Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8174

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/0065
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over de vraag of een in plassengebied liggend object dat gefundeerd is op een stalen draagconstructie op onderheide houten palen roerend of onroerend is.

Belanghebbende stelde dat het een woning is, en de gemeente stelde dat het een woonark is. In casu een onroerende zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/0065

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z,

belanghebbende,

tegen

een uitspraak van burgemeester en wethouders van de gemeente P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ingekomen op 7 januari 1998.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder met dagtekening 1 december 1997 betreffende de aanslag in de roerende-zaakbelastingen voor het jaar 1996.

De aanslag werd opgelegd tot een bedrag van f 230, en werd bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag. Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van de Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer van 7 december 1998 zijn verschenen A, als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van B, alsmede namens verweerder C, D en E.

Belanghebbende en verweerder hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en met bijlagen overgelegd. De wederpartij heeft van de bijlagen kunnen kennis nemen en heeft er zich over kunnen uitlaten. De inhoud geldt als hier ingelast.

Na de zitting is de zaak verwezen ter behandeling in meervoudige kamer.

Ter zitting van 5 maart 1999 van de Vierde Meervoudige Belastingkamer zijn verschenen de gemachtigde, vergezeld van B, alsmede namens verweerder D en E.

Belanghebbende en verweerder hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Op verzoek van het Hof heeft verweerder na de behandeling ter zitting en met instemming van de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 8 maart 1999 aanvullende informatie verstrekt omtrent de publicatie van de na te noemen verordening.

2. De Verordening

2.1. In de gemeente P gold in 1996 de 'Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 1995' (hierna: de Verordening), vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 22 december 1994, nr. 94/191B, goedgekeurd door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken op 2 februari 1995,

en de daarbij behorende Tarieventabel, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 20 oktober 1995, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Utrecht op 31 oktober 1995. Laatstvermeld besluit en de ter inzage legging daarvan is door verweerder naar behoren bekend gemaakt.

2.2. De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 1 Belastingplicht

1. Onder de naam "belastingen op roerende woon- en

bedrijfsruimten" worden ter zake van binnen de

gemeente gelegen roerende woon- en bedrijfsruim - ten twee directe belastingen geheven:

a. (...)

b. een eigenarenbelasting van degene die bij het

begin van het kalenderjaar van een roerende woon- of bedrijfsruimte het genot heeft krach- tens eigendom, bezit, of beperkt recht; (...)

3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom (...) aange-

merkt degene die bij het begin van het kalender- jaar als zodanig bekend staat als gerechtigde van tot een stand- of ligplaats (...).

Artikel 2 Belastingobject

Als één roerende woon- of bedrijfsruimte wordt aan-

gemerkt:

a. binnen de gemeente gelegen woon- of bedrijfsruim- ten, welke duurzaam aan een plaats gebonden zijn

en dienen tot permanente bewoning of permanent

gebruik, doch niet onroerend zijn; (...).

Artikel 3 Maatstaf van heffing

1. De maatstaf van heffing is de waarde in het economisch verkeer van de roerende woon- of

bedrijfsruimte. (...)".

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is eigenaresse van een zaak gelegen in een plassengebied. Verweerder heeft de betreffende zaak voor de heffing van de roerende-zaakbelasting aangemerkt als het object NP (hierna: het object).

3.2. Het object is een uit omstreeks 1950 stammend bouwwerk voorzien van ijzeren drijvers met een houten opbouw en een bitumineuze dakbedekking. De afmetingen bedragen: lengte 14,45 m, breedte 6,00 m, en hoogte 3,50 m. Het object is reeds gedurende 40 jaar ter plaatse ongewijzigd aanwezig. Het beschikt over de volgende nutsvoorzieningen: water, gas, electriciteit, telefoon, kabeltelevisie en riolering.

3.3. Het object ligt aan de walkant en gedeeltelijk boven de waterspiegel. Het maakt deel uit van een samenstel van zaken bestaande uit een aangelegde tuin (ca. 100 m2), omringd door een omheining, een oprit alsmede een (houten) garage.

Het object bevindt zich in aan belanghebbende in eigendom toebehorende grond met water.

3.4. Door belanghebbende zijn foto's van het object overgelegd, inclusief die van de onderzijde c.q. de draagconstructie.

3.5. In een rapport dat door M Bouw- en Waterwerken te N over het object ten behoeve van belanghebbende en in haar opdracht op 27 februari 1999 is opgemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:

"(...) 2. Reden van het onderzoek

Er zijn twijfels ontstaan over de aanwezigheid van een funde- ring onder het "woonschip". Ten behoeve van het vaststellen dient er duidelijkheid te zijn over de toestand van de fundering.

3. Beschrijving van de situatie

Het ongeveer 4 meter hoge gebouw bestaat uit een houtskeletbouw met ongeïsoleerd dak en gevels. Het dak is voorzien van een bitumineuze dakbedekking. De gevels en de hoofd draagconstructie zijn gefundeerd op palen. Het gebouw ontleent zijn stabiliteit aan de hoofd draagconstructie in de vorm van geschoorde portalen met een overspanning van ongeveer 5 meter.

Er zijn geen diagonaalverbanden aangebracht omdat de hoofd draagconstructie voldoende stijfheid geeft in de paalfundering. Van de overige constructies is geen opname gemaakt.

4. Bevindingen

1. De fundering is slecht en vertoont duidelijk verzakkingsverschijnselen zoals op de foto (nr.5 bij pijlpunten) zichtbaar is.

2. ook de verticale windverbanden geven duidelijk een slechte indruk (...) van de fundering.

4. de palen zijn nog redelijk goed, deze hebben een afmeting van 15 cm doorsnede en zijn volgens meting ongeveer 5 meter lang.

5. als dit "woonschip" geen fundering zou hebben was het allang gezonken. Gezien de zware belasting in verticale richting heeft één van de hoofd draagconstructie het al gedeeltelijk begeven.

6. dat de nog aanwezige zeer slechte drijvers alleen een functie hebben gehad voor het naar de plek brengen van het gebouw en niet als woonschip.

7. de constructie zoals hij nu is opgenomen vanaf het begin aangebracht moet zijn en dus ook oud is.

5. Conclusie

Voor mij, M (...), hier niet gesproken mag worden van een woonschip maar van een kleine woning. (...)".

4. Geschil

Tussen partijen is primair in geschil of het object een onroerende zaak is, zoals belanghebbende stelt en verweerder betwist.

Subsidiair betwist belanghebbende de door verweerder voor het object vastgestelde waarde in het economisch verkeer van

f 235.000, en stelt zij dat die waarde f 195.000 bedraagt.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting heeft verweerder nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

Volgens het bestemmingplan moet het object roerend zijn, en dat blijft ook zo. De steunbalken zijn zonder vergunning aangebracht. Deze steunbalken zijn bij de uiteinden geheid.

Niemand kan bewijzen dat ze 5 meter lang zijn.

De steigers staan los van de ark.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Partijen verschillen van mening over de vraag of het object een roerende dan wel een onroerende zaak is.

6.2. Volgens artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zijn, voorzover hier van belang, onroerend gebouwen welke duurzaam met de grond zijn verenigd.

6.3. Belanghebbende heeft gesteld dat het object door middel van fundering duurzaam met de grond is verenigd.

Het Hof overweegt hieromtrent het volgende.

Belanghebbende heeft onder meer twee foto's overgelegd van het object: een vanaf het water genomen, en een vanaf de walkant. Deze foto's, in onderling verband bezien met de beschrijving onder 3.5, maken voldoende aannemelijk dat sprake is van een gebouw in de zin van artikel 3:3, eerste lid, BW.

Blijkens de door belanghebbende overgelegde plattegrond en foto's van de fundering staat het object tezamen met de draagconstructie op houten palen welke in de ondergrond van het water zijn gefundeerd, en waarmee het object onlosmakelijk is verbonden. Belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat het object niet onderhevig is aan enige invloed van waterbeweging of deining, en door verweerder is naar voren gebracht dat aan de landzijde van het object de voortuin zodanig tegen het object is aangelegen dat niet meer zichtbaar is of er een beschoeiing is aangebracht. Door verweerder is niet betwist dat de situatie met betrekking tot de fundering reeds gedurende 45 jaar bestaat.

Gezien deze omstandigheden moet geoordeeld worden dat het object duurzaam met de ondergrond is verenigd. Verweerder is er mitsdien niet ingeslaagd aannemelijk te maken dat het object een roerende zaak is.

6.4. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende.

7. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is en de uitspraak van verweerder en de aanslag moeten worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Gelet op het Besluit proceskosten fiscale procedures wordt de vergoeding berekend op f 532,50 (A1: 1, 3 en 3; factor 0,25).

8. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van verweerder,

- vernietigt de aanslag,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belangheb- bende tot het beloop van f 532,50 en wijst de gemeente P aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen,

- gelast verweerder het griffierecht ad f 80 aan belang-

hebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 23 april 1999 door mrs. Onnes, Holdert en Kwantes, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier.

De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.