Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/05191
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu de inspecteur bij de afdoening van het bezwaar te kennen heeft gegeven de aftrekbaarheid van kledingkosten te betwisten maar toch maar te aanvaarden teneinde een einde te maken aan een langlopende bezwaarfase, is hij, nu belanghebbende in beroep komt op een ander punt, gerechtigd de post kleding weer aan de orde te stellen.Belanghebbende maakt slechts voor een deel van de gestelde kosten aannemelijk dat het gaat om in het kader van de onderneming aangeschafte kleding. Uit de omschrijving die van de kledingstukken is gegeven volgt dat geen sprake is van werkkleding, ook al is de kleding steeds zwart van kleur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/49.3

Uitspraak

98/05191

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, gedagtekend 16 oktober 1998, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 juli 1999.

BESLISSING

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

GRONDEN

1. Het beroep van belanghebbende betreft de waarde van een viool en een strijkstok ten tijde van de inbreng van deze voorwerpen in de door belanghebbende gedreven onderneming, welke waarde naar het oordeel van belanghebbende leidt tot een vermogensaftrek die f 190 hoger is dan door de inspecteur is toegestaan.

2. De inspecteur verdedigt de juistheid van de aanslag zoals die na bezwaar is komen te luiden met de stelling dat tot een te hoog bedrag kosten van kleding in aftrek zijn toegelaten. Belanghebbende heeft uit dien hoofde een bedrag van f 1.331 (aanschaf f 1.181 en reiniging f 150) ten laste van haar winst uit onderneming gebracht, van welk bedrag de inspecteur bij de afdoening van het bezwaarschrift een gedeelte, groot f 1.031, in aftrek heeft aanvaard.

3. Belanghebbende bestrijdt dat de inspecteur kan terugkomen van zijn beslissing inzake de kledingkosten, doch het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Bij de afdoening van het bezwaarschrift heeft de inspecteur bij brief van 24 augustus 1998 de gemachtigde van belanghebbende het volgende -voor zover hier van belang- geschreven:

"(...) U heeft de vragenbrief van 24 november 1997 gedeeltelijk niet beantwoord. Op de vragenbrief van 2 juni 1998 heb ik geen reactie gehad. Het is op dit moment voor mij nog niet goed mogelijk om te beoordelen (...) welk bedrag aan kledingkosten in aftrek kan worden gebracht. Ik merk op dat indien bepaalde uitgaven voor gewone kleding aftrekbaar zijn (meestal is dit niet het geval), de uitgaven voor slechts 75% in aftrek kunnen worden gebracht.

Om de afhandeling van het bezwaarschrift niet verder te vertragen ga ik er voorlopig vanuit dat de viool en de strijkstok samen een waarde hebben van f 60.000 (...). De aftrekbare kledingkosten (aanschaf- en reinigingskosten) worden niet op f 1.331,= maar op f 1.031,= vastgesteld: uit de nota's kan niet worden opgemaakt dat het om werkkleding gaat, daarnaast is niet duidelijk of het wel om zakelijke uitgaven van de onderneming gaat. (...)"

Nu belanghebbende in beroep de juistheid van de uitspraak van de inspecteur bestrijdt, acht het Hof de inspecteur gerechtigd in dat beroep de aftrekbaarheid van de gestelde kledingkosten wederom aan de orde te stellen. De inspecteur heeft zich immers jegens belanghebbende duidelijk op het standpunt gesteld dat hij de juistheid van de aftrek in twijfel trekt en slechts om praktische redenen heeft besloten een bedrag van f 1.031 ten laste van de winst te laten komen. Van een definitieve standpuntbepaling waarop belanghebbende zich met vrucht kan beroepen is derhalve geen sprake.

4. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij zijn antwoord op de vragenbrief van de inspecteur van 24 november 1997 fotokopieën van 13 aankoopbonnetjes toegezonden met een totaalbedrag van f 1.180,55. In een brief van de gemachtigde van 10 september 1998 is een specificatie van de aankopen opgenomen. Het ging volgens die specificatie om een korte rok, een zijden blouse, een colbertjasje, een trui, panties, een katoenen shirt, een broek en 4 paar schoenen/laarsjes, alles in de kleur zwart. Van een tweetal bonnetjes (f 69,95 en f 79,95) werd vermeld dat het jurkjes betrof, maar kon niet worden achterhaald welke jurkjes het precies betrof.

5. Bij de gemotiveerde betwisting door de inspecteur is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat tot een bedrag van f 1.181 kleding is gekocht ten behoeve van de door belanghebbende gedreven onderneming. Met de overgelegde bonnetjes en de daarop gegeven toelichting slaagt belanghebbende daar niet in. Mede gelet op de omstandigheid dat verschillende bonnetjes geen, dan wel slechts een algemene omschrijving van het gekochte vermelden, en op het feit dat niet aannemelijk is dat in één jaar de ondernemingsactiviteiten nopen tot de aanschaf van vier paar schoenen, merkt het Hof slechts de door de bonnen 2 (zwarte zijden blouse, f 98), 7 (schoenen, f 149), 11 (zwart jurkje, f 79,95) en 12 (pumps, f 199,90) gestaafde aankopen aan als te zijn gedaan in het kader van de ondernemingsuitoefening.

6. Uit de omschrijving die door belanghebbende is gegeven, maakt het Hof op dat het hier niet gaat om werkkleding in de zin van artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, 4° van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). De kledingstukken (waaronder hier te begrijpen de schoenen) zijn, gelet op de daarvan door belanghebbende gegeven beschrijving, aan te merken als kledingstukken die tevens geschikt zijn om in het normale dagelijkse leven te worden gedragen. De omstandigheid dat de kledingstukken zwart van kleur zijn en daarmee voldoen aan de door de orkesten en ensembles gestelde specificaties maakt van die kleding nog geen werkkleding. Uit de bonnetjes is, zoals de inspecteur heeft gesteld, ook af te leiden dat de aanschaffingen niet in speciaalzaken zijn verricht.

7. Het totale bedrag van de aftrekbare aanschaffingskosten van de kleding, aannemelijk gemaakt tot een bedrag van f 526,85 (zie onder 5 hiervóór), en de reinigingskosten ad f 150, zijnde f676,85, is op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet voor 75% aftrekbaar. De aftrek bedraagt dus f 507,64. De inspecteur, die een bedrag van f 1.031 in aftrek toeliet, heeft uit dezen hoofde het inkomen van belanghebbende tot een bedrag van f 523,36 te laag vastgesteld.

8. Uit het vorenstaande volgt dat ook al zou belanghebbende in het gelijk worden gesteld op het punt van de vermogensaftrek, dit niet zal leiden tot vermindering van de aanslag. Aangezien daardoor met betrekking tot de vraag van de inbrengwaarde van de viool en de strijkstok pas in een volgend jaar een daadwerkelijk belang optreedt, zal het Hof zich thans over die vraag niet uitspreken aangezien zulks niet kan leiden tot een onherroepelijk oordeel over die kwestie.

9. Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De uitspraak is gedaan ter openbare zitting van 9 juli 1999 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Geel-Cieraad als griffier.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.