Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8166

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/22152
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op het in de aangifte vennootschapsbelasting van de NV over het onderhavige jaar vermelde bedrag aan liquide middelen, stelt de inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht dat het gedeclareerde interimdividend in het onderhavige jaar onmiddellijk vorderbaar en inbaar was. Belanghebbende heeft de stelling van de inspecteur dat bij vordering van belanghebbende zonder verwijl betaling had kunnen volgen, onvoldoende betwist. Naar het oordeel van het Hof is het interimdividend in 1993 genoten in de zin van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. Dat een feitelijke betaling eerst in 1994 plaatsvond is dan niet meer van belang.

Dividendbelasting kan als geheven worden beschouwd indien zij is ingehouden. Nu niet is gebleken van een inhouding, afdracht of aangifte met betrekking tot de dividendbelasting, is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een situatie waarin de dividendbelasting als voorheffing in de zin van de Wet verrekenbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/35.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/22152

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Y belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Grote ondernemingen P, de inspecteur, gedagtekend 31 december 1997, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 maart 1999.

BESLISSING

Het Hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ a, zonder verhoging;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ad ƒ 1.065 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

gelast verweerder aan belanghebbende te vergoeden het betaalde griffierecht ad ƒ 80.

GRONDEN

Belanghebbende, geboren in 1938, heeft een belang van 21,9 % in B NV (de NV). De overige aandelen zijn in handen van de besloten vennootschap X & Partners Administratiekantoor BV. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen ad ƒ c. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het belastbare inkomen verhoogd tot ƒ d, met een verhoging van ƒ 250 vanwege het niet-tijdig indienen van de aangifte. De correctie betrof ƒ e ter zake van interimdividend.

2. Primair stelt belanghebbende dat het interimdividend niet in het onderhavige jaar genoten is, aangezien het naar zijn mening niet vorderbaar en inbaar was.

3. Vaststaat dat tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders op 14 september 1993 is vastgesteld dat in 1993 een interimdividend toegekend zal worden. Voorts staat vast dat ten aanzien van de andere aandeelhouder het interimdividend in 1993 is verrekend met een vordering die de NV op haar had.

4. Op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) worden inkomsten beschouwd te zijn genoten onder meer op het tijdstip waarop zij vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden.

5. De inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat belanghebbende in 1993 een vordering heeft gekregen op de NV. De inspecteur heeft voorts gesteld dat bij de NV geen sprake was onwil om te betalen aangezien belanghebbende naast aandeelhouder tevens lid is van de directie van de NV en voorts dat de NV in staat was om aan haar betalingsverplichting te voldoen. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

6. Gelet op het in de aangifte vennootschapsbelasting van de NV over het onderhavige jaar vermelde bedrag aan liquide middelen, stelt de inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht dat de vordering in het onderhavige jaar tevens onmiddellijk inbaar was. Belanghebbende heeft de stelling van de inspecteur dat bij vordering van belanghebbende zonder verwijl betaling had kunnen volgen, onvoldoende betwist. Naar het oordeel van het Hof is het interimdividend in 1993 genoten in de zin van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. Dat een feitelijke betaling eerst in 1994 plaatsvond is dan niet meer van belang.

7. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat, indien het interimdividend in 1993 belastbaar is, de voorheffing dividendbelasting met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar verrekend dient te worden en dat de opgelegde boete geheel dient te worden kwijtgescholden.

8. Op grond van artikel 63 van de Wet kan de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het onzuiver inkomen, als voorheffing worden beschouwd.

9. Dividendbelasting kan als geheven worden beschouwd indien zij is ingehouden.

Nu niet is gebleken van een inhouding, afdracht of aangifte met betrekking tot de dividendbelasting, is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een situatie waarin de dividendbelasting als voorheffing in de zin van de Wet verrekenbaar is.

De inspecteur heeft bij het vaststellen van het belastbare inkomen de dividendvrijstelling niet toegepast. Het Hof zal het belastbare inkomen met ƒ 2.000 ter zake van de dividendvrijstelling verminderen.

10. Belanghebbende heeft gesteld en de inspecteur heeft erkend dat de boete ten onrechte is opgelegd, aangezien geen aanmaning is verstuurd aan belanghebbende. Nu het Hof niet is gebleken dat partijen zich op een onjuist standpunt stellen, is op dit punt mitsdien het gelijk aan belanghebbende.

11. Gelet op het onder 9. en 10. overwogene zal het Hof de uitspraak vernietigen en het belastbare inkomen vaststellen op ƒ a.

12. Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op (1 x factor 1,5 (het gewicht van de zaak) x ƒ710 =) ƒ 1.065.

De uitspraak is gedaan op 7 april 1999 door mrs. Schaap, Faase en Meussen, in tegenwoordigheid van mr. Visser als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door de voorzitter van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.