Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8176

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21135
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhuur van een vakantiebungalow via een tussenpersoon voor een hoger bedrag dan de door de verhuurder van die tussenpersoon ontvangen huur brengt mee dat de voor de bungalow betaalde huur voor de verhuurder de grondslag van de afschrijving vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/31.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/21135

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 10 oktober 1997, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 29 augustus 1997, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 29 december 1997.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van f 38.668. Het bezwaar tegen deze aanslag is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van primair f 37.106, subsidiair f 37.659 en meer subsidiair f 37.982 dan wel f 38.344.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Voor zover nodig met toestemming van de Voorzitter van de Vierde Meervoudige Belastingkamer hebben partijen conclusies van re- en dupliek ingediend.

Ter zitting van 30 september 1998 is de inspecteur verschenen. Hij heeft kennis kunnen nemen van de brief van belanghebbende van 22 september 1998 waarin onder meer wordt meegedeeld dat geen gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. De inspecteur heeft een afschrift overgelegd van een bericht inzake een proces-verbaal van een mondelinge uitspraak van het Hof te Leeuwarden van 11 september 1998, nummer 474/95.

Na de zitting heeft tussen Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een nadere mondelinge behandeling van het beroep te verzoeken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten.

2.1.1. Belanghebbende, geboren in het jaar 1950 en monteur van beroep, heeft bij notarieel verleden akte van 30 mei 1995 de eigendom verkregen van de vijfpersoonsbungalow met ondergrond en inventaris, genummerd 312, staande en gelegen in het recreatiepark "A" te Q (hierna: het recreatiepark). De verkoper was B B.V.

2.1.2. In de akte is de door belanghebbende betaalde koopprijs voor wat betreft de bungalow bepaald op f 126.802 en voor wat betreft de inventaris op f 5.875. In de akte is voorts bepaald dat belanghebbende als koper bekend is met de tussen B B.V. en Recreatiecentrum A B.V.(hierna: A B.V.) bestaande huurovereenkomst betreffende de bungalow. Belanghebbende neemt blijkens de akte de rechten en verplichtingen uit die huurovereenkomst over van B B.V.

In de akte is de jaarlijkse huuropbrengst voor de bungalow op f 13.798,40 bepaald, dat is 10,4% van de totale koopsom ad f 132.677, achteraf uit te keren in maandelijkse termijnen.

2.2.1. De door belanghebbende overgenomen rechten en verplichtingen maken deel uit van met betrekking tot alle 524 bungalows in het recreatiepark bestaande rechten en verplichtingen, zoals vastgelegd in een op 10 februari 1995 opgemaakte huurovereenkomst tussen C B.V. en A B.V., exploitant van dit park, en tevens bestuurder van de Stichting Groot Onderhoud A (hierna: de Stichting). C B.V. heeft haar rechten en verplichtingen uit deze overeenkomst bij akte van 24 februari 1995 overgedragen aan B B.V.

2.2.2. Blijkens de overeenkomst van 10 februari 1995 worden de bungalows voor een periode van 20 jaar, met een optie voor nog eens 10 jaar, verhuurd aan A B.V., welke B.V. de bungalows door tussenkomst van een verhuurbemiddelings-organisatie aan derden ter beschikking stelt voor een korte periode. Eigen gebruik van de bungalow door de verhuurder is alleen mogelijk door tussenkomst van evenbedoelde organisatie volgens de tarieven en voorwaarden die aan derden in rekening worden gebracht.

2.2.3. In deze overeenkomst is voorts het volgende opgenomen:

"... 5.1. Voor rekening van huurder komen:

a. de onroerende zaakbelasting (eigenaarsdeel en gebruikersdeel);

b. de overige bestaande of toekomstige belastingen, precariorechten, lasten, heffingen en retributies ter zake van het gehuurde en van zaken van huurder;

c. milieuheffingen, waaronder ....

d. abonnements- en gebruikskosten van openbare nutsvoorzieningen, waaronder ....

e. verzekeringspremies inboedelverzekering en opstalverzekering, ....

f. geringe en dagelijkse reparaties ....

g. tuinonderhoud ....

5.2. Huurder in zijn hoedanigheid als bestuurder van de Stichting, verklaart hierbij dat voor rekening van de Stichting komen:

a. onderhoud, herstel en vernieuwing van constructieve onderdelen van het gehuurde, zoals ...

b. onderhoud, herstel en vernieuwing van trappen, ....

c. vervanging of vernieuwing of modernisering van de inventaris;

d. vervanging van onderdelen en vernieuwing van installaties,

e. binnen en buitenschilderwerk,

f. vernieuwing van hang- en sluitwerk, spiegel/venster en andere ruiten, ...

g. ...

h. ...

i. ...

j. al het overige.

5.3. De Stichting zal het onder 5.2. bedoelde financieren uit het daartoe gecreëerde onderhoudsfonds. De huurder heeft zich bij afzonderlijke overeenkomst, ..., verplicht om aan de Stichting ieder jaar, voor het eerst vanaf 1-04-1996, een bedrag te fourneren dat overeenkomt met 50% van het door de huurder over dat jaar behaalde bedrijfs-resultaat voor vennootschapsbelasting.

5.4. Voor zover de kosten zoals onder 5.2. aangegeven niet kunnen worden bestreden uit het onderhoudsfonds van de Stichting komen deze voor rekening van de verhuurder.

...".

2.3.1. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting heeft belanghebbende op de inkomsten uit de bungalow ad f 8.655 (7 maanden huur) onder meer in mindering gebracht:

Afschrijving

- woning 15% van f. 8655 f. 1298

- inventaris (afschrijving in

5 jaar; voor 1995 ged. 7 maanden)

7/12 x 1/5 x 5.875 (aank.pr.) f. 685

¦ 1.983.

2.3.2. Bij het regelen van de aanslag heeft de inspecteur de afschrijving op de bungalow uiteindelijk berekend op f 974 (3/4 x 8655 x 15%) en de afschrijving op de inventaris niet in aftrek toegestaan.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of

a. de afschrijving op de bungalow moet worden bepaald op 2,5% van de door belanghebbende betaalde koopsom, hetgeen belanghebbende stelt, maar de inspecteur betwist;

b. zo het gelijk met betrekking tot het vorige geschilpunt aan de inspecteur is, voor deze afschrijving moet worden uitgegaan van 100%, gelijk belanghebbende stelt, dan wel van 75% van de door belanghebbende ontvangen huur, gelijk de inspecteur stelt; c. op de inventaris door belanghebbende kan worden afgeschreven, hetgeen door belanghebbende bevestigend wordt beantwoord en door de inspecteur ontkennend.

Indien op deze punten het gelijk aan de inspecteur is, is in geschil of de inspecteur op grond van enig beginsel van behoorlijk bestuur gehouden is de aanslag conform het standpunt van belanghebbende vast te stellen.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende aan zijn standpunt toegevoegd:

Het groot onderhoud komt ook niet voor rekening van belanghebbende en hij krijgt toch 15%. Als blijkt dat A B.V. niet voldoende stort, dan moet opnieuw bekeken worden hoe het zit. De verdeling van de koopsom 126.000 - 5.000 is niet getoetst maar aangenomen, het zal wel in verhouding hebben gestaan tot de toen aanwezige inventaris. In dit park is inventaris altijd f5.000.

Er is hier sprake van een gecoördineerd beleid, uitgezet door het Ministerie van Financiën en door de Belastingdienst Ondernemingen P gevolgd. Dat het bij de broer anders zou zijn gegaan kan op een incidentele fout berusten; ik weet niet onder welke eenheid de broer valt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. Niet in geschil is dat de onderhavige bungalow dient te worden aangemerkt als een woonhuis met een levensduur van ten minste 40 jaren en vaststaat dat deze niet tot het vermogen van een onderneming behoort. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, moet de afschrijving van de bungalow dan worden gesteld op 15 percent van de huurwaarde. Onder huurwaarde in voormelde zin dient te worden verstaan de huurwaarde in het economische verkeer van de bungalow.

5.1.2. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het eerste lid niet van toepassing op woonhuizen waarvan de huurwaarde in aanmerkelijke mate de invloed ondergaat van ongebouwde aanhorigheden.

5.1.3. Het Hof overweegt dat voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat op de door hem ontvangen huuropbrengst sprake is van een invloed als bedoeld in het tweede lid, hij voor deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur geen bewijs heeft geleverd. Het Hof verwerpt mitsdien de stelling van belanghebbende dat voor de afschrijving moet worden uitgegaan van een andere grondslag dan de huurwaarde.

5.2.1. Vaststaat dat de verhuur betrekking heeft op de bungalow inclusief de daarin aanwezige inventaris. Het Hof volgt om die reden de inspecteur in zijn standpunt dat een gedeelte van de huuropbrengst moet worden toegerekend aan die inventaris. Aan een door belanghebbende gestelde mededeling over de afschrijving, opgenomen in de verkoopbrochure, kent het Hof geen betekenis toe.

5.2.2. De inspecteur heeft gesteld dat 25% van de ontvangen huur dient te worden toegerekend aan de inventaris. Hij beroept zich in dit verband op ervaringsregels. Deze regels hebben kennelijk betrekking op gevallen waarin de kosten van onderhoud of vervanging van inventaris voor rekening van de verhuurder komen. In het onderhavige geval is evenwel in de onder 2.2.3. bedoelde overeenkomst bepaald dat vervanging, vernieuwing of modernisering van de inventaris in beginsel niet voor rekening van de verhuurder komt (zie punt 5.2., onder c, van die overeenkomst). Niet gebleken is dat hier het in punt 5.4. van die overeenkomst omschreven geval zich heeft voorgedaan of naar verwachting zal voordoen.

5.2.3. Om de evengenoemde reden volgt het Hof belanghebbende in zijn standpunt dat voor de toerekening van de ontvangen huur aan enerzijds de bungalow en anderzijds de inventaris de uit de akte blijkende splitsing van de koopsom in een aan de bungalow toe te rekenen gedeelte en een aan de inventaris toe te rekenen gedeelte als uitgangspunt genomen kan worden.

5.2.4. Dit brengt mee dat van de ontvangen huur ad f 8.655 een gedeelte van 5.875/132.677 aan de inventaris dient te worden toegerekend, dat is (8.655 x 5.875/132.677 =) f 383, en het overige gedeelte ter grootte van (8.655 - 383 =) f 8.272 aan de bungalow.

5.3.1. Nu voor de afschrijvingsgrondslag de huurwaarde in het economische verkeer van de bungalow als uitgangspunt moet worden genomen verwerpt het Hof de kennelijke stelling van de inspecteur dat de door belanghebbende ontvangen huuropbrengst de grondslag voor de afschrijving vormt. Gelet op de voor rekening van A B.V. komende lasten met betrekking tot de bungalow is aannemelijk dat de huurwaarde in het economische verkeer van deze bungalow ten minste de tussen belanghebbende en A B.V. overeengekomen huur beloopt vermeerderd met evenbedoelde lasten, welke door belanghebbende onweersproken zijn gesteld op f 2.400.

5.3.2. Voor het onderhavige jaar brengt dit mee dat de afschrijvingsgrondslag dient te worden gesteld op het onder 5.2.4 berekende bedrag van f 8.272, vermeerderd met 7/12 van f 2.400 ofwel f 1.400, dat is te zamen f 9.672. De afschrijving op de bungalow bedraagt dan 15% van f 9.672, dat is f 1.451.

5.3.3. De door de inspecteur in aanmerking genomen afschrijving ad f 974 dient op grond van het vorenoverwogene te worden verhoogd met (1.451 -/- 974 =) f 477.

5.4.1. Uit de overeenkomsten ter zake van de verhuur vloeit voort dat de inventaris voor rekening van een ander dan belanghebbende in stand wordt gehouden dan wel wordt vernieuwd. In een zodanig geval kan niet geoordeeld worden dat sprake is van een voor rekening van belanghebbende komende waardevermindering van die inventaris. Reeds hierom komt belanghebbende niet toe aan afschrijving op die inventaris.

5.4.2. De - door de inspecteur betwiste - stelling van belanghebbende dat de Stichting in gebreke is gebleven met het vormen van een onderhoudsfonds is onvoldoende om aannemelijk te achten dat de in de overeenkomst ter zake onder 5.4. opgenomen bepaling in het onderhavige jaar toepassing heeft gevonden of naar verwachting binnen afzienbare tijd toepassing zal vinden.

Het beroep van belanghebbende op deze bepaling kan hem derhalve niet baten.

5.5.1. Het vorenoverwogene brengt mee dat het belastbare inkomen kan worden verminderd met het onder 5.3.3. berekende bedrag van f 477 aan te weinig in aanmerking genomen afschrijving en dat voor andere wijzigingen van dit inkomen geen redenen aanwezig zijn.

5.5.2. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de inspecteur op grond van het gelijkheidsbeginsel aan de grieven van belanghebbende tegemoet dient te komen, overweegt het Hof als volgt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient aannemelijk te worden gemaakt dat ten aanzien van belanghebbende is afgeweken van een in strijd met de wettelijke bepalingen gevoerd begunstigend beleid van de inspecteur dan wel dat de inspecteur de wet in de meerderheid van de gevallen niet juist heeft toegepast. Nu belanghebbendes stelling ter zake uitsluitend berust op de wijze waarop de aanslag van zijn broer is geregeld, vormt de juistheid van die stelling onvoldoende grond voor een zodanig oordeel. De onderwerpelijke stelling moet dan ook worden verworpen.

5.6. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep gedeeltelijk gegrond is en dat het vastgestelde belastbare inkomen ad f 38.668 moet worden verlaagd met f 477 tot f38.191.

6. Proceskosten

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Het Hof acht om die reden geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof:

-verklaart het beroep gegrond,

-vernietigt de uitspraak waarvan beroep.

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 38.191 en

-gelast de inspecteur het gestorte griffierecht ad f 80 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 19 maart 1999 door mr. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Voornoemd lid heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.