Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8175

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21777
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij gebrek aan gegevens kan het waterschap de heffingsgrondslag met behulp van een redelijke schatting berekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/908
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/21777

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Vallei & Eem te Amersfoort, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is op 1 december 1997 ter griffie een beroepschrift ontvangen, ingediend door A (...) te P als haar gemachtigde en aangevuld bij brief van 8 december 1997.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 31 oktober 1997, betreffende de door het Zuiveringsschap Veluwe, de rechtsvoorganger van verweerder, aan belanghebbende opgelegde aanslag in de zuiveringslasten voor het jaar 1995.

De aanslag heeft betrekking op het lozen van afvalstoffen vanuit het perceel a-straat 1 te Q (hierna: de bedrijfsruimte). Hij is berekend naar een heffingsmaatstaf van 1.222 vervuilingseenheden (hierna: v.e.). De heffing beloopt f 80.652.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een heffingsgrondslag van uiteindelijk 871,3 v.e. dan wel 842 v.e.

Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert - naar het Hof begrijpt - primair tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een heffingsgrondslag van 1.115,4 v.e., overeenkomstig het besluit tot ambtshalve vermindering van de aanslag, gedagtekend 19 februari 1998, en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 5 februari 1999 zijn verschenen namens belanghebbende B, werknemer van belanghebbende, en voornoemde gemachtigde, vergezeld van zijn kantoorgenoot C, alsmede namens verweerder E en F.

Gemachtigde heeft een tot de gedingstukken gerekende pleitnota overgelegd en voorgedragen. Verweerder heeft kennis kunnen nemen van en kunnen reageren op de bij de pleitnota gevoegde bijlagen.

Verweerder heeft na afloop van de mondelinge behandeling nog de volgende stukken ingezonden: een afschrift van de bekendmaking van de hierna te noemen heffingsverordening, een kopie van de factuur waarin is vermeld in welke kranten deze bekendmaking heeft plaatsgevonden en een afschrift van het hiervoor bedoelde besluit tot ambtshalve vermindering van de aanslag. Belanghebbende heeft ter zitting te kennen gegeven er geen behoefte aan te hebben zich over deze stukken uit te laten.

2. De Verordening

2.1. In het gedeelte van de provincie Gelderland waarin de gemeente P, gold voor het jaar 1995 de heffingsverordening 1995, welke is vastgesteld bij besluit van de algemene vergadering van het zuiveringsschap Veluwe, van 28 september 1994, goedgekeurd bij Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland van 11 november 1994, nr. MW 94-68471-6082008, en gepubliceerd in diverse op 3 december 1994 verschenen regionale bladen (hierna: de Verordening).

2.2. De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1.

Ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren en ter bestrijding van uitgaven, verbonden aan de aan het zuiveringsschap opgelegde heffingen als bedoeld in artikel 17 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, wordt onder de naam zuiveringslasten een directe belasting geheven, hierna te noemen: de heffing.

(...)

Artikel 6

Voor de heffing geldt als maatstaf:

a. voor zuurstofbindende stoffen:

de gemiddelde belasting per etmaal met die stoffen van een oppervlaktewater of een zuiveringstechnisch werk, uitgedrukt in vervuilingseenheden (...)

b. voor andere stoffen

de hoeveelheid van die stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden welke in het heffingsjaar op een oppervlaktewater of op een zuiveringstechnisch werk wordt gebracht.

(...)

Artikel 8

1. Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen van een bedrijfsruimte wordt berekend met behulp van door meting en bemonstering en analyse verkregen gegevens met inachtneming van de in bijlage 1 van deze verordening opgenomen voorschriften.

2. De in het eerste lid bedoelde meting en bemonstering geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in het derde lid.

3. Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting en bemonstering in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, beslist het dagelijks bestuur dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in het tweede lid.

Het besluit op de aanvraag wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. In zijn beschikking geeft het dagelijks bestuur in ieder geval voorschriften met betrekking tot:

a. het aantal in het heffingsjaar gelegen, daartoe aangewezen tijdvakken waarin bemeting en bemonstering geschieden (...)

b. de wijze waarop de op de voet van letter a verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden per etmaal over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;

c. het heffingsjaar of de heffingsjaren, ten aanzien waarvan die beschikking van toepassing is.

4. (...)

Artikel 9

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 8 kan het aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte worden berekend met toepassing van de in bijlage 2 van deze verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien:

a. toepassing van die tabel niet leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 dan wel - voor zover het in de tabel onder (...) en 44 vermelde rubrieken betreft - niet leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 100, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, en

b. berekening op de voet van artikel 8 niet leidt tot een aantal vervuilingseenheden dat zowel ten minste 25% als ten minste 125 vervuilingseenheden hoger uitkomt dan bij een berekening met toepassing van die tabel.

2. Indien - voorzover het in de tabel onder (...) en 44 vermelde rubrieken betreft - aannemelijk wordt gemaakt dat berekening van het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 8, beslist het dagelijks bestuur op aanvraag van de heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.

(...)".

2.3. Tot de stukken behoort een afschrift van het rapport inzake richtlijnen voor aftrek van gebruikt water wat niet wordt geloosd, bij toepassing van de tabel afvalwatercoëfficiënten, opgesteld door de Werkgroep heffingsverordening Wet verontreiniging oppervlaktewateren van de Unie van Waterschappen, uitgegeven in juni 1982.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Het in de bedrijfsruimte uitgeoefende bedrijf van belanghebbende houdt zich onder meer bezig met het bakken van deegwaren.

3.2. Door het bedrijf wordt zowel leidingwater als bronwater ingenomen. Het lozen van water vanuit de bedrijfsruimte geschiedt zowel via lozingspunten voor het schoonwaterriool en als via lozingspunten voor het vuilwaterriool.

3.3. In de jaren 1991 en 1993 hebben gedurende telkens een week en in het jaar 1992 gedurende tweemaal een week metingen plaatsgevonden, op grond waarvan de hierna te noemen afvalwatercoëfficiënten, gerelateerd aan de productie, zijn berekend:

1991 0,092 v.e./ton

1992 0,040 v.e./ton

1992 0,057 v.e./ton

1993 0,096 v.e./ton.

3.4.1. Tijdens een bijeenkomst op 30 november 1994 hebben belanghebbende en de rechtsvoorganger van verweerder nadere besprekingen gevoerd over de "voortgang betreffende meten en bemonsteren en de heffingsberekening ... naar aanleiding van een door het bedrijf opgestelde kostenraming ten behoeve van een centrale meet- en monsternamevoorziening.".

3.4.2. In het verslag van deze bijeenkomst, opgemaakt door de rechtsvoorganger van verweerder, staat onder andere het volgende vermeld:

"(...)

Bespreking

(...) Het bedrijf is formeel verplicht te meten en te bemonsteren omdat de tabelwaarde groter is dan 100 v.e. (...). Het bedrijf valt namelijk in de categorie `overige bedrijven`. Toepassing van de tabelcoëfficiënt v.e./per m3 gebruikt water, rekening houdend met het water dat op het schoonwaterriool wordt geloosd, levert een vervuilingswaarde op van 1380 v.e.. Deze waarde lijkt onder de huidige omstandigheden een redelijke benadering van de gemeten waarde (...).

Heffing

Het bedrijf heeft in 1991, 1992 en 1993 meetweken uitgevoerd. Op basis van de metingen in 1991 is de definitieve aanslag 1991 opgelegd. Voor 1992 en 1993 is deze nog niet vastgesteld.

De meting van 1991 is uitgevoerd in een week met een goede gemiddelde produktie en waterverbruik ten opzichte van de jaargegevens. Op basis van de meetweek is een coëfficiënt ve/ton berekend. Om de vervuilingswaarde te bepalen is deze coëfficiënt vermenigvuldigd met de jaarproduktie.

De verwachting is dat in een week met een hoge produktie de coëfficiënt relatief laag zal zijn en in een week met een lage produktie relatief hoog. Het bedrijf beaamd deze veronderstelling. Hierom is ook de afspraak gemaakt dat het bedrijf in 1992 een week met een hoge produktie en een week met een lage produktie zou gaan meten. Door wijzigingen in de produktieplanning is er in 1992 alleen in weken met een hoge produktie gemeten. Deze metingen zijn niet representatief voor de jaar produktie van 1992.

De meting van 1993 is ook uitgevoerd in een week met een goede gemiddelde produktie en waterverbruik ten opzichte van de jaargegevens. De coëfficiënt ve/ton in deze week komt goed overeen met de gegevens uit 1991.

Met het bedrijf is besproken dat voor 1993 de heffing zal worden vastgesteld rechtstreeks uit de meetgegevens. Voor de heffing van 1992 zal de gemiddelde coëfficiënt van 1991 en 1993 worden gehanteerd. Het bedrijf vindt dit redelijk. (...) Vanaf 1994 kan bij onveranderde situatie de heffing worden vastgesteld door het ingenomen water te vermenigvuldigen met de coëfficiënt voor overige bedrijven 0,023 ve/m3 ingenomen water dat op vuilwaterriolering wordt geloosd.(...).

Afspraken

(...)

Vanaf 1994 kan de heffing worden vastgesteld door het ingenomen water te vermenigvuldigen met de coëfficiënt voor overige bedrijven.(...)".

3.5. Het op 6 december 1995 door belanghebbende ingediende verzoek zoals bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Verordening is door de rechtsvoorganger van verweerder afgewezen.

3.6.1. Op het aangiftebiljet voor de onderhavige heffing, door de rechtsvoorganger van verweerder ontvangen op 12 maart 1996, heeft belanghebbende ingenomen leiding- en grondwater aangegeven tot respectievelijk 14.613 en 60.553 m3, alsmede op de riolering geloosd afval- en niet verontreinigd koelwater tot respectievelijk 13.663 en 24.220 m3, en daarbij vermeld dat 40% van het ingenomen grondwater wordt geloosd op het vuilwaterriool en 60% op het schoonwaterriool. Aangegeven is een produktie voor het jaar 1995 van 11.866 ton met een waterverbruik op het deeg van 8% (is 950 m3).

3.6.2. In deze aangifte is voorts vermeld dat het afvalwater via 5 lozingspunten op het vuilwaterriool wordt geloosd en het niet-verontreinigd koelwater via 1 lozingspunt op het schoonwaterriool wordt geloosd. Blijkens een als bijlage 3 bij bijlage B bij het beroepschrift gevoegd lozingsschema wordt ook koelwater geloosd op het vuilwaterriool.

3.6.3. De vraag op het aangiftebiljet of in het heffingsjaar door of vanwege het bedrijf metingen zijn verricht in het afvoersysteem is door belanghebbende ontkennend beantwoord, evenals de vraag of er van het bedrijf bijzonderheden zijn te vermelden welke van belang zijn voor de bepaling van de vervuilingswaarde.

3.7.1. De bij de berekening van de op 31 december 1996 vastgestelde aanslag in aanmerking genomen afvalwatercoëfficiënt van 0,094 v.e./ton is de gemiddelde afvalwatercoëfficiënt van de metingen in de jaren 1991 en 1993. Het daaruit resulterende aantal vervuilingseenheden ad 1.115 is vervolgens verhoogd met 10% tot 1.222.

3.7.2. Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 1994 aanslagen opgelegd, berekend naar respectievelijk

761, 1.086, 1.177 en 1.159 v.e.

3.8.1. Tot de stukken behoort een afschrift van een brief van belanghebbende aan verweerder, gedagtekend 4 september 1997, waarin wordt verwezen naar een hoorzitting op 14 mei 1997. Blijkens deze brief is tijdens de hoorzitting afgesproken dat belanghebbende nadere informatie zal geven omtrent de genomen maatregelen in de afgelopen jaren, ter verbetering van de afvalwaterlozingssituatie.

3.8.2. In voormelde brief wordt onder andere verwezen naar een door belanghebbende opgesteld overzicht van "de produktie in ton versus aantal schoonmaakhandelingen" van het bedrijf, volgens welk overzicht als gevolg van het in gebruik nemen van een automatisch doseersysteem in 1995/1996 het aantal schoon te maken bakken per ton product ten opzichte van de jaren daarvoor is gedaald van 15 naar 10.

3.8.3. Tot de stukken behoort een afschrift van een brief van verweerder, gedagtekend 21 oktober 1997, waarin - voor zover thans van belang - het volgende aan belanghebbende is meegedeeld:

"(...) Uiteraard zijn wij bereid tot nader overleg en nadere toelichting. Deze zal dan wat ons betreft betrekking moeten hebben op

- exacte invulling afspraken bepaling vervuilingswaarde 1994-1997

(...)

Wij nemen binnenkort contact met u op voor het maken van een afspraak.

(...)".

3.8.4. Met dagtekening 31 oktober 1997 wordt uitspraak gedaan op het bezwaar, waarbij onder verwijzing naar de brief van 21 oktober 1997 de aanslag wordt gehandhaafd.

3.9. In het onder 1 aangehaalde besluit tot ambtshalve vermindering van de aanslag wordt overwogen dat de aanslag wordt berekend naar (11.866 ton x 0,094 =) 1.115,4 v.e. vermenigvuldigd met het tarief van f 66 = f 73.616,40.

4. Geschil

Tussen partijen is thans nog in geschil of berekening van de aanslag op basis van de op 30 november 1994 gemaakte afspraak leidt tot een lagere aanslag dan de onderhavige en zo nee of bij de berekening van de aanslag op basis van de in het verleden verrichte metingen al dan niet terecht de in het jaar 1992 verrichte metingen buiten beschouwing zijn gebleven, alsmede of al dan niet terecht geen aftrek is toegepast in verband met in het product verwerkt water en met koelwater dat is afgevoerd zonder te zijn verontreinigd.

5. Standpunten van partijen

5.1. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5.2. Ter zitting is daar nog het volgende aan toegevoegd door of namens

belanghebbende:

Wij vinden dat we onder de tabel vallen want het aantal v.e. is lager dan 1.000. De afspraak was dat er meters worden geïnstalleerd voor de afvoer op het schoonwaterriool en het vuilwaterriool. Het is niet zo dat er ten onrechte geen metingen zijn verricht, want er was een afspraak dat dit niet nodig was. Als de aanslag wordt berekend op basis van de afspraak dan moet deze worden berekend naar 873,8 v.e.

De in de aangifte vermelde splitsing van het bronwater in 40% - 60% is een schatting op basis van de metingen in 1991, 1992 en 1993.

Mijn primaire conclusie vervalt.

Het bedrijf was het niet eens met de aanslagen over eerdere jaren, er is veel overleg geweest, maar om andere redenen is daar geen bezwaar tegen gemaakt. Het concern waar belanghebbende toebehoort, is bezig met een operationele studie over de bedrijven die kunnen blijven. Grote investeringen zijn ook in het verleden achterwege gebleven in verband met andere zaken, waaronder overnames.

De gemaakte afspraken zijn niet op alle punten even duidelijk.

verweerder:

Een bedrijf moet meten; als dat niet gebeurt wordt een redelijke schatting gemaakt. Er zijn afspraken gemaakt om tot een zo goed mogelijke schatting te komen. Toepassing van nr. 44 uit de tabel brengt mee dat uitgegaan moet worden van het ingenomen water, het is onbegrijpelijk waarom belanghebbende denkt dat uitgegaan moet worden van lozing op het vuilwaterriool.

Ik erken dat er een misstap is gemaakt door uitspraak te doen zonder het in de brief van 21 oktober 1997 bedoelde nadere overleg af te wachten. De in de brief genoemde "exacte invulling" moet betrekking hebben op de aanpassing van het rioolstelsel.

Zie de toelichting op artikel 9 van de Verordening, waarin wordt verwezen naar artikel 11 AWR in gevallen waarin de meting en bemonstering ten onrechte achterwege is gebleven.

6. Beoordeling van het geschil

6.1.1. In artikel 8 van de Verordening worden, door de heffingsplichtige na te leven, voorschriften gegeven teneinde de heffingsgrondslag van de belasting zo juist mogelijk te kunnen berekenen. Deze voorschriften gelden niet ingeval de heffingsgrondslag wordt berekend met behulp van de bij de Verordening behorende tabel voor de in artikel 9 bedoelde heffingsplichtigen.

6.1.2. Onder de in artikel 9 bedoelde heffingsplichtigen vallen niet de onder rubriek 44 van de tabel vermelde "overige bedrijven" met een vervuilingswaarde van meer dan 100 v.e. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de vervuilingswaarde van belanghebbendes bedrijf in elk geval meer dan 100 v.e. is, brengt het bepaalde in artikel 9 mee dat het beroep van belanghebbende op toepassing van de tabel moet worden verworpen.

6.1.3. Nu vaststaat dat belanghebbende de in artikel 8 bedoelde voorschriften niet heeft nageleefd en bijgevolg in de aangifte voor het onderhavige jaar geen opgaaf heeft gedaan van het aantal vervuilingseenheden, staat het verweerder vrij de heffingsgrondslag te berekenen op basis van een redelijke schatting, tenzij verweerder op grond van enig beginsel van behoorlijk bestuur is gehouden die heffingsgrondslag op een andere wijze te berekenen.

6.2.1. Belanghebbende heeft zich in dit verband beroepen op de - onder 3.4.opgenomen en - tussen haar en verweerder op 30 november 1994 gemaakte afspraak, en gesteld dat die afspraak niet anders kan worden uitgelegd dan dat de heffingsgrondslag wordt berekend aan de hand van het ingenomen water dat wordt geloosd op het vuilwaterriool, hetgeen naar belanghebbendes berekening neerkomt op (37.883 x 0,023 =) 871,3 v.e..

6.2.2. Ter zitting is door belanghebbende verklaard dat de voor deze berekening gehanteerde splitsing in 40% en 60% van het geloosde grondwater op het schoon- en vuilwaterriool is gebaseerd op een schatting.

6.2.3. Verweerder heeft de door belanghebbende gegeven uitleg van deze afspraak betwist en gesteld dat nakoming van de afspraak leidt tot een hogere heffingsgrondslag. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het verslag van deze bespreking, waarin onder meer het volgende is opgenomen: "Toepassing van de tabelcoëfficiënt v.e./per m3 gebruikt water, rekening houdend met het water dat op het schoonwaterriool wordt geloosd, levert een vervuilingswaarde op van 1.380 v.e.", en aangevoerd dat een door belanghebbende berekende vervuilingswaarde van 871,3 v.e., mede gelet op de heffingsgrondslag van de aanslagen over eerdere jaren, in het licht hiervan onbegrijpelijk is.

6.2.4. Gelet op hetgeen verweerder heeft aangevoerd, acht het Hof niet aannemelijk dat de afspraak zo moet worden uitgelegd dat de aanslag naar de door belanghebbende gestelde vervuilingswaarde moet worden berekend. Het nader ingenomen primaire standpunt van belanghebbende wordt mitsdien verworpen.

6.2.5. Nu de door verweerder gestelde en door het Hof aannemelijk geachte uitleg van de afspraak tot een hogere vervuilingswaarde leidt dan die welke aan de aanslag ten grondslag ligt, kent het Hof voor het onderhavige geschil overigens geen betekenis toe aan deze afspraak.

6.3.1. Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder de heffingsgrondslag kon berekenen op basis van een redelijke schatting. Verweerder heeft voor deze schatting gebruik gemaakt van de meetgegevens uit de jaren 1991 en 1993. Nu aannemelijk is dat naar verweerder gemotiveerd heeft gesteld de gegevens uit het jaar 1992 niet representatief zijn, was verweerder niet gehouden eveneens met deze gegevens rekening te houden. Het Hof verwerpt derhalve de subsidiaire stelling van belanghebbende.

6.3.2. Het beroep van belanghebbende op de richtlijnen inzake de aftrek van in het product verwerkt water, waaronder niet-verontreinigd koelwater wordt begrepen, wordt verworpen. Een dergelijke aftrek is immers blijkens het rapport waarop belanghebbende zich beroept en zoals naar het oordeel van het Hof in de rede ligt, bedoeld voor bedrijven die op basis van watergebruik (dus naar het volume van het ingenomen water) in de heffing worden betrokken.

Nu belanghebbende op andere grondslag in de heffing is betrokken is voor de bepleite aftrek geen plaats. Dit spoort met de door belanghebbende niet weersproken uitlating van verweerder (blz. 5 van het verweerschrift, eerste volle alinea) dat de aftrek slechts mogelijk is bij bedrijven die de vervuilingswaarde berekenen met behulp van de tabel.

6.3.3. Het vorenoverwogene brengt mee dat de verweerder voor de berekening van de aanslag in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de gegevens uit de jaren 1991 en 1993 en daar geen correctie op behoefde aan te brengen.

6.3.4. Nu evenwel in de bezwaarfase is gesteld en naar het oordeel van het Hof, gelet op de door belanghebbende ter zake gegeven uiteenzettingen aannemelijk is, dat een door belanghebbende reeds in 1995 genomen maatregel heeft geleid tot een aanmerkelijke reductie van de gespoelde bakken per ton product, had verweerder naar 's Hofs oordeel in redelijkheid niet aan deze reductie voorbij kunnen gaan bij de uitspraak op het bezwaar.

6.3.5. Partijen hebben omtrent de cijfermatige uitwerking van deze reductie geen gegevens verstrekt, zodat het Hof aanleiding ziet de afvalwatercoëfficiënt van 0,094 v.e./ton in goede justitie te verminderen tot 0,090 v.e./ton.

6.3.6. Een en ander brengt mee dat de aanslag dient te worden berekend op 11.866 x 0,090 = 1.067 v.e. x f 66 = f 70.422.

6.4. Het Hof gaat voorbij aan hetgeen is aangevoerd over de wijze waarop partijen zich overigens jegens elkaar hebben opgesteld, nu dit niet kan leiden tot een verdere vermindering van de aanslag.

7. Proceskosten

Nu de uitspraak wordt vernietigd, is het beroep gegrond. Het Hof acht termen aanwezig verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Deze kosten dienen in het onderhavige geval te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures.

Het Hof stelt het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij evengenoemd besluit opgenomen tarief op 2 x f 710 x 1,5 (wegingsfactor) = f 2.130.

8. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een heffingsgrondslag van 1.067 v.e.,

- veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte kosten van het geding tot een bedrag van f 2.130 en wijst het Waterschap Vallei en Eem aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en

- gelast verweerder het gestorte griffierecht van f 80 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 12 april 1999 door Mrs. Kwantes, Onnes en Van Loon, in tegenwoordigheid van Mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.