Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8119

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/3331
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, houdstermaatschappij van een Frans concern, is -zo al veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de zetel van haar feitelijke leiding in Frankrijk ligt- niet te beschouwen als een inwoner van Frankrijk in de zin van artikel 4, eerste lid, van het Verdrag met Frankrijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/36.10

Uitspraak

98/3331

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te Y, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 17 juli 1998, ingediend door A als haar gemachtigde, en aangevuld bij schrijven van 14 september 1998.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 30 juni 1998 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1991. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f x en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en primair tot vernietiging van de aanslag, dan wel tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van, subsidiair, f y dan wel, meer subsidiair, f z.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingezonden en concludeert primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair en meer subsidiair tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ? z respectievelijk ? w.

Ter zitting van 14 april 1999 zijn verschenen de gemachtigde, tot zijn bijstand vergezeld van B en C, alsmede de inspecteur, tot zijn bijstand vergezeld van D.

De door belanghebbende ingestelde beroepen betreffende de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de jaren 1992 en 1993, bij het Hof bekend onder de kenmerken 98/3332 en 98/3333, zijn op verzoek van partijen door het Hof gevoegd met de onderhavige zaak behandeld. De tot die procedures behorende stukken worden geacht ook in dit geding te zijn ingebracht; de tot dit geding behorende stukken worden geacht in die procedures te zijn ingebracht.

Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De inspecteur heeft voorts overgelegd een schrijven van het International Bureau of Fiscal Documentation te Amsterdam van 21 oktober 1997 (met bijlagen) en een schrijven van de inspecteur van 16 november 1998 (met bijlagen). De wederpartij heeft van de door de inspecteur overgelegde stukken kennis kunnen nemen en heeft zich daarover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is een in 1989 opgerichte houdster-maatschappij van binnen- en buitenlandse deelnemingen. Haar moedermaatschappij is Z S.A. gevestigd te Q, Frankrijk (hierna: de SA).

2.2. In 1990 heeft belanghebbende twee Nederlandse dochter-maatschappijen, tezamen met een Nederlandse kleindochter-maatschappij, verworven.

De koopsom van in totaal f... werd voor een bedrag van f ... gefinancierd met een lening van de SA; het restant ad f ... werd uit eigen vermogen gefinancierd.

Met de drie aangekochte (klein-)dochtermaatschappijen vormt belanghebbende sinds 1 januari 1991 een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet).

2.3.1. De directie over belanghebbende werd sinds 1989 aanvankelijk gevoerd door E Trust N.V. te Z (hierna:

E Trust).

2.3.2. Tot de gedingstukken (bijlage 7 bij het beroepschrift) behoort het verslag d.d. 4 april 1997 van een bij belang-hebbende in januari 1997 ingesteld boekenonderzoek.

Dit verslag luidt -voor zover van belang- als volgt:

"(...)

Vorig onderzoek, discussiepunten:

(...)

Het ingestelde onderzoek was gericht op de wijze van financiering

van door [belanghebbende] verworven binnenlandse en buitenlandse deelnemingen, gedurende de periode 1989 tot en met 1992. (...)

De uitkomsten van het onderzoek leidden tot een discussie over de fiscale aanvaardbaarheid van de wijze van financiering van de [Hof: onder 2.2. bedoelde] binnenlandse deelnemingen en de aftrekbaarheid van de daarmee samenhangende intrestlasten. Na de fiscale voeging trad winstdrainage op: de bedrijfswinsten van beide genoemde vennoot-schappen worden in belangrijke mate verminderd door de daartegenover staande intrestlasten bij [belanghebbende].

In verband met de lopende discussie werd bij de aanslagregeling Vpb. 1991 de belastbare winst verhoogd met het totaalbedrag van de "intrest expenses" ad f ....

Dit betreft voornamelijk de intrestlasten van een lening o/g ten gunste van de Franse moedermaatschappij (...) groot f.26,7 miljoen per ultimo 1991. Ook over 1992 en 1993 zijn de aangegeven belastbare bedragen verhoogd met resp. f...... en f........ voor de corresponderende, ter discussie staande rentelasten. (...)

Functie [belanghebbende] (beslissingsbevoegdheid/ substance)

Tijdens het onderzoek van 10 oktober 1994 werd op verzoek van [de inspecteur] tevens onderzoek gedaan naar de functie en "substance" van [belanghebbende], daarbij werd gelet op de aard van de uitge-oefende leiding, de beslissingsbevoegdheden en uitgevoerde taken.

Tijdens dat bezoek werd geconstateerd, dat in het algemeen aan bank-nota's, die betrekking hebben op betalingen ten laste van [belang-hebbende], faxberichten c.q. andere stukken waren toegevoegd, waarin de schriftelijk toestemming van de moedermaatschappij (...) te Parijs was vastgelegd om deze te mogen betalen.

Tevens kreeg men in sommige gevallen aamwijzingen, ook van [de SA], hoe [E Trust] financiële mutaties (zowel betalingen als ontvangsten) in de boekhouding diende te verwerken. Daarbij zijn door mij van enkele faxberichten (...) fotocopieën gemaakt. Ik heb mij daarbij beperkt tot enkele voorbeelden, die n.m.m. een duidelijk beeld geven van de gang van zaken in het algemeen m.b.t. het verrichten van betalingen. De gekozen voorbeelden betreffen nota's van adviseurs tot betrekkelijk geringe bedragen, waaruit kan worden geconcludeerd, dat [E Trust] nauwelijks beslissingsbevoegdheid bezat.

Bij een bespreking (...) ten kantore van [de Belastingdienst] (...) werd door [de gemachtigde] gesteld, dat de datum van 8 november 1991 (datum, waarop volgens inschrijving bij de Kamer van Koophandel de directievoering door E Trust werd beëindigd) civielrechtelijk van belang was. Door de [inspecteur] werd opgemerkt, dat naar zijn indruk, in de onderzochte jaren 1991 en 1992 er in de betreffende procedures zich geen verandering heeft voorgedaan. Van de wijziging van directievoering per 8 november 1991 was de [inspecteur] overigens in oktober 1994 niet op de hoogte.

Nieuw aanvullend onderzoek in 1997

(...)

Bij de bespreking van 4 november j.l. werd door de [Belastingdienst] aangekondigd, dat wij de feitelijke gang van zaken m.b.t. de functie-inhoud van E Trust voor 8 november 1991 mogelijk alsnog scherper zouden willen toetsen. (...)

Bij het bezoek d.d. 7 januari 1997 (...) is het volgende gebleken:

Directievoering:

In ons bezit is een overeenkomst d.d. 15 januari 1990 (met terugwerkende kracht tot 1989) tussen [E Trust] en [belanghebbende] waarin de functie van [E Trust] is geregeld.

Volgens mevrouw F is er op of omstreeks 8 november 1991 geen andere overeenkomst opgemaakt. (...)

Door [E Trust] is in verband met de directievoering aan [belang-hebbende] gedeclareerd:

1e halfjaar 1991 managing director f. 6.000, 2e halfjaar nihil

1992: idem f. 7.000

1993: administrative manager f. 6.000

N.B. De begrippen "managing director" en "administrative manager" zouden, volgens mevrouw F, niet wezenlijk van elkaar verschillen.

Overige werkzaamheden, zoals administratieve diensten en het voeren van correspondentie, worden op urenbasis gedeclareerd, zo werd over het 3e kwartaal 1992 een bedrag gedeclareerd van ?.6.096,83 incl. O.B., voor "legal and administrative services, including finalization of 1991 accounts, preparation legal documentation, liaising with tax advisor and various correspondence"

Volgens informatie van mevr. F voert zij zelf het beheer over 20 à 30 vennootschappen als account-manager. (...)

Voorts verklaarde zij desgevraagd, dat aan de bevoegdheden van [E Trust] in haar functie van directievoerder van [belanghebbende] geen beperkingen zijn opgelegd. (...)".

2.3.3. Blijkens bijlagen bij de aangiften vennootschaps-belasting van belanghebbende over de jaren 1991 tot en met 1993 zijn bestuurder(s) van belanghebbende: tot 4 december 1991, E Trust (Amsterdam) en G (Parijs, Frankrijk); vanaf 4 december 1991, H (Parijs, Frankrijk). Gedurende 1992 en 1993 was H enig bestuurder.

2.4.1. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte gedaan van een belastbare winst van f ... Na aftrek van nog te verrekenen verliezen ad f .... resteert volgens de aangifte een belastbaar bedrag van nihil.

De inspecteur heeft de rentelasten van belanghebbende gecorrigeerd met een bedrag van f .... en het belastbare bedrag, na verliesverrekening, vastgesteld op f ....

2.4.2. In de beroepsfase heeft belanghebbende alsnog aftrek geclaimd van een bedrag ad f ... inzake -in de aangifte als niet-aftrekbaar aangemerkte- kosten ter zake van buiten Nederland, doch binnen de Europese Unie (hierna: EU) gevestigde deelnemingen.

3. Geschil

3.1. In geschil is primair of belanghebbende, gedurende het gehele jaar of een gedeelte daarvan, ingevolge artikel 4, eerste lid, in combinatie met artikel 4, vierde lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten op 16 maart 1973 (hierna: het Verdrag) geacht moet worden inwoner te zijn van Frankrijk, zoals de inspecteur stelt en belangheb-bende ontkent.

3.2. Indien de onder 3.1. geformuleerde vraag bevestigend moet worden beantwoord is in geschil of de rentelasten die belanghebbende uit hoofde van de onder 2.2. bedoelde lening aan de SA is verschuldigd ten bedrage van, in totaal,

f .... geheel of gedeeltelijk ten laste van de binnenlandse winst van belanghebbende kunnen worden gebracht.

3.3. Indien de onder 3.1. geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord is in geschil of belanghebbende de rente-lasten en overige kosten die verband houden met deelnemingen gevestigd buiten Nederland maar binnen de Europese Unie, ten bedrage van f .... (zoals belanghebbende stelt) dan wel,

f .... (naar de inspecteur meent) in aftrek van haar belast-bare winst kan brengen.

4. Standpunten van partijen

4.1. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding.

4.2. Ter zitting hebben partijen daaraan -zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd:

namens belanghebbende:

(de gemachtigde)

4.2.1. De dochtermaatschappijen zijn extern aangekocht; er is geen sprake van een verhanging. De SA heeft de geleende middelen extern aangetrokken, bij twee Franse banken. Het betreft een normale acquisitiemethode; ook de wetgever acht deze methode -blijkens het huidige artikel 15, vierde en vijfde lid, van de Wet- geen geval van misbruik.

4.2.2. In 1991 is het bestuur deels uitgeoefend door twee bestuurders. Ik meen dat de situatie op 8 november 1991 is gewijzigd. Indien de bijlage bij de aangifte over 1991 als datum van aantreden van de nieuwe bestuurder, H, 4 december 1991 noemt, dan klopt dat. De breuk, in mijn subsidiaire en meer subsidiaire stellingen voor het jaar 1991, wordt dan 27/365 (vanaf 4 december) in plaats van 53/365 (vanaf 8 november). Op de bedoelde datum, waarvan ik thans dus stel dat het 4 december 1991 moet zijn, zijn de vorige bestuurders, E Trust en G, als zodanig afgetreden. E Trust heeft als gevol-machtigde bestuurder, met beperkte bevoegdheden, haar werk-zaamheden voortgezet.

4.2.3. Het 'rulingteam' van de Belastingdienst te Rotterdam doet geen onderzoek naar de "substance" van een in Nederland gevestigde houdstermaatschappij. Ook niet als er een trust-maatschappij als bestuurder in het spel is.

Het 'team' is dan echter wel van de feitelijke gang van zaken op de hoogte.

4.2.4. Ik heb geen bezwaar tegen toezending van de uitspraak zonder aankondiging vooraf omtrent de datum waarop de beslissing in het openbaar bekend wordt gemaakt.

(bijstand C)

4.2.5. Naar aanleiding van de door de inspecteur overgelegde informatie van het International Bureau of Fiscal Document-ation (IBFD) merk ik het volgende op.

- Het IBFD is bij mij bekend; ik ben een van de Franse correspondenten van dat bureau.

- De aan de brief van 21 oktober 1997 van het IBFD gehechte jurisprudentie is in casu niet relevant; dat betreft een fiscaal transparant lichaam en de toepassing van het territorialiteitsbeginsel.

- Waar in de brieven van het IBFD wordt gesteld dat de "place of effective management" ("siège réel") naar Frans fiscaal recht bepalend is voor de vestigingsplaats, is sprake van een abuis. Met betrekking tot de vestigingsplaats van Franse inwoners (lichamen) doen zich naar Frans fiscaal recht twee toetsingsmomenten voor: (i) is het lichaam naar Frans recht opgericht en (ii) zijn er Franse bedrijfsactiviteiten. Aan die vereisten moet cumulatief zijn voldaan. Een buiten-lands lichaam, dat wil zeggen een lichaam dat niet naar Frans recht is opgericht, kan dus nooit een inwoner van Frankrijk zijn en zal ook onder geen enkele omstandigheid een woon-plaatsverklaring kunnen krijgen. Dit geldt ook voor een BV met enkel Franse bedrijfsactiviteiten of financieringsactivi-teiten. Die BV is immers niet naar Frans recht opgericht.

Er ontstaat wel Franse belastingplicht -als buitenlands belastingplichtige- indien (beoordeeld naar Frans fiscaal recht) er een vaste inrichting in Frankrijk aanwezig is.

de inspecteur:

4.2.6. De belastingdienst heeft zich omtrent het begrip 'inwoner' naar Frans fiscaal recht verstaan met het IBFD te Amsterdam. Ik leg hierbij over een schrijven van het IBFD van 21 oktober 1997 met bijlagen betreffende de Franse fiscali-teit, alsmede de vragenbrief van de inspecteur van 9 oktober 1997. Tevens leg ik over een schrijven van een van mijn ambt-genoten van 16 november 1998, met daarbij het antwoord van het IBFD van 26 november 1998 (met bijlage).

4.2.7. Volgens onze informatie geldt de jurisprudentie inzake de "siège réel" wel voor fiscale doeleinden. Het Franse Ministerie heeft zelfs een resolutie terzake uitgevaardigd.

In het onderhavige geval ligt het duidelijk. Volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel zijn er diverse directeuren in Frankrijk woonachtig. De Franse aanwezigheid van belanghebbende, de houdster- en financieringsactivi-teiten, alsmede de feitelijke leiding, creëren een dergelijke feitelijke zetel. Nu Frankrijk op grond van het Verdrag mag heffen, opent het Verdrag -naar ik heb begrepen- ook de mogelijkheid om te heffen.

Belanghebbende is derhalve in Frankrijk aan de belasting-heffing onderworpen op grond van haar feitelijke leiding.

4.2.8. Woonplaatsverklaringen worden alleen verstrekt aan houdstermaatschappijen met enige "substance".

4.2.9. In casu is geen sprake van bestrijding van misbruik.

Het betreft een allocatieprobleem. Ik ben het niet eens met de conclusie van belanghebbende dat, er van uitgaande dat belang-hebbende haar vestigingsplaats in Frankrijk heeft, de rente-last aan de vaste inrichting in Nederland dient te worden toegerekend. De onderhavige lening is wel een externe lening: de SA had de gelden opgenomen bij twee Franse banken; die zijn ultimo 1992 afgelost; vervolgens heeft de SA de gelden betrokken van een Engelse dochtermaatschapij met overtollige liquiditeiten. Naast de rentekosten en -lasten worden ook de overige gecorrigeerde kosten (1992 en 1993) niet aan de Neder-landse vaste inrichting toegerekend. Ik kan dienaangaande geen nadere gegevens verstrekken.

4.2.10. Er bestaat dezerzijds geen bezwaar tegen toezending van de uitspraak zonder aankondiging vooraf omtrent de datum waarop de beslissing in het openbaar bekend wordt gemaakt.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof zal eerst het onder 3.1. geformuleerde geschil-punt onderzoeken, nu de onder 3.2. en 3.3. verwoorde geschil-punten volledig op de juistheid respectievelijk onjuistheid van het als eerste opgeworpen geschilpunt zijn gegrond.

5.2.1. Artikel 4, eerste lid, van het Verdrag luidt:

"Voor de toepassing van [het Verdrag] betekent de uitdrukking "inwoner van een van de Staten" iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid."

5.2.2. Het vierde lid van genoemd artikel bepaalt vervolgens:

"Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen."

5.3. Blijkens de gedingstukken en hetgeen ter zitting nader is gesteld gaan partijen er vanuit dat, indien belanghebbende naar Frans nationaal belastingrecht als inwoner van Frankrijk (in de zin van artikel 4, eerste lid, van het Verdrag) dient te worden beschouwd, het vierde lid, in verbinding met het eerste lid, van artikel 4 van het Verdrag meebrengt dat belanghebbende -in casu: met de met haar in de fiscale eenheid gevoegde dochters- voor de toepassing van de Wet als 'beperkt' binnenlands belastingplichtige (dat wil zeggen: alleen met betrekking tot die bestanddelen van de winst die het Verdrag ter heffing aan Nederland toewijst) dient te worden aange-merkt. Het Hof heeft geen reden partijen in hun voorgaande standpunt niet te volgen, nu dit geen blijk geeft van juridisch onjuiste uitgangspunten en evenmin de onjuistheid dwingend uit de overgelegde stukken moet worden afgeleid.

5.4.1. Op de inspecteur rust te dezen de bewijslast van zijn -door belanghebbende gemotiveerd bestreden- stelling dat de feitelijke leiding van belanghebbende in Frankrijk is gelegen en dat belanghebbende, op grond van die feitelijke leiding, naar Frans nationaal fiscaal recht als inwoner van Frankrijk (in de zin van het eerste lid van artikel 4 van het Verdrag) dient te worden beschouwd. De inspecteur baseert zijn stellingname op het onder 2.3.1. tot en met 2.3.3. beschreven feitencomplex. Hij heeft voor de terzake toepasselijke Franse belastingwetgeving verwezen naar de door hem overgelegde documentatie van het IBFD (als bedoeld onder 4.2.6.) waaronder de vanwege de Franse belastingdienst uitgevaardigde "Doc. adm. 4 H 1413" van 1 september 1985 (bedoeld onder 4.2.7.).

5.4.2. Belanghebbende heeft de stellingen van de inspecteur weersproken en gesteld -alsmede bij monde van C doen bevestigen- dat een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap voor Franse fiscale doeleinden nimmer als inwoner van Frankrijk kan gelden; dat door een zodanige vennootschap ook geen woonplaatsverklaring (als vereist voor toepassing van de door Frankrijk gesloten belastingverdragen) kan worden verkregen; en dat voor een naar buitenlands recht opgerichte vennootschap, zoals belanghebbende, in Frankrijk slechts sprake kan zijn van buitenlandse belastingplicht, bij aanwezigheid van een vaste inrichting in Frankrijk.

Ter ondersteuning van haar vorenstaande stellingen heeft belanghebbende aangevoerd dat de Franse vennootschapsbelasting een heffing is welke uitgaat van het zogenoemde territoriali-teitsbeginsel. Het inwonerschap als zodanig is geen aankno-pingspunt voor de belastingheffing en speelt derhalve slechts een ondergeschikte rol. Buitenlandse winsten en verliezen van Franse vennootschappen worden niet in de belastingheffing begrepen; buitenlandse vennootschappen zijn ingevolge artikel 209 van de Code général des impôts (CGI) in Frankrijk alleen belastbaar voor de winst behaald met bedrijfsactiviteiten in Frankrijk.

Voorts heeft belanghebbende verwezen naar literatuur omtrent het onderhavige geschilpunt (zie onder 13 op blz. 5 van de pleitnota van de gemachtigde).

5.5. Naar 's Hofs oordeel heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft gesteld en aangevoerd tegenover de gemotiveerde betwis-ting door belanghebbende niet, althans onvoldoende, aanneme-lijk gemaakt dat belanghebbende naar Frans nationaal fiscaal recht als inwoner van Frankrijk dient te worden beschouwd.

Immers, zo het Hof al veronderstellenderwijs met de inspecteur zou aannemen dat de feitelijke leiding van belanghebbende in het (gehele) onderhavige jaar in Frankrijk is gelegen, dan nog is naar het oordeel van het Hof onvoldoende aannemelijk geworden dat zulks -ingevolge de Franse belastingwetgeving- tevens inhoudt dat sprake is van onderworpenheid aan de Franse vennootschapsbelasting op grond van woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid in de zin van het eerste lid van artikel 4 van het Verdrag. Hetgeen terzake door de inspecteur aan documentatie is over-gelegd leidt het Hof, mede gelet op de door of namens belang-hebbende daartegenover gestelde verklaringen en literatuur, niet tot een zodanige conclusie.

5.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk in zoverre aan belanghebbende is. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de onder 2.4.1. bedoelde rentelasten ten laste van de belastbare winst van belanghebbende kunnen worden gebracht.

5.7. Voor dat geval heeft belanghebbende voorts gesteld dat zij in haar aangifte voor het onderhavige jaar ten onrechte, ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wet, niet de rente-lasten en overige kosten welke verband houden met haar deel-nemingen welke zijn gevestigd buiten Nederland maar binnen de EU in aftrek van haar belastbare winst heeft gebracht. Belanghebbende heeft zich daarbij beroepen op de artikelen 52 en 67 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeen-schap van 25 maart 1957, Trb. 1957, 74 en 91, zoals laatste-lijk gewijzigd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (hierna: het EG-Verdrag).

5.8. Gelijk het Hof heeft geoordeeld bij zijn uitspraak van 18 februari 1998, nr. P96/1177, gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 1998/12.1, blz. 1150, is naar 's Hofs oordeel ten aanzien van artikel 13, eerste lid, van de Wet geen sprake van strijd met het EG-Verdrag. Het beroep van belanghebbende dient dan ook in zoverre te worden verworpen.

5.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk ten dele aan belanghebbende is. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De belastbare winst van belanghebbende dient

-conform de aangifte- te worden vastgesteld op f .... Niet in geschil is dat het bedrag van de nog te verrekenen verliezen

? .... beloopt. De aanslag over het onderhavige jaar dient derhalve te worden verminderd tot nihil; het bedrag van de resterende nog te verrekenen verliezen per ultimo 1991 beloopt f ....

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur moet worden vernietigd en de aanslag verminderd acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belasting-zaken. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures stelt het Hof het bedrag van deze kosten, tezamen met die in de samenhan-gende zaken met kenmerk 98/3332 en 98/3333, overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op:

2 (beroepschrift en mondelinge behandeling) x f710 x 2 (wegingsfactor belang) x 1 (wegensfactor aantal samenhangende zaken) = f2.840.

Deze vergoeding zal in de onderhavige procedure worden toegekend.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil,

- gelast de inspecteur belanghebbende het door haar betaalde griffierecht ad ? 80 te vergoeden, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van ? 2.840 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 9 juni 1999 door mrs. Schaap, Faase en Van Vijfeijken, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Bij afwezigheid van de voor-zitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.