Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8091

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/00301
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur doet niet tijdig uitspraak. Na indiening beroepschrift volgt alsnog een uitspraak waarbij een oorspronkelijke, met instemming van belanghebbende gedane correctie, wordt teruggenomen. Naar het oordeel van het Hof kan dat, mits de inspecteur daarbij blijft binnen de grenzen van de aanslag. Belanghebbende wordt daardoor niet geschaad als hij daarna nog de mogelijkheid heeft om zijn visie voor de administratieve rechter te ontvouwen. Redactie van het dictum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/46.6

Uitspraak

98/00301

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

het niet tijdig doen van een uitspraak door het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 23 januari 1998.

Het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak door de inspecteur. De inspecteur heeft na de indiening van het beroep met dagtekening 4 maart 1998 alsnog uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingediende bezwaar, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993.

De aanslag is naar een belastbaar inkomen van f 118.812 opgelegd. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de genoemde uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 98.839.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de aanslag primair tot een berekend overeenkomstig het ingediende bezwaarschrift en subsidiair tot een berekend naar een belastbaar inkomen van - naar het Hof begrijpt - f 90.294.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 19 maart 1999 zijn verschenen belanghebbende, alsmede A namens de inspecteur, tot bijstand vergezeld van B.

Beide partijen hebben een als gedingstuk aan te merken pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Op de zitting is het beroep gezamenlijk behandeld met het beroep van belanghebbende dat bij het Hof is geadministreerd onder nummer 98/00302.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft in 1992 een monumentenpand gekocht gelegen aan de a-laan te Z. Het pand is deels verhuurd en deels in gebruik als eigen woning van belanghebbende. Aan het pand zijn in 1993 en 1994 werkzaamheden verricht, waarvan de kosten deels als aftrekbare kosten kunnen worden aangemerkt.

2.2.1. Op de door belanghebbende als aftrekbare kosten aangemerkte bedragen heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag een correctie aangebracht van f 92.509. De inspecteur heeft bij het berekenen van de aftrekbare kosten geen rekening gehouden met de door belanghebbende in 1993 ontvangen subsidie.

2.2.2. Bij de uitspraak heeft de inspecteur het bedrag van de aftrekbare kosten alsnog verhoogd met f 28.518 en tevens rekening gehouden met een door belanghebbende ontvangen bedrag aan subsidie groot f 60.53% van f 14.116. Het belastbare inkomen werd mitsdien met, afgerond f 19.973 verminderd.

2.3.1. Tot de gedingstukken behoort een subsidie-overeenkomst van 23 september 1993, waarin aan de echtgenote van belanghebbende een recht op subsidie wordt toegekend tot een bedrag van f 15.300, na aftrek van enige kosten uit te keren als zal zijn gebleken dat aan bepaalde subsidie-voorwaarden is voldaan.

Tot de gedingstukken behoort eveneens een subsidie-overeenkomst van 28 oktober 1994 waarin aan de echtgenote van belanghebbende een recht op subsidie wordt toegekend tot een bedrag van f 20.100, na aftrek van enige kosten uit te keren als zal zijn gebleken dat aan bepaalde subsdidie-voorwaarden is voldaan.

2.3.2. In zijn aangifte heeft belanghebbende rekening gehouden met de aftrekbare kosten nadat deze zijn verminderd met een subsidie van f 14.116.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de aanslag moet worden verminderd tot een berekend op basis van het bezwaarschrift omdat de inspecteur niet tijdig uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, dan wel omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord, een en ander zoals belanghebbende stelt en de inspecteur betwist.

Indien het gelijk op dat punt aan de inspecteur is, stelt belanghebbende dat het belastbare inkomen moet worden verminderd met het bedrag aan subsidie dat de inspecteur bij de uitspraak op het bezwaarschrift in mindering heeft gebracht op de onderhoudskosten; de inspecteur bestrijdt dit.

Voor het onderhavige jaar zijn er, naar belanghebbende te zitting heeft verklaard, geen andere geschilpunten.

4. Standpunten van partijen

Het Hof verwijst daarvoor naar de gedingstukken. Ter zitting heeft belanghebbende daaraan desgevraagd toegevoegd dat de subsidie-overeenkomst van 28 oktober 1994 in de plaats is getreden van de overeenkomst van 23 september 1993 en dat hij op grond van de eerstgenoemde overeenkomst in 1994 een bedrag heeft ontvangen van f 14.116.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De stellingen van belanghebbende dat zijn bezwaren alsnog volledig moeten worden gehonoreerd omdat de inspecteur niet binnen de in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde termijn uitspraak heeft gedaan en omdat hij op zijn bezwaar niet is gehoord, zijn onjuist.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6 : 2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt in het onderhavige geval het niet tijdig doen van een uitspraak gelijk gesteld met een uitspraak waartegen beroep kan worden aangetekend. Deze bepaling houdt niet in dat de inspecteur zich over het in bezwaar en beroep gestelde niet meer zou kunnen uitlaten en dat hetgeen belanghebbende heeft gesteld zonder meer bepalend zou zijn voor de beslechting van het geschil.

Nog daargelaten dat de inspecteur heeft bestreden dat belanghebbende niet in de gelegenheid zou zijn gesteld om te worden gehoord, kan aan de stelling dat een belastingplichtige niet omtrent zijn bezwaar is gehoord niet het gevolg worden verbonden dat belanghebbende daaraan verbindt. Belanghebbende heeft in de beroepsfase alsnog de gelegenheid om zijn grieven desgewenst toe te lichten en heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt.

5.2. Met betrekking tot de subsidie welke belanghebbende heeft ontvangen overweegt het Hof het volgende.

5.2.1.Vaststaat dat belanghebbende in zijn aangifte rekening heeft gehouden met een ontvangen subsidie-bedrag van f 14.116 en dat hij in zijn brief van 14 oktober 1997 (bijlage bij het beroepschrift) instemde met een toerekening van een deel van dat bedrag aan de onderhoudskosten voor het jaar 1993. De vraag of voor het jaar 1993 rekening moet worden gehouden met een ontvangen subsidiebedrag is afhankelijk van de beantwoording van de vraag of in 1993 reeds vaststond dat en tot welk bedrag de onderhoudskosten uit de subsidies zouden kunnen worden bestreden. In het geding is niet komen vast te staan wanneer en tot welk bedrag belanghebbende subsidie heeft ontvangen. Weliswaar heeft belanghebbende ter zitting daaromtrent desgevraagd een verklaring afgelegd, doch de juistheid daarvan is tegenover de betwisting door de inspecteur niet komen vast te staan. De afgelegde verklaring is ook daarom niet aannemelijk omdat belanghebbende stelt dat het op grond van de subsidie-overeenkomst van 28 oktober 1994 ontvangen bedrag van f 14.116 "toevallig" gelijk is aan de toegezegde subsidie in de overeenkomst van 23 september 1993, na aftrek van de daarin genoemde kosten.

Omdat belanghebbende de meest gerede partij is om inzicht te geven in de feiten en omstandigheden die tot de subsidie-uitkering hebben geleid en omdat hij daarin in gebreke is gebleven gaat het Hof er in overeenstemming met het oorspronkelijk door belanghebbende ingenomen standpunt van uit dat reeds in 1993 vaststond dat en tot welk bedrag subsidie zou worden verleend. Met de subsidie dient daarom rekening te worden gehouden in het jaar 1993.

5.2.2. Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur - blijkens het onder 5.2.1. overwogene ten onrechte - geen rekening gehouden met de subsidie. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft hij dat wel gedaan bij wijze van interne compensatie. Belanghebbende betwist dat hij dat alsnog kon doen en beroept zich voorts op bij hem gewekt vertrouwen dat de subsidie niet in 1993 in aanmerking zou worden genomen.

Het Hof is van oordeel dat het de inspecteur vrij stond de ten onrechte buiten aanmerking gelaten subsidie bij zijn uitspraak alsnog in aanmerking te nemen, zolang hij daarbij bleef binnen de grenzen van het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen. Belanghebbende is daardoor niet geschaad in zijn verdediging, aangezien hij zich na die uitspraak over de juistheid daarvan heeft kunnen uitlaten en zijn standpunt omtrent het al dan niet rekening houden met de subsidie in het jaar 1993 heeft kunnen kenbaar maken, en een en ander ook heeft gedaan.

Voorts is het Hof niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat belanghebbende zich terecht beroept op bij hem gewekt vertrouwen dat de subsidie in het jaar 1993 niet in aanmerking zou worden genomen. De enkele omstandigheid dat de inspecteur dat - naar aannemelijk is - per abuis heeft vergeten bij de aanslagregeling is daarvoor niet voldoende.

5.2.3. Het onder 5.2.2 overwogene geldt in gelijke mate nu het beroep niet gericht is tegen de uitspraak van de inspecteur, maar tegen het met het niet tijdig doen van een uitspraak gelijk gestelde besluit in de zin van artikel 6 : 2 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.3. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat de aanslag moet worden verminderd tot op het bedrag waarbij het is vastgesteld bij de op 4 maart 1998 door de inspecteur gedane uitspraak.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, omdat van zodanige kosten niet is gebleken en belanghebbende niet om een kostenveroordeling heeft gevraagd.

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond,

vermindert de aanslag tot een zoals die is vastgesteld bij de uitspraak van de inspecteur van 4 maart 1998, en

gelast de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht van f 80 te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 30 juni 1999 door mrs Holdert, Onnes en Rijkels, in tegenwoordigheid van mr Berns als griffier en de beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.