Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AK8344

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-1999
Datum publicatie
19-09-2003
Zaaknummer
0342/96
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het arrest van het Hof van Justitie van 10 oktober 1985, nr. 200/84, Jur.1985, blz. 3363, bevat de criteria op grond waarvan oude automobielen kunnen worden ingedeeld onder post 99.05 van het GDT, thans 9705 00 00. Slechts ten aanzien van de vraag of er sprake is van een kenmerkende stap in de ontwikkeling van de menselijke verworvenheden verschillen partijen van mening. De inspecteur heeft gesteld, dat de technische ontwikkelingen, die van de onderhavige auto's kunnen worden aangegeven, van te geringe betekenis zijn om deze te kwalificeren als een kenmerkende stap in de ontwikkeling van de menselijke verworvenheden. Belanghebbende heeft daartegenover geen concrete, de Tariefcommissie overtuigende eigenschappen naar voren gebracht die wel tot die kwalificatie zouden moeten leiden. Mitsdien moet worden geoordeeld dat aan een der criteria voor indeling onder post 9705 00 00 van het GDT niet is voldaan. De omstandigheid dat de ambtenaren de tariefindeling aanvankelijk hebben geaccepteerd vormt geen beletsel voor een controle achteraf en is niet aan te merken als een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, CDW. Aan de voorwaarden om af te zien van navordering, welke voorwaarden een exclusief Europeesrechtelijke grondslag hebben, is niet voldaan. De stelling van belanghebbende dat navordering op grond van het vertrouwenbeginsel achterwege had moeten blijven, wordt verworpen. Uit de door belanghebbende overgelegde bescheiden blijkt dat in de andere lidstaten dezelfde of nagenoeg dezelfde criteria worden gehanteerd. Het beroep van belanghebbende op de communautaire status van de onderhavige auto's kan niet slagen, omdat zij niet gehandeld heeft overeenkomstig de op dit punt dwingend voorschreven procedure met betrekking tot de regeling voor terugkerende goederen, zoals neergelegd in de artikelen 184 tot en met 186 CDW jo. artikel 844 en volgende van de Uitvoeringsverordening CDW. Naar het oordeel van de Tariefcommissie zijn de in casu ingevoerde auto's terecht ingedeeld onder post 8703 23 90 dan wel 8703 24 90.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0342/96 TC

de dato 31 augustus 1999

1. De procedure

1.1. Op 24 december 1996 is een beroepschrift ingediend door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te B, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z(hierna: de inspecteur) van 12 november 1996, nummer x, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het bedrag dat als douanerechten is vermeld in de uitnodiging tot betaling van 12 januari 1996, nummer y, door de inspecteur gedeeltelijk is afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150.-- geheven.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 26 mei 1998. Daar zijn namens belanghebbende verschenen D en E. Namens de inspecteur zijn verschenen F en G.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is een handelsmaatschappij voor klassieke auto's. Zij importeert zowel auto's die zij op eigen naam koopt en verkoopt als auto's in opdracht en op naam van diverse klanten binnen de Europese Unie.

In de periode 1994 tot en met maart 1995 heeft belanghebbende diverse merken en typen personen- auto's, zogenaamde klassieke modellen, voor het vrije verkeer aangegeven onder post 9705 00 00 van het tarief van invoerrechten (het GDT); voor goederen van deze post gold ten tijde van de invoer een nulrecht.

2.2. Ultimo 1995 hebben ambtenaren van het Douanedistrict Z (hierna: de ambtenaren) op grond van artikel 78 van het Communautair douanewetboek (het CDW) bij belangheb-bende een controle achteraf ingesteld naar de juistheid van aangiften in het vrije verkeer van gebruikte personenauto's van herkomst uit de Verenig-de Staten en Australië.

2.3. Het overgelegde ambtelijke controlerapport vermeldt - zakelijk samengevat - het navolgende:

Automobielen waarvan de productie meer dan 40 jaar geleden is beëindigd worden geacht "historisch" en "voorwerpen voor verzamelingen" te zijn in de zin van post 9705. Auto's jonger dan 40 jaar moeten worden ingedeeld onder post 8703, tenzij zij voldoen aan een aantal criteria waaronder de eis dat zij een bepaalde ontwerptechnische ontwikkeling representeren. Alle auto's jonger dan 40 jaar die belanghebbende in de onder 2.1. genoemde periode heeft ingevoerd voldoen niet aan de criteria voor indeling onder post 9705 en moeten derhalve worden ingedeeld onder post 8703.

De totale douanewaarde van deze auto's bedraagt f 936.404,--.

Met betrekking tot tien aangiften dient de douanewaarde nog te worden verhoogd met de vracht- en assurantiekosten van f 1.200,-- per aangif-te, totaal f 12.000.--.

Voor goederen van post 8703 geldt, zowel voor onderverdeling 2490 als voor 2390 (cilinderinhoud van meer dan 3000 cm3 resp. tussen 1500 en 3000 cm3 ) een percentage douanerecht van 10 percent van de waarde.

2.4. Aan belanghebbende is de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling gedaan voor een bedrag van f. 94.840,-- aan douanerechten.

2.5. Medio 1996 is de nationale toelichting op post 9705 vervangen door een GN-Toelichting (EG), toegespitst op motorvoertuigen. Daarin is, voorzover hier van belang, vermeld dat motorvoertuigen die onder meer minstens 30 jaar oud zijn en van een model of type dat niet meer in productie is geacht worden te voldoen aan de criteria, neergelegd in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak 200/84.

Omdat een groot aantal voertuigen aan dit criterium voldeed heeft de inspecteur het bezwaarschrift gedeeltelijk toegewezen en de uitnodiging tot betaling verminderd tot een bedrag van f 21.829,--

2.6. Na de sub 2.5. genoemde correctie bestaat er nog een geschil over de indeling in het GDT met betrekking tot een aantal auto's, jonger dan 30 jaar, die zijn aangegeven op de navolgende aangiften:

nr. aangifte datum merk/type bouwjr c.inh

1 5614170 11-05-94 Jaguar, type E 1966 4200

2 5614204 03-06-94 Austin Healey MK III 1966 3000

3 5614340 12-07-94 Jaguar type E 1970 4200

4 5614464 27-09-94 Austin Healey MK III 1967 3000

5 5614526 22-11-94 Mercedes 280 SL 1969 2800

6 5614532 01-12-94 Maserati Khamsin 1977 4700

7 5615036 10-02-95 Mercedes 280 SL 1971 2800

8 5615036 09-03-95 Mercedes 280 SL 1969 2800

9 5615043 13-03-95 Volvo P1800 ES 1970 1800

3. Het geschil

In geschil is primair of de gebruikte personenauto's dienen te worden ingedeeld onder post 8703 23 90 of 8703 24 90, zoals de inspecteur bepleit, dan wel onder post 9705 00 00 van het GDT, zoals belanghebbende voorstaat.

Subsidiair is in geding of de uitnodiging tot betaling op grond van het vertrouwensbeginsel achterwege had moeten blijven.

Genoemde posten luiden als volgt:

Post 8703

"8703 Automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personen-vervoer (andere dan die bedoeld bij post 8702), motorvoertuigen van het type "station-wagon" of "break" en racewagens daaronder begrepen:

(...)

- andere voertuigen met een motor met vonkontsteking en met op- en neer-

gaande zuigers:

(...)

8703 23 - - met een cilinderinhoud van meer

dan 1500 doch niet meer dan 3000 cm3:

(...)

8703 23 90 - - - gebruikte

8703 24 - - met een cilinderinhoud van meer

dan 3000 cm3:

(...)

8703 24 90 - - - gebruikte ";

Post 9705 00 00

"Verzamelingen en voorwerpen voor ver-zamelingen, met een zoölogisch, bota-nisch, mineralogisch, anatomisch, historisch, archeologisch, paleontolo-gisch, etnografisch of numismatisch belang."

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Volgens het controlerapport houdt de navordering verband met het feit dat de auto's niet zouden voldoen aan de criteria

a. dat zij een ontwerptechnische ontwikkeling representeren en

b. dat zij niet meer als vervoermiddel worden gebruikt.

Het eerste criterium laat ruimte voor verschillende interpretaties, terwijl pas nà de invoer blijkt of aan het tweede criterium wordt voldaan. Belanghebbende heeft per auto aangegeven waarom deze wel degelijk aan het eerste vereiste voldoet; de inspecteur spreekt daarentegen slechts over significante ontwikkelingen die voor de eerste keer worden toegepast, zonder aan te geven wat daaronder moet worden verstaan.

4.2. Belanghebbende heeft steeds uitvoerig overleg gepleegd met douane waarbij zij heeft aangegeven niet over voldoende eenduidige informatie te beschikken om adequaat aangifte te doen, mede gezien de inconsistentie van de regelgeving. Door nu na te vorderen handelt de inspecteur in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

4.3. Het opleggen van een navordering heeft directe gevolgen voor de concurrentiepositie van de Nederlandse importeurs, omdat elders in de Gemeenschap de in het geding zijnde auto's wèl als "klassieke automobielen" worden gekwalificeerd. Als bewijs worden een brief van de Engelse douane en een lijst van de Franse douane, waarin een groot aantal autotypen zijn genoemd, overgelegd.

4.2. Er is sprake van voertuigen die ooit in een lidstaat zijn gemaakt en waarvoor bij terugkeer vanuit een derde land vrijstelling voor terugkerende goederen verleend zou moeten worden.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Met betrekking tot de vijf typen, in totaal negen auto's, waarvoor in bezwaar post 8703 is gehandhaafd, is geen sprake van een "kenmerkende stap in de ontwikkeling van de menselijke verworvenheden". Bij geen van deze voertuigen is sprake van significante technische ontwikkelingen die voor de eerste keer in de auto-industrie zijn toegepast, zoals een eerste model met een revolutionaire motor (bijvoorbeeld de wankelmotor), of de eerste carrosserie, vervaardigd uit aluminium etc., waarbij expliciet wordt aangetoond dat er sprake is van een duidelijk herkenbare ontwikkeling. Weliswaar geldt voor al deze voertuigen dat sprake is van een bijzonder ontwerp, maar dat geldt ook voor nieuwe voertuigen, zoals de Fiat Cinquecento en Ferrari F 50. Indeling onder post 9705 00 00 is dan ook niet op zijn plaats.

5.2. Aangezien de GS-Toelichting (IDR) waarop de nationale toelichting was gebaseerd voor meerdere uitleg vatbaar is, kan een situatie ontstaan dat de douaneautoriteiten in de lidstaten een van elkaar afwijkend standpunt innemen. Hierdoor zou een ongelijkheid kunnen ontstaan. Met de nieuwe GN-Toelichting (EG) wordt de uniformiteit binnen de Gemeenschap een stuk verbeterd.

5.3. Met betrekking tot het instellen van de navordering kan niet gesproken worden van schending van artikel 220, lid 2, CDW. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan, mede gelet op het feit dat belanghebbende professionele aangever is, dan ook niet slagen. Ook het feit dat belanghebbende de navordering niet meer aan haar opdrachtgevers kan doorberekenen staat navordering niet in de weg.

5.4. Met betrekking tot het beschermende karakter van douanerechten in relatie tot terugkerende, oorspronkelijk binnen de Gemeenschap geproduceerde automobielen, wordt verwezen naar punt 6.1. van de uitspraak van de Tariefcommissie van 19 oktober 1994, nr. 13 023, UTC 1995/45: de regeling terugkerende goederen kan slechts worden toegepast indien volledig is voldaan aan de dwingende voorwaarden dienaangaande in de communautaire bepalingen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het arrest van het Hof van Justitie van 10 oktober 1985, nr. 200/84, Jur.1985, blz. 3363, bevat de criteria op grond waarvan oude automobielen kunnen worden ingedeeld onder post 99.05 van het GDT, thans 9705 00 00. Slechts ten aanzien van de vraag of er sprake is van een kenmerkende stap in de ontwikkeling van de menselijke verworvenheden verschillen partijen van mening. Aan de overige criteria voor indeling onder post 9705 00 00 wordt voldaan. De inspecteur heeft gesteld, dat de technische ontwikkelingen, die van de onderhavige auto's kunnen worden aangegeven, van te geringe betekenis zijn om deze te kwalificeren als een kenmerkende stap in de ontwikkeling van de menselijke verworvenheden. Belanghebbende heeft daartegenover geen concrete, de Tariefcommissie overtuigende eigenschappen naar voren gebracht die wel tot die kwalificatie zouden moeten leiden. Mitsdien moet worden geoordeeld dat aan een der criteria voor indeling onder post 9705 00 00 van het GDT niet is voldaan.

6.2. De omstandigheid dat de ambtenaren de tariefindeling aanvankelijk hebben geaccepteerd vormt geen beletsel voor een controle achteraf en is niet aan te merken als een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, CDW. Aan de voorwaarden om af te zien van navordering, welke voorwaarden een exclusief Europeesrechtelijke grondslag hebben, is derhalve niet voldaan. De stelling van belanghebbende dat navordering op grond van het vertrouwenbeginsel achterwege had moeten blijven, dient daarom te worden verworpen.

6.3. Uit de door belanghebbende overgelegde bescheiden blijkt dat in de andere lidstaten dezelfde of nagenoeg dezelfde criteria worden gehanteerd.

6.4. Het beroep van belanghebbende op de communautaire status van de onderhavige auto's kan niet slagen, omdat zij niet gehandeld heeft overeenkomstig de op dit punt dwingend voorschreven procedure met betrekking tot de regeling voor terugkerende goederen, zoals neergelegd in de artikelen 184 tot en met 186 CDW jo. artikel 844 en volgende van de Uitvoeringsverordening CDW.

6.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de ingevoerde auto's terecht zijn ingedeeld onder post 8703 23 90 dan wel 8703 24 90. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoel in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 31 augustus 1999 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. J.W.M. Tijnagel, gewone leden, dr.J. Heemskerk en mr. Th.J.G. van Berkum buitengewone leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris De voorzitter

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 24 oktober 2000.