Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9548

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-1999
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
124/99-125/99
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:1999:AF0009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekers wel toelaten tot schuldsaneringsregeling ondanks uitkeringsfraude, dit in verband met de sindsdien verstreken tijd en de overige omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Tweede meervoudige burgerlijke kamer

Arrest

in de zaak onder rekestnummer 124/99 van:

X., wonende te P.

APPELLANT,

en

in de zaak onder rekestnummer 125/99 van:

Y., wonende te Q.

APPELLANTE,

procureur: mr. G.J.A. Hiddinga.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De appellanten worden hierna (ook) X. en Y. genoemd.

1.2. Appellanten zijn bij afzonderlijk rekest, beide ingekomen ter griffie van het hof op 12 februari 1999, in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 4 februari 1999 (rekestnummers 99/5 R en 99/4 R), waarbij hun onderscheiden verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn afgewezen.

1.3. De verzoekschriften zijn behandeld ter openbare terechtzitting van 2 maart 1999. Alstoen zijn verschenen de appellanten bijgestaan door mr. Hiddinga, voornoemd.

2. Beoordeling

2.1. Appellanten zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Op hun verzoek zijn in hoger beroep de twee verzoekschriften gevoegd behandeld en wordt daarop bij één arrest uitspraak gedaan.

2.2. Gelet op de financiële situatie van appellanten, als blijkende uit de door hen overgelegde bescheiden, is redelijkerwijze te voorzien dat zij niet zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden, zodat grond aanwezig is voor toepassing van de schuldsaneringsregeling, tenzij er gronden voor weigering bestaan, in deze zaak: tenzij aannemelijk is dat appellanten ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van die schulden niet te goeder trouw zijn geweest.

In de vonnissen waarvan beroep heeft de rechtbank ten aanzien van drie in die vonnissen nader genoemde schulden aangenomen dat deze niet te goeder trouw zijn aangegaan, en is tot het oordeel gekomen dat het verzoek tot (definitieve) toepassing van de schuldsanering in beide zaken moet worden afgewezen.

Tegen die beslissingen en de gronden waarop zij rusten, komen appellanten in hoger beroep op. In dat verband wordt het volgende overwogen.

2.3. Uit de overgelegde stukken blijkt dat door de gemeente Muiden aan Y. over het tijdvak van 4 tot en met 31 december 1992 ten onrechte een bijstandsuitkering is verleend, aangezien Y. toen niet langer in Muiden maar in Lelystad woonachtig was. Bij brief van 29 december 1992 van de gemeente Muiden is Y. daarvan in kennis gesteld, waarna Y. aan de gemeente heeft verzocht om mee te werken aan een schuldbemiddeling dan wel schuldsanering. Toen de schuld op 7 december 1994 nog niet was voldaan, heeft de gemeente deze definitief vastgesteld op een bedrag van f 879,97 en heeft - met toestemming van Y. - ter aflossing van deze schuld met ingang van januari 1995 f 100,- per maand ingehouden op een uitkering die de gemeente per 15 november 1994 opnieuw aan Y. had verstrekt. Op deze schuld staat thans nog een bedrag van f 547,77 open.

2.4. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat aan X. door het GAK uitkeringen krachtens de werkloosheidswet zijn gedaan in de periode van 27 september 1993 tot en met 2 juli 1995. In die periode - en wel in de tijdvakken l0 juni 1994 tot en met 14 augustus 1994, 23 januari 1995 tot en met 19 februari 1995, en 27 maart 1995 tot en met 2 juli 1995 - is aan X. een te hoge uitkering verstrekt, aangezien deze naar aannemelijk is geworden - ten onrechte aan het GAK niet een juiste opgave had verstrekt van door hem in die tijdvakken bij uitzendbureaus gewerkte uren.

Terzake is X. door het GAK tot terugbetaling aangeschreven bij brieven van respectievelijk 14 mei 1996 en 23 oktober 1997. Het GAK maakt aanspraak op terugbetaling van een bedrag van totaal f 10.967,69 exclusief kosten. Betaling van dat bedrag heeft nog niet plaatsgevonden.

2.5. Het hof is van oordeel dat de onder 2.3. genoemde schuld aan de gemeente Muiden niet in de weg kan staan aan het door Y. gedaan verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Al aangenomen immers dat aan Y. kan worden verweten dat deze schuld is ontstaan (zij heeft aangevoerd dat zij de gemeente Muiden van haar adreswijziging in kennis had gesteld, maar dat de gemeente toch tot uitkering is overgegaan), zijn er - mede gelet op de overige schulden van haar gezin die betaald moesten worden - geen aanwijzingen dat Y. kan worden verweten dat deze schuld nog niet volledig is afgelost. Daar komt nog bij dat het hier in verhouding tot de totale schuldenlast van het gezin - volgens de overgelegde 'verklaring schuldsanering' van de gemeente Weesp gedateerd 28 december 1998 een bedrag van f 58.744,03 belopend - om een betrekkelijk gering bedrag gaat, terwijl de betrokken schuld al van zes jaar voor de indiening van het inleidend verzoekschrift dateert.

2.6. Met betrekking tot de hierboven onder 2.4. genoemde schuld van X. aan het GAK moet wel de slotsom zijn dat het ontstaan daarvan aan X. kan worden verweten. Niettemin vindt het hof daarin geen aanleiding om de verzochte toepassing van de schuldsaneringsregeling te weigeren, dit in verband met de sindsdien verstreken tijd en de overige omstandigheden van het geval.

Op grond van de inhoud van het appelschrift en de daarbij overgelegde bewijsstukken, zoals ter zitting van het hof nader toegelicht, is immers voldoende aannemelijk geworden dat X. pogingen in het werk heeft gesteld om zich weer arbeidsinkomen te verwerven, alsmede dat het gezin van X. en Y. (waartoe drie minderjarige kinderen behoren, waarvan er één gehandicapt is) mede in verband met de langdurige werkloosheid van X. (die pas op 1 augustus 1996 is geëindigd) met grote financiële problemen werd en nog steeds wordt geconfronteerd als gevolg waarvan betaling van de schuld aan het GAK is uitgebleven.

2.7. Uit het voorgaande volgt dat de vonnissen waarvan beroep moeten worden vernietigd, en dat de inleidende verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog dienen te worden toegewezen.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep;

verklaart voor X. en Y. alsnog de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing;

verwijst de zaken naar de rechtbank te Amsterdam om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bockwinkel, Ingelse en Splinter-Van Kan en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 1999.