Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9561

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-1999
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
490/99
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:1999:AF0370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toch toegelaten ondanks 'principiƫle' weigering kinderalimentatie te betalen (volgens proces-verbaal), want nihilstelling is verzocht, en ondanks negatieve aflossingscapaciteit, want inkomen gaat stijgen en lasten dalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Tweede meervoudige kamer

Arrest

X.

wonende te P.,

APPELLANT,

procureur mr W.J.J. Lamers

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant is bij op 9 juni 1999 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van een beslissing van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 1 juni 1999 onder rekestnummer 99.259/R 56218 waarbij het verzoek van appellant tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van het hof op 29 juni 1999. Verschenen is appellant bijgestaan door mr J.S. Dallinga, advocaat te Heemskerk

2. De gronden van de beslissing

2.1. Op grond van de inhoud van de schriftelijke stukken en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, wordt het volgende overwogen.

2.2. Gelet op de financiƫle situatie van appellant, als blijkend uit de door appellant overgelegde bescheiden, is redelijkerwijze te voorzien dat appellant niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, zodat grond aanwezig is voor toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.3. Het verzoek van appellant is in eerste aanleg afgewezen op de grond dat een deel van de schulden bestaat uit een achterstand in de nakoming van de onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen uit eerdere huwelijken. Deze schuld zou niet te goeder trouw zijn ontstaan. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat gelet op het feit dat het inkomen van appellant en zijn partner lager is dan hetgeen zij behoeven, er vrees is dat appellant de verplichtingen die uit een schuldsaneringsregeling voortvloeien niet naar behoren zal nakomen.

2.4. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat appellant ten aanzien van de onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen een verzoek (verzoeken) tot nihilstelling en kwijtschelding bij' de rechter heeft ingediend. Behandeling daarvan heeft nog niet plaatsgevonden. Appellant heeft daarnaast toegelicht dat hij over enige dagen bij een nieuwe werkgever een hoger salaris zal gaan verdienen en dat zijn lasten inmiddels ook wat zijn verminderd. Hij verwacht voorts dat hem door de gemeente een goedkopere woning zal worden aangeboden, waardoor ook zijn woonlasten zullen dalen.

2.5. Anders dan de rechtbank heeft overwogen. is het hof van oordeel dat, gelet op hetgeen appellant ter zitting nader heeft toegelicht omtrent zijn omstandigheden, niet aannemelijk is dat sprake is van een belemmering zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b en lid 2 sub b Fw om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat appellant bij het ontstaan van de achterstand in de onderhoudsbijdragen niet te goeder trouw is geweest. Daarnaast geldt dat de enkele omstandigheid dat de uitgaven die appellant en zijn partner hebben te doen hun inkomsten overstijgen, onvoldoende grond oplevert voor de vrees dat appellant tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Ook overigens is daarvan niet gebleken.

2.6. Het voorgaande leidt tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep en -alsnog~ toewijzing van het verzoek.

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

verklaart alsnog van toepassing de wettelijke schuldsaneringsregeling voor X. voornoemd;

verwijst de zaak naar de arrondissementsrechtbank te Haarlem om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.

Gewezen door mrs Bockwinkel, Splinter-Van Kan en Salomans en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 29 juni 1999 in tegenwoordigheid van mr Donner als griffier.