Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AL8182

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-1999
Datum publicatie
09-10-2003
Zaaknummer
0134/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In paragraaf 2.2.1. van het Besluit monsterneming en monsteronderzoek is aan de ambtenaren opgedragen een zodanige hoeveelheid van de te bemonsteren goederen te nemen dat daaruit tenminste drie eindmonsters kunnen worden samengesteld; hiervan dient er één voor onderzoek naar het Laboratorium te worden gestuurd, terwijl de twee resterende monsters moeten worden achtergehouden om te kunnen worden gebruikt voor het heronderzoek of voor de bezwaarprocedure. In casu zijn bij de ambtelijke monsterneming onjuistheden zijn begaan. Het monsteronderzoek is in beide fasen slechts geconcentreerd op een en hetzelfde deelstuk, hetgeen tot het oordeel moet leiden dat de uitslag van het onderzoek onevenwichtig is en niet kan worden gebruikt om het karakter van de gehele partij te representeren. In de vermelde paragraaf van het Besluit monsterneming ligt dezelfde opvatting besloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0134/97 TC

de dato 31 augustus 1999

1. De procedure

1.1. Op 19 juni 1997 is een beroepschrift ingekomen van A van B, belastingadviseurs te R, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V. aldaar, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het Hoofd van het douanedistrict D (hierna: de inspecteur) van 6 juni 1997, kenmerk x, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 23 mei 1997, kenmerk y, inzake een geschil over de wijze van monsterneming van ten uitvoer aangegeven goederen, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek genomen; de inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 23 februari 1999. Daar zijn verschenen A en E namens belanghebbende; namens de inspecteur zijn verschenen F,G,H en I, alsmede J van de Directie Douane; namens het Douane Laboratorium (hierna: het Laboratorium) zijn aanwezig K en L. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 24 februari 1997 heeft belanghebbende bij de douaneambtenaren (de ambtenaren) te D onder nummer z een aangifte ten uitvoer (ED 69) gedaan van goederen, van oorsprong uit Nederland en bestemd voor Gabon, in de aangifte omschreven als:

"456 kartons

vlees van runderen, bevroren, zonder been: andere: andere delen zonder been, ieder deel afzonderlijk verpakt, met een gehalte aan

mager rundvlees (met uitzondering van vet)

van 50% of meer."

De goederen zijn aangegeven onder post 0202 30 90 400 van de restitutienomenclatuur; de netto massa bedroeg 11.400 kg. Ter verkrijging van restitutie van landbouwheffing werd tevens een formulier L, nummer v, overgelegd.

2.2. De ambtenaren hebben de verificatie aangehouden; zij hebben uit één karton één deelstuk als monster genomen en voor onderzoek gezonden naar het Laboratorium ter bepaling van het gehalte aan vlees.

2.3. Op 25 februari 1997 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht een beschikking te nemen in een geschil over de wijze van monsterneming. Op 23 mei 1997 heeft de inspecteur een beschikking met kenmerk y genomen, waarin aan belanghebbende, voor zover hier van belang, is medegedeeld:

"Bij een monsterneming wordt een gedeelte van de goederen waarop de aangifte betrekking heeft als monster genomen. Dit gedeelte moet alle voor de indeling relevante kenmerken weergeven. In het onderhavige geval is uit de aangeboden partij een enkel verpakt stuk geselecteerd. Dit deelstuk kan als een representatief en homogeen monster van de gehele partij worden beschouwd. Bij deze bevestig ik de beslissing omtrent de wijze van monstername van de goederen omschreven in bovenstaande aangifte ten uitvoer. Deze bevestiging is een voor bezwaar vatbare beschikking."

Op 23 mei 1997 heeft belanghebbende tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend; op 4 juni 1997 is zij ingevolge artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) gehoord.

2.4. Op 7 april 1997 hebben de ambtenaren de uitslag van het monsteronderzoek aan belanghebbende medegedeeld, waarop om heronderzoek is verzocht. Het heronderzoek vond plaats op hetzelfde deelstuk.

3. Het geschil

In geschil is de vraag of de inspecteur de op de aangifte ten uitvoer omschreven partij rundvlees op juiste wijze heeft bemonsterd.

4. Het standpunt van belanghebbende

Vlees is, aldus belanghebbende, geen homogeen product daarom dient een aantal deelstukken en niet één enkel deelstuk in de beoordeling te worden betrokken. Er bestaan ernstige bezwaren tegen een heronderzoek, waarbij hetzelfde stuk vlees wederom wordt onderzocht.

5. Het standpunt van de inspecteur

De inspecteur heeft gesteld dat de voorwaarden waaronder de restitutie wordt toegekend zijn opgenomen in de tekst van de Verordening (EEG) nr.656/91 van de Commissie van 19 maart 1991 (de restitutieverordening). Voor de onderhavige goederen bevat de verordening een zeer strikte formulering te weten "delen zonder been, ieder afzonderlijk verpakt, met een gehalte aan mager rundvlees (met uitzondering van vet) van 50 % of meer". Op grond van deze omschrijving kan de restitutie voor een hele partij worden geweigerd, zelfs als maar een enkel deelstuk in de partij niet aan de voorwaarde voldoet. Gelet op de omschrijving van de betrokken goederen in de restitutieverordening, is één deelstuk zeker representatief te achten voor een partij die, gezien de aangifte, dient te bestaan uit deelstukkken die elk moeten voldoen aan het gestelde percentage vlees.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In paragraaf 2.2.1. van het Besluit monsterneming en monsteronderzoek is aan de ambtenaren opgedragen een zodanige hoeveelheid van de te bemonsteren goederen te nemen dat daaruit tenminste drie eindmonsters kunnen worden samengesteld; hiervan dient er één voor onderzoek naar het Laboratorium te worden gestuurd, terwijl de twee resterende monsters moeten worden achtergehouden om te kunnen worden gebruikt voor het heronderzoek of voor de bezwaarprocedure.

6.2. Uit de sub 2.2. en 2.4. weergegeven feiten blijkt dat bij de ambtelijke monsterneming onjuistheden zijn begaan. Het monsteronderzoek is in beide fasen slechts geconcentreerd op een en hetzelfde deelstuk, hetgeen tot het oordeel moet leiden dat de uitslag van het onderzoek onevenwichtig is en niet kan worden gebruikt om het karakter van de gehele partij te representeren. In de sub 6.1. vermelde paragraaf van het Besluit monsterneming ligt dezelfde opvatting besloten.

6.3. Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrekking dat de beschikking van de inspecteur en de uitspraak waarbij deze werd gehandhaafd niet in stand kunnen blijven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2,5 (beroep, verschijnen ter zitting en conclusie van repliek) x 1,5 (gewicht) x 1 (samenhangende zaken) x f 710,-- = f 2.662,50

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de beschikking van 23 mei 1997, kenmerk y;

- stelt vast dat de uitslag van het monsteronderzoek ongeldig is;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot f 2.662,50,-- aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht ad f 150 te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 31 augustus 1999 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. J.J.A.M. Kennis, gewone leden, en dr. J. Heemskerk en jhr. ing. K.J.L. Hesselt van Dinter, buitengewone leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 8 augustus 2000.