Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8122

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/00783
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbenden maken niet aannemelijk hun stelling dat waarde in het economische verkeer van enkele percelen op 31 maart 1986 hoger was dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming zoals door de inspecteur bij zijn uitspraak op het bezwaar in aanmerking is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/37.19

Uitspraak

98/00783

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de erven van X, gewoond hebbende te Z, belanghebbenden,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbenden is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 februari 1998, ingediend door mr. A (B Belastingadviseurs) te C als gemachtigde van belanghebbenden en aangevuld bij schrijven van 22 juni 1998.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 17 februari 1998, betreffende de ten name van X, erflater, op de voet van artikel 70 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) genomen beschikking.

Bij de beschikking heeft de inspecteur de in artikel 70, eerste lid van de Wet bedoelde voordelen met betrekking tot de gronden, kadastraal bekend als gemeente D, sectie AA, nrs. 88 en 99, vastgesteld op nihil.

Na bezwaar tegen de beschikking heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak het hiervóór bedoelde voordeel voor het perceel AA nr. 88 vastgesteld op f 204.210 en voor het perceel AA nr. 99 gehandhaafd op nihil.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en -naar het Hof begrijpt- tot vaststelling van het voordeel voor perceel AA nr. 88 op f 578.595 en voor het perceel AA nr. 99 op f 130.000.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 23 april 1999 is verschenen mw. mr. E namens de inspecteur. Belanghebbenden noch de gemachtigde zijn verschenen. Een oproep voor de mondelinge behandeling is op 10 maart 1999 bij aangetekend schrijven verzonden aan het in het beroepschrift van de gemachtigde vermelde postadres. De gemachtigde heeft bij faxbericht van 22 april 1999 gemeld niet te zullen verschijnen.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd en een tweetal stukken overgelegd: een kopie van een verslag van een taxatie van 11 februari 1998 en een kopie van een akte van scheiding en deling van 10 juli 1984. De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Erflater, overleden op 25 februari 1997, dreef een akkerbouwbedrijf. In dat bedrijf was op 31 maart 1986 68 hectare grond in gebruik, waarvan 31 hectare in eigendom was bij erflater en 37 hectare door hem in erfpacht was genomen. Erflater oefende het bedrijf uit op een boerderij die hij, met circa 61.14.81 ha bouwland, door koop voor een bedrag van f 856.073,40 op 12 juli 1979 in eigendom verkreeg. Deze onroerende zaken werden voordien door erflater gepacht.

2.2. Op 20 december 1991 is namens erflater bij de inspecteur een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Wet. Het verzoek betrof een tweetal percelen in de gemeente D, die op 31 maart 1986 behoorden tot erflaters ondernemingsvermogen. De door erflater gestelde op 31 maart 1986 aanwezige voordelen als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet werden in het verzoek als volgt gespecificeerd:

gemeente D AA nr. 88, groot 6.80.70 ha

waarde in het economische verkeer op 31 maart 1986 f 816.840

waarde in het economische verkeer bij agrarische

bestemming op 31 maart 1986 f 238.245

f 578.595

gemeente D AA nr. 99 (gedeelte) groot 0.50.00 ha

waarde in het economische verkeer op 31 maart 1986 f 150.000

waarde in het economische verkeer bij agrarische

bestemming op 31 maart 1986 f 20.000

f 130.000.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van een deskundige, ir. F te Q, gedagtekend 8 oktober 1991, met betrekking tot het perceel AA nr. 88, waarvan de inhoud (voor zover hier van belang) als volgt luidt:

"Ondergetekende: Ir. F (...) verklaart bij dezen op verzoek van de heer X (...) te hebben opgenomen en gewaardeerd per 1 april 1986 het onroerend goed, bestaande uit

perceel grond, gelegen achter de a-weg, kadastraal bekend Gemeente D, sectie AA nr. 88, groot 6.80.70 hectaren.

Na genoemd onroerend goed te hebben opgenomen en daarvan te hebben nagegaan de aard, de ligging, het gebruik, de kwaliteit, de bestemming, de staat van onderhoud, de erop rustende lasten en belastingen,

en na vergelijking met de hem bekende prijzen voor soortgelijke onroerende goederen,

en op basis van de aan deze taxatie gehechte toelichting,

is daaraan door hem, vrij van pacht en/of gebruik, een waarde toegekend per 31 maart 1986 van:

Agrarische waarde: 6.80.70 ha à f 3,50 per m2= f 238.245; Bestemmingswaarde: 6.80.70 ha à f 12,00 per m2= f 816.840

(...)

Aldus gedaan te goeder trouw, naar beste kennis en wetenschap, (...)".

De toelichting bij dit rapport luidt (voor zover hier van belang) als volgt:

"De onderhavige grond had per 31 maart 1986 de volgende mogelijkheden.

1. Agrarische waarde.

De agrarische waarde van deze grond ligt aanmerkelijk beneden het gemiddelde in D, door een zeer matige ontsluiting en vruchtbaarheid en een voor de akkerbouw zeer ongunstige verkaveling.

(...)

2. Bestemmingswaarde.

Het betreffende perceel ligt in het bestemmingsplan "G", vastgesteld door de Gemeenteraad van D op 2 oktober 1975, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Holland op 28 december 1976 en tenslotte door de Kroon op 19 december 1981.

In genoemd bestemmingsplan werd de onderhavige grond onderdeel van een niet-agrarische bestemming voor agrarische handels- en nevenbedrijven. In dit plan werd de onderhavige grond aangewezen voor ontsluiting en groen.

Hoewel de directe toekomstige aanwending niet hoogwaardig is, dient bij de waardebepaling volgens vaste jurisprudentie te worden uitgegaan van de complexwaarde van het gehele gebied.

(...)".

2.4. Bij beschikking, gedagtekend 1 maart 1996, heeft de inspecteur op het verzoek van erflater beslist. Naar het oordeel van de inspecteur, die zich daarbij beriep op een niet tot de stukken van het geding behorend taxatierapport van de Belastingdienst/Registratie en Successie, bedroegen zowel de waarde in het economische verkeer als de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van de percelen ? 85.000, zodat naar zijn oordeel van een voordeel als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet geen sprake was. De (latente) bestemmingswijzigingswinst werd vastgesteld op nihil.

2.5. Naar aanleiding van het namens erflater tegen de beschikking ingediende bezwaarschrift heeft de heer H van de Belastingdienst/Registratie en Successie te R een taxatie verricht met betrekking tot de percelen AA nr. 88 en 99. Van deze taxatie is schriftelijk verslag uitgebracht. Een kopie van het verslag is door de inspecteur ter zitting overgelegd. De daarin opgenomen toelichting van de heer H op de taxatie luidt (voor zover hier van belang) als volgt:

"N.a.v. het door mij van B ontvangen taxatierapport van ir. F heb ik op verzoek van de heer J contact opgenomen met de heer F.

Ik heb de heer F gewezen op het feit dat bij de aankoop als pachter in 1979 en bij akte van scheiding en deling in 1984 agrarische prijzen voor de onderhavige grond werden betaald, terwijl ook toen al het bestemmingsplan "G" van kracht was.

Ook de heer F kon geen transactieprijzen om en nabij de peildatum produceren van gronden in de nabije omgeving welke een duidelijk hogere opbrengst aangaven.

Echter rekening houdend met het bestemmingsplan "G" en de prijsvorming van de in dit plan gelegen gronden in de jaren '90 ben ik bereid de WEV per 31-3-1986 te stellen op f 70.000,- per ha. en de WEVAB op f. 40.000 per ha., of totaal resp. f. 272.280,- en f. 476.490,-. (6.80.70 ha.) (toevoeging van het Hof: de laatstgenoemde geldbedragen zijn abusievelijk verwisseld)

De heer F is na zijn taxatie in 1991 nooit meer benaderd door zijn opdrachtgevers.

Hij stelde derhalve voor dit voorstel voor te leggen aan de heer J van B, die de heer F vervolgens zou kunnen benaderen.

Door mij is contact opgenomen met B. Daar kreeg ik de mededeling dat de heer J inmiddels is vertrokken.

Om de zaak te bespoedigen doe ik je bij deze bovenvermeld voorstel maar toekomen, waarvan ik de indruk heb dat de heer F hier zich wel mee kan verenigen.

(...)".

De in de toelichting op het taxatieverslag bedoelde scheiding en deling vond plaats naar aanleiding van het overlijden op 4 mei 1982 van de echtgenote van erflater, met wie erflater in algehele gemeenschap van goederen gehuwd was.

2.6. Naar aanleiding van de taxatie van de heer H heeft de inspecteur bij de uitspraak op het bezwaar het voordeel als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet voor het perceel AA nr. 88 vastgesteld op f 204.210 (f 476.490 minus f 272.280) en voor het perceel AA nr. 99 op nihil.

2.7. Erflater heeft het perceel AA nr. 88 in 1993 verkocht voor een bedrag van f 1.250.000.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de voordelen als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet voor de percelen AA. nr. 88 en AA nr. 99 moeten worden gesteld op f 578.595 en f 130.000, zoals belanghebbenden voorstaan, dan wel op f 204.210 en nihil, zoals de inspecteur bepleit.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering ervan wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- door de inspecteur het volgende toegevoegd:

In het vertoogschrift staat op pagina 2 onder "3. Feiten" in de eerste regel ten onrechte de naam K. Dit moet zijn: X. Onder "5. Standpunt belanghebbende" zijn inderdaad de bedragen van f 150.000 en f 130.000 verwisseld.

In de uitspraak op het bezwaarschrift staat dat het bezwaarschrift is ontvangen op 13 mei 1996. Dit moet inderdaad 13 maart 1996 zijn.

De transactie in 1984 waarvan ik in het vertoogschrift melding maak betrof een scheiding en deling waarbij grond aan erflater werd toebedeeld tegen de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

In beginsel stel ik mij nog steeds op het standpunt dat van de percelen de waarde in het economische verkeer en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) aan elkaar gelijk zijn. Dat is ook de mening van de taxateur. Volgens hem werden in die periode alleen WEVAB-prijzen betaald.

De taxateur is in de bezwaarfase in overleg getreden met F. Diens taxatierapport is niet onderbouwd met reële transacties. Dat gaf hij ook toe. In het overleg met F heeft taxateur H voor het perceel AA nr. 88 de in zijn rapport vermelde waarden voorgesteld bij wijze van compromis. F kon zich daar wel in vinden. Als belanghebbenden hem hadden geraadpleegd, dan had hij zeker geadviseerd akkoord te gaan. Omdat bleek dat F niet namens belanghebbenden kon optreden, is geprobeerd met de toenmalige gemachtigde contact op te nemen, maar die bleek bij het kantoor B te zijn vertrokken. Ik heb toen de zaak afgedaan op de door H gerapporteerde waarden, ervan uitgaande dat ook belanghebbenden daarmee wel akkoord zouden gaan.

Het tegen de beschikking ingediende bezwaar is wel in behandeling genomen, maar het is nooit gemotiveerd.

Het bestemmingsplan "G" hield in dat op de grond waarover het hier gaat bedrijfspanden moesten komen. Die plannen speelden al vanaf 1975.

De afdoening van het bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting over 1993, waarin de verkoop van het perceel AA nr. 88 aan de orde is, is aangehouden.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op belanghebbenden, die stellen dat van de percelen AA nr. 88 en AA nr. 99 op 31 maart 1986 de waarden in het economische verkeer bij niet-voortgezette agrarische exploitatie de waarden bij voortgezet agrarisch gebruik overtroffen, rust de last de juistheid van hun stelling te bewijzen.

5.2. Het namens erflater ingediende verzoek als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Wet, steunde, voor zover het het perceel AA nr. 88 betrof, op een taxatie door de deskundige ir. F. In zijn rapport vermeldde deze deskundige dat de taxatie tot stand was gekomen na vergelijking met de hem bekende prijzen voor soortgelijke onroerende goederen.

5.3. Aan de kracht van dit bewijsmiddel wordt afbreuk gedaan door het relaas van de taxateur H zoals weergegeven onder 2.5. hiervóór en zoals door de inspecteur ter zitting toegelicht. Het Hof acht deze verklaringen geloofwaardig, en concludeert daaruit dat de door erflater ingeschakelde deskundige in het overleg met de taxateur van de Belastingdienst is teruggekomen van zijn in het rapport van 8 oktober 1991 neergelegde taxatie.

5.4. Belanghebbenden hebben overigens met betrekking tot het perceel AA nr. 88 geen bewijs van hun stelling aangedragen. Het Hof is derhalve van oordeel dat zij tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk hebben gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van dit perceel bij niet-agrarische exploitatie op 31 maart 1986 meer dan f 204.210 hoger was dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

5.5. Met betrekking tot het perceel AA nr. 99 is noch bij het verzoek als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Wet, noch in de bezwaarfase, noch in beroep, enige toelichting gegeven of enig deskundigenbericht overgelegd ter staving van het gestelde bedrag van f 130.000 als voordeel als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet. Ten aanzien van dit perceel is het Hof daarom evenzeer van oordeel dat belanghebbenden tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk hebben gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van dit perceel bij niet agrarische exploitatie op 31 maart 1986 hoger was dan de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming.

5.6. Het Hof komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat het gelijk aan de inspecteur is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbenden in het ongelijk zijn gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestreden uitspraak.

De uitspraak is vastgesteld op 4 juni 1999 door mrs. Onnes, Van Loon en Possen, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.