevoegdheid de aansprakelijkheid uit te breiden tot diegene die de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens verstrekt, wordt gegeven door het CDW. De delegatiebepaling die de uitbreiding van de aansprakelijkheid regelt is gegrond op artikel 58 van de Douanewet. Hierbij wordt opgemerkt dat de Grondwet geen inbreuk kan maken op een verdragsbepaling.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De indeling in het GDT

Uitgaande van het beschreven productieproces en de diverse verklaringen op dit punt kan als vaststaand worden aangenomen dat de ingevoerde goederen niet gekruid, doch slechts gezouten zijn. Op grond daarvan moet worden geoordeeld dat de goederen geen bereiding hebben ondergaan, die indeling onder post 1602 van het GDT rechtvaardigt.

De goederen voldoen aan de bewoordingen van post 0207 27 10 van het GDT en dienen derhalve onder die post te worden ingedeeld.

6.2. De navordering als gevolg van de wijziging in het GDT. De BTI's zijn mede tot stand gekomen door nadere verklaringen van de zijde van de ontbieder van de goederen. Door de afgifte van deze BTI's hebben de ambtenaren, in beginsel afgaande op die verklaringen, niet het vertrouwen gewekt dat ook het vlees, waar de onderhavige maandaangiften op zien - zonder voorbehoud en ongeacht het karakter van het vlees - in de post van die BTI's zou worden ingedeeld. De ambtenaren hebben geen vergissing begaan, en het stond hen vrij om - na het sub 2 omschreven warenonderzoek - de posten van de maandaangiften te wijzigen.

6.3. De mede-aansprakelijkheid

6.3.1. De bevoegdheid tot de heffing van douanerechten is gebaseerd op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en op het daarop stoelende Communautair douanewetboek: hierbij is op dit gebied een zelfstandig en rechtstreeks werkend communautair systeem ingesteld, zodat in zoverre een wet als bedoeld in artikel 104 van de Grondwet niet noodzakelijk is.

6.3.2. Wel wordt aan de lidstaten de vrijheid gelaten de in artikel 201, lid 3, tweede volzin CDW geregelde mede-aansprakelijkheid, nader gestalte te geven. Zulks is op rechtsgeldige wijze geschied in artikel 124 e van de Wet inzake de douane, geldend vóór 1 juni 1996, en in artikel 58 van de Douanewet juncto artkel 54 van het Douanebesluit voor de periode daarna.

6.3.3. In concreto vloeit de onderhavige mede-aansprakelijkheid van belanghebbende voort uit het feit dat zij -als opdrachtgever- een leidende rol heeft gespeeld bij de tot standkoming van de foutieve aangifte, die de douane naderhand moest corrigeren. Geoordeeld moet worden dat belanghebbende als ervaren marktdeelnemer wist of redelijkwijs had moeten weten dat de door haar aangedragen gegevens niet tot de omstreden tariefpost hadden kunnen leiden.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 24 augustus 1999 door mr. H.M.J.I. Steenbergen, voorzitter, mr. F.H.M. Possen, ondervoorzitter, H.J. Bokhorst en mr. J.W.M. Tijnagel, gewone leden en mr. Th.J.G. van Berkum, buitengewoon lid, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

voor deze:

Mr. F.H.M. Possen

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 18 juli 2000.