Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8032

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/3001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor de beoordeling of een wijziging in de zin van art. 19 wet WOZ geheel of ten dele haar beslag heeft gekregen moet ingeval van een verbouwing worden gekeken naar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden en de beƫindiging daarvan en niet naar het formele tijdstip van de gereedmelding van de verbouwing bij de gemeente.

Aan de rechtsgeldigheid van een wijzigingsbeschikking doen niet af de omstandigheden dat de eerste beschikking niet is ingetrokken, dat de wijzigingbeschikking niet is gemotiveerd en dat de verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de beschikking zou gelden voor een andere periode dan die welke op de beschikking is vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/43

Uitspraak

98/3001

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van Burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder,

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 3 juli 1998.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 17 mei 1998 en verzonden op 19 juni 1998, betreffende de ten name van belanghebbende genomen beschikking van 20 maart 1998, waarbij - volgens de tekst van die beschikking - voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 de waarde van de onroerende zaak a-straat 5 5 te P is vastgesteld op f 346.000.

Na bezwaar tegen de beschikking is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de beschikking.

Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van de Tiende Enkelvoudige Belastingkamer van 17 maart 1999 zijn verschenen belanghebbende en A namens verweerder, tot bijstand vergezeld van mr. B.

Beide partijen hebben een tot de gedingstukken te rekenen pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Na verwijzing naar de Vierde Meervoudige Belastingkamer zijn partijen bij aangetekend verzonden brief op 19 maart 1999 opgeroepen voor de zitting van 21 mei 1999, doch zij zijn niet verschenen. Bij brieven van 23 en 29 maart 1999 hebben zij het Hof bericht niet op die zitting te zullen verschijnen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de bovengenoemde onroerende zaak, hierna ook: de woning, waarvan de waarde door verweerder met toepassing van artikel 41 van de voor het onderhavige jaar geldende tekst van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: wet WOZ) naar het prijspeil 1 januari 1992 is vastgesteld op f 261.000 bij een op 28 februari 1997 gedagtekende beschikking als bedoeld in artikel 22 van die wet.

2.2. De woning is in de zomer van 1996 verbouwd, welke verbouwing in hetzelfde jaar gereed is gekomen. De verbouwing is bij de gemeente Nieuwegein gereed gemeld op 24 februari 1997.

2.3. De bestreden beschikking is genomen op 20 maart 1998. Daarbij is de waarde - blijkens de tekst van die beschikking - vastgesteld op f 346.000 voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 of een gedeelte daarvan.

3. Geschil en standpunten van partijen

Belanghebbende is van oordeel dat de sub 2.3 genoemde beschikking rechtskracht ontbeert omdat de sub 2.1 bedoelde beschikking niet is ingetrokken en omdat de beschikking bedoeld onder 2.3 niet is gemotiveerd. Hij meent voorts dat in het systeem van de wet WOZ voor de waardevaststelling per 1 januari 1997 geen rekening kan worden gehouden met een in 1996 voltooide verbouwing. Voorts kan de beschikking bedoeld onder 2.3 geen betrekking hebben op de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 zoals verweerder stelt. Van een beschikking krachtens artikel 27 van de wet WOZ kan geen sprake zijn, omdat de gemeente Nieuwegein al ten tijde van het nemen van de onder 2.1 genoemde beschikking op de hoogte was van de verbouwing en de voltooiing daarvan in 1996.

Verweerder stelt dat de sub 2.1 genoemde beschikking geldt voor de periode van 1 januari 1997 tot 1 januari 1998 en de onder 2.3 bedoelde beschikking voor de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000. Van een beschikking krachtens artikel 27 is naar zijn oordeel geen sprake.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Uit de stukken blijkt dat de bestreden uitspraak is gedaan door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein op 17 mei 1998. Blijkens het bepaalde in artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en de aanpassingswetgeving behorende bij de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht is sedert 2 april 1998 slechts bevoegd tot het doen van een uitspraak de gemeente-ambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen. Dit brengt met zich mee dat de bestreden uitspraak is gedaan door een onbevoegde en reeds daarom moet worden vernietigd. Het Hof is echter van oordeel dat er geen enkele reden is om te veronderstellen dat de bevoegde gemeente-ambtenaar, die alsnog een uitspraak zou moeten doen, in materieel opzicht een andere beslissing zou nemen dan het college van burgemeester en wethouders onbevoegdelijk heeft gedaan. Op grond hiervan zal het Hof om redenen van proceseconomie de uitspraak niet vernietigen maar aanmerken als een uitspraak van de daartoe bevoegde gemeente-ambtenaar.

4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 22, tweede en derde lid van de wet WOZ moet de waarde worden vastgesteld voor een periode van vier jaren, voor het eerst voor het tijdvak dat aanvangt met 1 januari 1997. Voor deze vaststelling is blijkens artikel 18 van de wet WOZ van belang de toestand van de onroerende zaak en het prijspeil op 1 januari 1995. Omdat voorts tussen partijen vaststaat dat de gemeente Nieuwegein een zogenaamde wetsfictiegemeente is, treedt op grond van het bepaalde in artikel 41, eerste lid, in casu voor de datum 1 januari 1995 in de plaats de datum 1 januari 1992.

Gelet op deze uitgangspunten acht het Hof het aannemelijk dat de waardevaststelling bij de beschikking genoemd onder 2.1 betrekking heeft op de waarde van belanghebbendes woning en de staat waarin deze woning verkeerde op 1 januari 1992, derhalve zonder dat daarbij rekening was gehouden met de in 1996 plaats gehad hebbende verbouwing.

4.3. De verbouwing van belanghebbendes woning in het jaar 1996 is een wijziging zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet WOZ, nu tussen partijen niet in geschil is dat de waarde van belanghebbendes woning een verandering heeft ondergaan van ten minste 5 percent met een minimum van f 25.000. Voor dat geval wordt blijkens de slotzinsnede van het eerste lid van genoemd artikel, de waarde bepaald naar de staat van de woning bij het begin van het kalenderjaar volgende op dat waarin de verbouwing geheel of ten dele haar beslag heeft gekregen.

4.4. Omdat de verbouwing plaats gehad heeft en voltooid werd in het jaar 1996 kan geen betekenis worden toegekend aan het tijdstip van gereedmelding van de verbouwing bij de gemeente Nieuwegein op 24 februari 1997. Die gereedmelding heeft immers geen invloed op de waardewijziging als gevolg van de verbouwing.

4.5. Gelet op overwogene onder 4.3 en 4.4 moet in casu op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel b, juncto artikel 41, tweede lid van de wet WOZ, bij de waardevaststelling van belanghebbendes woning rekening worden gehouden met een waardebepaling naar de staat van belanghebbendes woning op 1 januari 1997 en naar het prijspeil van 1 januari 1992.

4.6. Het overwogene onder 4.5 brengt mee dat de waarde van de woning voor het tijdvak 1 januari 1997 tot 1 januari 2001 moet worden bepaald naar de toestand op 1 januari 1997 en het prijspeil 1 januari 1992, overeenkomstig de waardebepaling die aan de onder 2.3 bedoelde beschikking ten grondslag ligt. Voor vernietiging van die beschikking ziet het Hof derhalve geen reden. De omstandigheid dat verweerder eerst de onder 2.1 bedoelde beschikking heeft genomen doet aan de rechtsgeldigheid van de onder 2.3 bedoelde beschikking niet af.

4.7. Op grond van het vorenoverwogene moet mitsdien worden geoordeeld dat de onder 2.3 genoemde beschikking moet worden aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet WOZ. Blijkens het bepaalde in het tweede lid van dat artikel treedt de sub 2.3 genoemde beschikking vanaf 1 januari 1997 in de plaats van de sub 2.1 genoemde beschikking.

Onjuist is derhalve de stelling van belanghebbende dat alvorens een krachtens artikel 25 genomen beschikking rechtskracht kan hebben de krachtens artikel 22 genomen beschikking moet worden ingetrokken. Dat een krachtens artikel 25 genomen beschikking - in afwijking van een krachtens artikel 22 genomen beschikking - betrekking kan hebben op een tijdvak korter dan vier jaar, sluit niet uit dat een zodanige beschikking ook betrekking kan hebben op een tijdvak van vier jaar. Het Hof verwerpt mitsdien de door belanghebbende gegeven uitleg van de in artikel 25, tweede lid, opgenomen verwijzing naar het tweede lid van artikel 22, en daarmee tevens zijn stelling dat wijzigingen welke geheel of ten dele hun beslag hebben gekregen in het jaar voorafgaand aan het begin van een tijdvak van vier jaar niet in aanmerking kunnen worden genomen.

4.8. Aan de rechtsgeldigheid van de onder 2.3 genoemde beschikking doen niet af de omstandigheden dat de sub 2.1 genoemde beschikking niet is ingetrokken, dat de beschikking niet is gemotiveerd, en evenmin dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de beschikking van toepassing zou zijn - in afwijking van de bewoordingen van die beschikking - voor de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000.

4.9. Het Hof komt tot de conclusie dat het beroep niet gegrond is en dat de uitspraak van verweerder moet worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen termen voor een veroordeling in de kosten als bedoeld zijn in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van verweerder.

De uitspraak is vastgesteld op 27 augustus 1999 door mrs Holdert, Onnes en Kwantes, in tegenwoordigheid van mr Van der Laan als griffier en de beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.