Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8089

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21748
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur heft op basis van door een werkgever verstrekte gegevens die door de belastingplichtige worden betwist.Bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/49.5

Uitspraak

97/21748

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ingekomen op 26 november 1997, ingediend door mr. D te Q als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder met dagtekening 15 oktober 1997 betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995. De aanslag werd opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 71.961, en werd bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 62.911.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 26 augustus 1998 zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede verweerder, tot bijstand vergezeld van W. De gemachtigde heeft voor de zitting een pleitnota met bijlagen ingezonden, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Van de overgelegde stukken heeft verweerder kunnen kennis nemen en er zich over kunnen uitlaten.

Na de zitting is de behandeling van de zaak schriftelijk voortgezet. Er heeft een briefwisseling plaatsgehad ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak te verzoeken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1950 en gehuwd met B, heeft de Ghanese nationaliteit. In oktober 1986 is aan belanghebbende door de Republiek Ghana een paspoort afgegeven met nummer 000000 (hierna: het paspoort).

2.2. Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar te Z. Hij werkte van 1 januari tot 20 november 1995 als schoonmaker bij C tegen een loon van f 26.275 en gedurende het gehele jaar bij D te R tegen een loon van f 46.684.

2.3. Volgens een opgave aan verweerder van G Inpakbedrijf te S (hierna: G) heeft belanghebbende in 1995 inpakwerkzaamheden voor G verricht. Daarvoor zou hij f 9.050 loon hebben genoten, waarop f 1.343 aan loonbelasting werd ingehouden. G heeft kopieën van het paspoort van belanghebbende en van een ingevulde loonbelastingverklaring overgelegd.

2.4. Belanghebbende heeft het loon van G niet aangegeven. Verweerder heeft het aangegeven belastbaar inkomen ad f 62.911 met f 9.050 verhoogd. De door G ingehouden loonbelasting ad f 1.343 is met de aanslag verrekend.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het loon van G terecht in belanghebbendes belastbaar inkomen is begrepen.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De aanslag is op 28 februari 1997 gedagtekend en het bezwaarschrift is op 26 september 1997 bij verweerder ingekomen. Het bezwaar werd door verweerder wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder, die deswege primair tot ongegrondheid van het beroep concludeerde, heeft ter zitting nader het standpunt ingenomen dat, gezien de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval en de toelichting daarop van belanghebbende ter zitting, de te late indiening van het bezwaarschrift belanghebbende niet kan worden verweten. Het Hof ziet geen aanleiding van dit standpunt af te wijken.

5.2. Belanghebbende stelt dat de loonopgave van G onjuist is. Hij stelt dat hij op 19 november 1994 omstreeks 19:45 uur op het M-plein te R van zijn portemonnee is beroofd, waarin zijn paspoort zat. Hij zou daarvan destijds aangifte bij de politie in R gedaan hebben onder nummer 0300-4577/94. Op 2 februari 1998 heeft hij ten tweede male bij de politie in R aangifte van vermissing van bedoeld paspoort gedaan (PV nr. PL 1513/1998/5744-2). Voorts heeft hij op 2 februari 1998 bij de politie in T aangifte gedaan van oplichting c.q. valselijk gebruik van een gestolen paspoort (HKS-nummer: PL17EO-98-01108).

5.3. Belanghebbende stelt dat een onbekende kennelijk het gestolen paspoort voor diens werk bij G heeft gebruikt, kennelijk met gebruik van dat paspoort bij verweerder belanghebbendes sofinummer heeft kunnen achterhalen, en dat deze stellingen worden ondersteund door vermelding van een onjuist adres (in R) en plaatsing van een niet-gelijkende handtekening op de loonbelastingverklaring. Voorts verklaart belanghebbende, gezien een visumstempel (voor terugkeer naar Nederland) d.d. 16 januari 1995 en stempels van de Ghanese douane en Nederlandse marechaussee van februari 1995, dat hij toen niet op dat paspoort naar Ghana gereisd is. Hij stelt dat de dief c.q. de bezitter van het paspoort kennelijk met dat paspoort heeft gereisd. Belanghebbende stelt voorts dat bij een bezoek aan G in 1997 niemand hem daar kende, en dat het voor hem in onderhavig jaar feitelijk onmogelijk zou zijn geweest voor G in S te werken, gezien het feit dat hij in Z woonde en in R werkte.

5.4. Verweerder stelt dat de kopieën van het paspoort en de loonbelastingverklaring voor zich spreken, en dat in dit geval op belanghebbende de last rust zijn stellingen waar te maken.

5.5. Na de zitting heeft de griffier G verzocht opgave te doen van namen en adressen van de directe chef van belanghebbende binnen G in 1995, en van twee collega's die in 1995 persoonlijk met belanghebbende zouden hebben samengewerkt. Zulks teneinde het Hof in de gelegenheid te stellen hen omtrent belanghebbende te kunnen horen. Na herhaaldelijke schriftelijke en telefonische verzoeken om antwoord heeft G uiteindelijk schriftelijk aan de griffier bericht dat aan het verzoek om naam en adressen van een directe chef en twee collega's gelet op de tijd helaas niet kan worden voldaan.

5.6. Indien zoals in dit geval een werkgever c.q. inhoudingsplichtige beschikt over een kopie van een paspoort, het sofinummer en een werknemersverklaring van een werknemer, kan naar 's Hofs oordeel de inspecteur in het algemeen ervan uitgaan dat die werknemer de persoon is die deze gegevens als werknemer heeft verstrekt. Zulks kan anders zijn indien de betreffende persoon gemotiveerd betwist dat hij de werknemer is of was. In dat geval rust op de inspecteur een volledige onderzoeksplicht, mede gezien de hem op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen jegens inhoudingsplichtigen ten dienste staande bevoegdheden, en kan door de inspecteur niet worden volstaan met een verwijzing naar de betwiste gegevens.

5.7. In casu stelt belanghebbende gemotiveerd dat zijn paspoort gestolen is, en dat een ander het paspoort valselijk heeft gebruikt. Nu verweerder de zaak niet volledig heeft onderzocht, en evenmin in de beroepsfase heeft verzocht om, eventueel in opdracht van het Hof, een nader onderzoek bij G in te stellen, is niet komen vast te staan dat belanghebbende bij G heeft gewerkt. In die omstandigheden kan de door verweerder toegepaste correctie geen stand houden.

5.8. Aan voormeld oordeel doet niet af dat belanghebbende bij de uitspraak op het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard, nu in die uitspraak door verweerder is vermeld dat het bezwaar als een verzoek om ambtshalve vermindering is aangemerkt en mitsdien toch beoordeeld is. In zodanig geval rust op de inspecteur immers eveneens een volledige onderzoeksplicht.

5.9. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende. Het loon van G ad f 9.050 dient niet in belanghebbendes belastbaar inkomen te worden begrepen, en de daarop ingehouden loonbelasting ad f 1.343 dient niet met de aanslag te worden verrekend.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Gelet op het Besluit proceskosten fiscale procedures wordt de vergoeding berekend op f 1.775 (A1: 1, 3 en 5; factor 1).

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van verweerder,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar

inkomen van f 62.911,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belangheb- bende tot het beloop van f 1.775 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen,

- gelast verweerder het griffierecht ad f 45 aan belang-

hebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 23 juli 1999 door mr. Kwantes, in tegenwoordigheid van mr. Greuters als griffier.

De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.