Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9559

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-1999
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
394/99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schulden die niet te goeder trouw zijn aangegaan vormen afwijzingsgrond, mede gelet op het aandeel van deze schulden in de totale schuldenlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Tweede meervoudige burgerlijke kamer

Arrest van 1 juni 1999

in de zaak onder rekestnummer 394/99 van:

X.,

wonende te P.

APPELLANT,

procureur: mr. H.P. Vos.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant is bij op 11 mei 1999 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 3 mei 1999 onder faillissementsnummer 98.0389, waarbij het verzoek van appellant tot omzetting van zijn faillissement in een schuldsanering is afgewezen.

1.2 Het verzoek is in hoger beroep behandeld op 1 juni 1999. Verschenen is namens appellant mr Vos, advocaat te Amsterdam en namens de curator mr S.C. Swinkels, advocaat te Amsterdam.

2. De gronden van de beslissing

2.1. Op grond van de inhoud van de schriftelijke stukken en hetgeen tijdens het onderzoek naar voren is gekomen, wordt het volgende overwogen.

2.2. Het namens appellant ingediende verzoek tot - kort gezegd - omzetting van zijn faillissement in een schuldsanering kan onder meer worden afgewezen wanneer aannemelijk is dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.

2.3. De schulden ten aanzien waarvan de rechtbank het ontbreken van de goede trouw heeft aangenomen betreffen zijn schuld aan de Sociale Dienst ontstaan wegens het (gedeeltelijk) ten onrechte ontvangen van een bijstandsuitkering alsmede zijn schuld aan Automobiel Industrie Amsterdam BV ontstaan door een door hem veroorzaakte aanrijding zonder verzekerd te zijn. Met betrekking tot de schuld aan de Sociale Dienst heeft appellant verklaard dat de ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering eerst recentelijk is stopgezet door de curator bij aanvang van zijn faillissement.

In hoger beroep is daarnaast nog gebleken dat appellant een schuld heeft aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau terzake acht onderscheiden verkeersovertredingen.

2.4. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden niet te goeder trouw is geweest zodat, ook gelet op het aandeel van de drie hiervoor genoemde schulden in de totale schuldenlast van appellant, reeds daarom het inleidend verzoek dient te worden afgewezen.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing waarvan beroep moet worden bekrachtigd.

3. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

Dit arrest in gewezen door mrs Torrenga, Visser en Splinter-Van Kan en is op 1 juni 1999 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr Donner als griffier.