Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AL1806

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-1999
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
0048/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het Besluit monsterneming en monsteronderzoek is aan de ambtenaren opgedragen een zodanige hoeveelheid van de te bemonsteren goederen te nemen dat daaruit tenminste drie eindmonsters kunnen worden samengesteld; hiervan dient er één voor onderzoek naar het Laboratorium te worden gestuurd, terwijl de twee resterende monsters moeten worden achtergehouden om te kunnen worden gebruikt voor het heronderzoek of voor de bezwaarprocedure. In casu zijn bij de ambtelijke monsterneming onjuistheden begaan. Het monsteronderzoek is in beide fasen slechts geconcentreerd op een en hetzelfde deelstuk, hetgeen tot het oordeel moet leiden dat de uitslag van het onderzoek onevenwichtig is en niet kan worden gebruikt om het karakter van de gehele partij te representeren. Het hier geconstateerde verzuim betekent volgens vaste rechtspraak van de Tariefcommissie, dat in de verificatieprocedure wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden, waardoor het niet mogelijk is de uitslag van die procedure te aanvaarden als grondslag voor de indeling de restitutienomenclatuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0048/97 TC

de dato 31 augustus 1999

1. De procedure

1.1. Op 7 maart 1997 is een beroepschrift ingekomen van A van B, belastingadviseurs te R, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V. te P, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het Hoofd van het douanedistrict Q (hierna: de inspecteur) van 30 januari 1997, kenmerk x, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de door de ambtenaren vastgestelde indeling van ten uitvoer aangegeven goederen in de restitutiecode, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 23 februari 1999. Daar zijn verschenen namens belanghebbende A en E; namens de inspecteur zijn verschenen F,G,H en I, alsmede J van de Directie Douane te Rotterdam; namens het Douane Laboratorium te Amsterdam (hierna: het Laboratorium) zijn aanwezig K en L. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 1 februari 1996 hebben de douaneambtenaren onder nummer z ten name van belanghebbende een aangifte ten uitvoer (ED 69) aanvaard van goederen, van oorsprong uit Nederland en bestemd voor Syrië, in de aangifte om-schreven als:

"627 dozen vlees van runderen bevroren - andere - delen zonder been, ieder deel afzonderlijk verpakt met een gehalte aan mager rundvlees (m.u.v. vet) van 50% of meer."

De goederen zijn aangegeven onder post 0202 30 90 400 van de restitutienomenclatuur; de netto massa bedroeg 15.675 kg. Ter verkrijging van restitutie van landbouwheffing werd tevens het formulier L, nummer y, overgelegd.

2.2. De ambtenaren hebben de verificatie aangehouden; zij hebben tweeëndertig kartons geselecteerd voor een daadwerkelijke controle. Uit één karton werd één deelstuk als monster genomen en voor onderzoek gezonden naar het Laboratorium ter bepaling van het gehalte aan rundvlees.

2.3. Op 11 maart 1996 heeft het Laboratorium de resultaten van het onderzoek aan de ambtenaren bekend gemaakt; deze luiden als volgt:

"Op dit moment beschikt het laboratorium nog niet over de volledige goederencodes, zoals die gelden per 1-1-96. De adviesgoederencode is gebaseerd op de eerste 8 cijfers zoals vermeld in aanschrijving HBI-II-2479.

Het monster bestaat uit bevroren vlees van runderen, zonder been, elk deelstuk individueel verpakt. Het gehalte aan vlees (m.u.v. slachtafvallen en vet), bepaald volgens Vo(EEG)nr.2429/86, bedraagt 46 gewichtspercenten.

Advies goederencode : 0202 3090

Advies restitutiecode: 0202 3090 900."

Op 13 maart 1996 hebben de ambtenaren belanghebbende een kennisgeving van deze uitslag gezonden. Belanghebbende heeft een heronderzoek aangevraagd; daarbij heeft zij de ambtenaren verzocht voor dat onderzoek een ander deelstuk in te zenden, afkomstig uit het karton van het eerste onderzoek dat voor de heropname in het vrieshuis is achtergehouden.

De ambtenaren hebben dit verzoek geweigerd en daarvoor op 27 maart 1996 de volgende reden opgegeven:

"Omdat elk deelstuk afzonderlijk aan de 50%-eis dient te voldoen, wordt voor het heronderzoek dan ook hetzelfde deelstuk opnieuw geanalyseerd door het Laboratorium."

2.4. Op 4 april 1996 hebben de ambtenaren belanghebbende een kennisgeving van de uitslag van het heronderzoek gezonden; voorzover van belang luidt deze als volgt:

"Het heronderzoek is uitgevoerd op hetzelfde monster (630.6.010). Het gehalte aan vlees (m.u.v. slachtafvallen en vet), bepaald volgens EEG Vo 2429/86, bedraagt 47 gewichtspercenten."

2.5. Op 10 mei 1996 werd de verificatie beëindigd en hebben de ambtenaren, in afwijking van de aangifte, de goederen ingedeeld onder post 0202 30 90 900 van de restitutienomenclatuur.

2.6. Tot de gedingstukken behoort een brief van het Laboratorium van 3 november 1998, kenmerk 1389 50 98, gericht aan het douanedistrict Amsterdam, welke brief - voorzover hier van belang - luidt als volgt:

"Het verschil tussen de uitkomsten van twee bepalingen, gelijktijdig of kort na elkaar uitgevoerd, door dezelfde analist onder dezelfde omstandigheden, met hetzelfde monstermateriaal, mag in 95% van de gevallen niet groter zijn dan de herhaalbaarheid. De getalsmatige waarde van de herhaalbaarheid hangt af van de soort analyse, voor het voorgeschreven en door ons toegepaste analysevoorschrift NEN-ISO 937 bedraagt de herhaalbaarheid 0,1% stikstof.

Dit betekent dat de analist de bepaling juist heeft uitgevoerd indien het verschil tussen de bevonden duplowaarden niet groter is dan 0,1%.

De bevonden stikstofwaarden van het monsteronderzoek: 1,60% en 1,67% (gemiddelde = 1,635, dit komt overeen met 46% mager vlees). De bevonden stikstofwaarden van het heronderzoek: 1,62% en 1,75% (gemiddelde=1,685, dit komt overeen met 47% mager vlees).

Beide duplo's voldoen aan de herhaalbaarheid (verschil afgerond op 1 decimaal minder dan 0,1%). Bovendien is het verschil tussen het gemiddelde van het eerste onderzoek en het heronderzoek ook kleiner dan 0,1%. Dit laatste verschil mag zelfs nog groter zijn dan de herhaalbaarheid, aangezien het onderzoek en het heronderzoek niet gelijktijdig en niet door dezelfde analist zijn uitgevoerd."

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de wijze waarop het monsteronderzoek heeft plaatsgevonden een belemmering vormt om de aangegeven post van de restitutienomenclatuur te wijzigen.

4. Het standpunt van belanghebbende

Vlees is, aldus belanghebbende, geen homogeen product daarom dient een aantal deelstukken en niet één enkel deelstuk in de beoordeling te worden betrokken. Er bestaan ernstige bezwaren tegen een heronderzoek, waarbij hetzelfde stuk vlees wederom wordt onderzocht.

5. Het standpunt van de inspecteur

De inspecteur heeft gesteld dat de voorwaarden waaronder de restitutie wordt toegekend zijn opgenomen in de tekst van de Verordening (EEG) nr.656/91 van de Commissie van 19 maart 1991 (de restitutieverordening). Voor de onderhavige goederen bevat de verordening een zeer strikte formulering te weten "delen zonder been, ieder afzonderlijk verpakt, met een gehalte aan mager rundvlees (met uitzondering van vet) van 50 % of meer". Op grond van deze omschrijving kan de restitutie voor een hele partij worden geweigerd, zelfs als maar een enkel deelstuk in de partij niet aan de voorwaarde voldoet. Gelet op de omschrijving van de betrokken goederen in de restitutieverordening, is één deelstuk zeker representatief te achten voor een partij die, gezien de aangifte, dient te bestaan uit deelstukken die elk moeten voldoen aan het gestelde percentage vlees.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In paragraaf 2.2.1. van het Besluit monsterneming en monsteronderzoek is aan de ambtenaren opgedragen een zodanige hoeveelheid van de te bemonsteren goederen te nemen dat daaruit tenminste drie eindmonsters kunnen worden samengesteld; hiervan dient er één voor onderzoek naar het Laboratorium te worden gestuurd, terwijl de twee resterende monsters moeten worden achtergehouden om te kunnen worden gebruikt voor het heronderzoek of voor de bezwaarprocedure.

6.2. Uit de sub 2.2. en 2.3. weergegeven feiten blijkt dat bij de ambtelijke monsterneming onjuistheden zijn begaan. Het monsteronderzoek is in beide fasen slechts geconcentreerd op een en hetzelfde deelstuk, hetgeen tot het oordeel moet leiden dat de uitslag van het onderzoek onevenwichtig is en niet kan worden gebruikt om het karakter van de gehele partij te representeren. In de sub 6.1. vermelde paragraaf van het Besluit monsterneming ligt dezelfde opvatting besloten.

6.3. Het hier geconstateerde verzuim betekent volgens vaste rechtspraak van de Tariefcommissie, dat in de verificatieprocedure wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden, waardoor het niet mogelijk is de uitslag van die procedure te aanvaarden als grondslag voor de indeling de restitutienomenclatuur.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2 (beroep en verschijnen zitting) x 1,5 (gewicht) x 1 (samenhangende zaken) x f 710,-- = f 2.130,--

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- stelt vast dat de post van de aangifte moet worden gehandhaafd;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot f 2.130,--, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht ad f 150,-- te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 31 augustus 1999 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. J.J.A.M. Kennis, gewone leden, en dr. J. Heemskerk en jhr. ing. K.J.L. Hesselt van Dinter, buitengewone leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 8 augustus 2000.