Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8167

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-1999
Datum publicatie
22-03-1999
Zaaknummer
98/02833
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het geautomatiseerde bestand van het kadaster is belanghebbende aangewezen als (mede) zakelijk gerechtigde van het gehele kadastrale perceel en op basis van deze gegevens zou afgeleid kunnen worden dat belanghebbende het recht van opstal heeft op het recht van erfpacht op het gehele perceel. Met het overleggen van de notariële akte heeft belanghebbende echter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij uitsluitend zakelijk gerechtigde is met betrekking tot een zeer gering deel van het kadastrale perceel. Door niettemin de onroerende zaak in het geheel aan te merken als één onroerende zaak is er met betrekking tot deze onroerende zaak sprake van een verkeerde objectafbakening ex artikel 16 Wet WOZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/02833

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak, gedagtekend 13 mei 1998, van Y van de gemeente P, verweerder, betreffende de ten name van belanghebbende genomen beschikkingen met kennisgevingsnummer 723, waarbij de waarde van de onroerende zaken a-weg 1, 3 en 5, te Z, is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 maart 1999.

BESLISSING

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van verweerder en de beschikking met betrekking tot a-weg 5;

- bevestigt de uitspraak met betrekking tot a-weg 1 en 3;

- gelast verweerder het gestorte griffierecht ad f 80,- aan belanghebbende te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van f 25,- en wijst de gemeente P aan dit bedrag aan belanghebbende te betalen.

GRONDEN

1.1. Bij akte van 1 november 1996 heeft belanghebbende van A, gevestigd a-weg 3, om niet het recht van opstal verkregen op een op tekening aangeduid gedeelte van perceel Z, sectie b, nummer 1, ten behoeve van de plaatsing van een aan A te verhuren warmtekrachtinstallatie. Van het genoemde kadastrale perceel heeft A het recht van erfpacht. A exploiteert op het perceel een subtropisch zwemparadijs en andere recreatieve voorzieningen.

De in de beschikking genoemde onroerende zaken zijn gelegen op het genoemde kadastrale perceel, groot 99.010 m2.

1.2. Belanghebbende heeft het recht van opstal verkregen ter vermijding van bodembeslag op de genoemde warmtekrachtinstallatie.

1.3. In het geautomatiseerde bestand van het kadaster is met betrekking tot de zakelijk gerechtigden bij het kadastraal perceel (onder meer) het volgende opgenomen:

Soort Zakelijk gerechtigde Datum vestiging

EVEP B 2-03-1998

OSEP X 4-11-1996

PEOS A 4-11-1996

Hierbij staat EVEP voor eigendom belast met recht van erfpacht, OSEP voor recht van opstal op recht van erfpacht en PEOS voor recht van erfpacht belast met recht van opstal.

Belanghebbende staat aangemerkt als "voornaamste zakelijk gerechtigde".

1.4. Bij beschikkingen van 27 maart 1997 is naar de waardepeildatum 1 januari 1995 de waarde van de onroerende zaken a-weg 1, 3 en 5 te Z vastgesteld op f 181.000,-, f 406.000,- respectievelijk f 2.573.000,-. a-weg 1 is een woonhuis; a-weg 5 is, naar het Hof verstaat, de aanduiding van het zwemparadijs ca.

2. Ter zitting heeft belanghebbende nog verklaard dat zij een onderdeel is van C; dat zij een flink aantal warmtekrachtinstallaties heeft; dat een warmtekrachtinstallatie een kast is van ongeveer 4 bij 2 bij 2 meter met een motor en een generator; dat de warmtekrachtinstallatie op de a-weg is bedoeld voor de warmtevoorziening van het zwembad en het opwekken van energie; dat zij elders in Z nog een warmtekrachtinstallatie heeft; dat een warmtekrachtinstallatie goed is voor het milieu maar een investering vergt van enkele tonnen en daarom veelal opgezet wordt door nutsbedrijven; dat de gemeente P de enige gemeente is van wie zij WOZ-beschikkingen krijgt. Belanghebbende heeft ter zitting een volledige kopie van de akte van de vestiging van het recht van opstal d.d. 1 november 1996 overgelegd.

Verweerder heeft nog verklaard dat A op het perceel een zwembad exploiteert; dat de gemeente een financiële bijdrage levert; dat zij alleen let op de registratie in het kadaster om te zien aan wie de WOZ-beschikking moet worden verzonden; dat B de blote eigendom van het perceel heeft; dat uit het kadaster blijkt dat belanghebbende is ingeschreven voor het gehele perceel en daarom de belangrijkste zakelijk gerechtigde is; dat de gemeente niet echt vrede heeft met de situatie, maar dat deze voortvloeit uit de kadastrale registratie; dat belanghebbende de aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen (eigenarenbelasting) ontvangt.

3.1. In het geautomatiseerde bestand is belanghebbende aangewezen als (mede) zakelijk gerechtigde van het gehele kadastrale perceel b 1 en op basis van deze gegevens zou afgeleid kunnen worden dat belanghebbende het recht van opstal heeft op het recht van erfpacht op het gehele perceel. Met het overleggen van de notariële akte heeft belanghebbende echter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij uitsluitend zakelijk gerechtigde is met betrekking tot een zeer gering deel van het kadastrale perceel. Door niettemin de onroerende zaak a-weg 5 in het geheel aan te merken als één onroerende zaak is er met betrekking tot deze onroerende zaak sprake van een verkeerde objectafbakening.

3.2. Voorzover de beschikking betrekking heeft op de onroerende zaken a-weg 1 en 3 heeft belanghebbende de juistheid van deze beschikking als zodanig niet betwist. De in deze procedure gestelde feiten en omstandigheden lijken vrijwel uit te sluiten dat belanghebbende onroerende-zaakbelasting verschuldigd zou kunnen zijn met betrekking tot deze zaken zodat er geen reden is de waarde-beschikking met betrekking tot deze zaken bekend te maken aan belanghebbende. Zulks is echter geen reden de beschikkingen als zodanig onjuist te achten.

4. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Hiervoor komen in aanmerking de reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting, door het Hof vastgesteld op f 25,-.

De uitspraak is gedaan op 22 maart 1999 door mr. Boersma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Groot als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.