Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9550

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-1999
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
345/99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondanks uitkeringsfraude toelating tot schuldsaneringsregeling vanwege de inmiddels verstreken tijd van de uitkeringsfraude alsmede vanwege overige omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Tweede meervoudige burgerlijke kamer

Arrest van 27 april 1999

in de zaak onder rekestnummer 345/99 van:

X., wonende te Amsterdam,

APPELLANT,

procureur: mr. G.J.A. Wiekart.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant is bij op 20 april 1999 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 april 1999 onder rekestnummer 99.195F, waarbij het ten behoeve van appellant ingediende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2 Het verzoek in behandeld ter terechtzitting van 27 april 1999. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr G.J.A. Wiekart, advocaat te Weesp.

2. De gronden van de beslissing

2.1. Gelet op de financiële situatie van appellant, als blijkende uit de namens hem overgelegde bescheiden, is redelijkerwijze te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, zodat grond aanwezig is voor toepassing van de schuldsaneringsregeling, tenzij aannemelijk is dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest of zich anderszins gronden voor afwijzing van het verzoek voordoen.

2.2. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank ten aanzien van de schulden aan het GAK aangenomen dat deze niet te goeder trouw tot stand zijn gekomen en heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

2.3. Uit de overgelegde stukken blijkt dat door het GAK aan appellant uitkeringen krachtens de WAO zijn gedaan over de periode van 30 maart 1993 tot 1 oktober 1993 en over de periode van 15 maart 1996 tot 1 maart 1997. In de genoemde tijdvakken is aan appellant een te hoge uitkering verstrekt, aangezien deze ten onrechte aan het GAK niet een juiste opgave had gedaan van door hem in die tijdvakken gewerkte uren en verkregen inkomsten. Gelet op een overgelegde brief van het GAK van 22 april 1999 is aannemelijk dat thans tegenover appellant nog slechte aanspraak wordt gemaakt op terugbetaling van het over laatstgenoemde periode te veel betaalde, hetgeen een bedrag van rond f 12.100 beloopt. Niet is gebleken dat thans nog andere schulden aan het GAK zouden openstaan.

2.4. Het hof is van oordeel dat appellant ten aanzien van het ontstaan van de hiervoor genoemde schuld aan het GAK niet te goeder trouw is geweest. Niettemin vindt het hof daarin geen aanleiding om de verzochte toepassing van de schuldsaneringsregeling te weigeren, dit in verband met de sedert 1 maart 1997 verstreken tijd en de overige omstandigheden van het geval. Gelet op de inhoud van het appelschrift en de daarbij overgelegde bewijsstukken, zoals ter zitting van het hof nader toegelicht, is immers voldoende aannemelijk geworden dat appellant serieuze pogingen in het werk heeft gesteld om tot betaling van zijn schulden te komen, waaronder de schuld aan het GAK, maar dat dit mede in verband met zijn voortdurende arbeidsongeschiktheid, waarbij hij is aangewezen op een uitkering van thans rond f 1.494,- per maand, niet mogelijk is geweest. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die grond opleveren om het verzoek af te wijzen.

2.5. Het voorgaande leidt ertoe dat als volgt dient te worden beslist.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

verklaart alsnog van toepassing de wettelijke schuldsaneringenregeling voor X. voornoemd;

verwijst de zaak naar de rechtbank te Amsterdam om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.

Gewezen door mrs Bockwinkel, Splinter-Van Kan en Arisz en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 27 april 1999 in tegenwoordigheid van mr Donner als griffier.

Dit arrest is wegens ontstentenis van de voorzitter ontdertekend door de oudste raadsheer en de griffier.