Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7944

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/5422
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen toepassing bijzonder tarief op blijfpremie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1999/712
V-N 2000/10.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/5422

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 23 december 1998, ingediend door A (B belastingadviseurs) te C als haar gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 30 november 1998, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1996. De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van f d en met toepassing van de tarieftabel, bedoeld in artikel 53a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996; hierna: de Wet) op de gehele belastbare som. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f d met toepassing van het bijzondere tarief als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Wet op een gedeelte van het belastbare inkomen, groot f c.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 13 juli 1999 zijn verschenen vorengenoemde gemachtigde alsmede de inspecteur. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Tussen partijen vaststaande feiten

Belanghebbende, geboren op 1 januari 19xx, was in 19xx in dienstbetrekking bij D B.V. De aandelen in deze vennootschap zijn in de loop van 19xx overgenomen door E B.V. (hierna: E). E is in 19xx tot stand gekomen na een fusie tussen H, I en J en behoorde in 19xx tot de twintig grootste y-kantoren ter wereld.

Per 1 januari 19xx is belanghebbende in dienst getreden van E en later van de F BV (hierna: F). In 1996 werkte belanghebbende als kantoordirecteur bij F. F is ontstaan na de overname in het jaar 19xx van E door G (hierna: G) te K (a-land).

Voor de overname in 19xx door G bevonden de aandelen E zich voor dertig percent in handen van L (hierna: L). L is het grootste y-kantoor ter wereld. Na de overdracht van haar aandelen in E aan G is L in concurrentie met E zelfstandig activiteiten in Nederland gaan ontwikkelen.

Bij brief van 1 januari 19xx is door E aan belanghebbende een bonus in het vooruitzicht gesteld. De inhoud van deze brief luidt onder meer als volgt:

" De gesprekken die wij voeren met G over de aankoop van 100% van de aandelen van E vorderen voorspoedig. Wij hebben de stellige verwachting dat in de loop van oktober het contract zal kunnen worden getekend.

Wij zijn ervan overtuigd dat wij, te zamen met G, in staat zullen zijn E in Europa verder krachtig uit te bouwen.

Ons vertrouwen in de toekomst wordt voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit, inzet en teamgeest van onze mensen. Het succes dat wij nastreven, is afhankelijk van de continuïteit van juist deze drie factoren.

Het is om deze reden dat de Raad van Bestuur van de E, na overleg met G, heeft besloten aan een aantal binnen het concern werkzame medewerkers van wie wordt verwacht dat zij over een langere termijn een belangrijke bijdrage zullen leveren aan de gewenste ontwikkeling van het bedrijf, éénmalig en onder een aantal voorwaarden een substantiële bonus toe te kennen. Deze bonus staat geheel los van de bij de E gebruikelijke bestanddelen van de honorering.

De Raad van Bestuur van E is van mening dat U tot deze groep van medewerkers behoort en heeft derhalve het genoegen U hierbij de toezegging te doen dat aan U, gerekend over een periode van 7 jaar ingaande de datum van overname van E door G en/of een met deze verbonden vennootschap, een bruto bonus wordt toegekend ten bedrage van f. e,--.

Deze bonus zal in 4 termijnen betaalbaar worden gesteld, te weten op 31 oktober 1995, 31 oktober 1996, 31 oktober 1997 en 31 oktober 1998.

Aan de toekenning en uitbetaling van deze bonus zijn de volgende voorwaarden verbonden:

1. Een continuering van Uw dienstverband met D B.V. met een periode van minstens 4 resp. 5, 6 of 7 jaar. Een recht Uwerzijds op ontvangst van een termijn kan namelijk alleen worden gerealiseerd indien u op het moment van betaalbaarstelling nog in dienst bent van D B.V. Indien Uw dienstverband met D B.V. eindigt vóór afloop van de 7-jaarsperiode, vervalt ieder recht Uwerzijds op ontvangst van de na de datum van beëindiging van het dienstverband betaalbaar gestelde termijn(en).

2. Dit is echter niet het geval indien gedurende de afgesproken periode het dienstverband met U wordt beëindigd als gevolg van algehele arbeidsongeschiktheid of overlijden. Betaling van de (nog resterende) termijn(en) zal dan alsnog aan U resp. Uw erfgenamen plaatsvinden op de vorengenoemde datum (data).

3. Ondertekening van bijgaand geheimhoudings- en non-concurrentiebeding, dat in de plaats komt van een eventueel bestaand non-concurrentiebeding.

4. Geheimhouding van deze persoonlijke toezegging.

De in deze brief neergelegde bonustoezegging geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de overname van E door G wordt geëffectueerd. "

Het in onderdeel 3 van de vorenbedoelde brief bedoelde geheimhoudings- en non-concurrentiebeding luidt onder meer als volgt:

" 1. U zult zowel gedurende het dienstverband met D B.V. als na afloop daarvan strikte geheimhouding betrachten omtrent alles, daaronder begrepen alle gegevens en informatie die voor de concurrentie van enig belang kunnen zijn, wat bij de uitoefening van Uw werk te Uwer kennis komt in verband met de cliënten, zaken en belangen van D B.V. c.q. de E en/of haar werkmaatschappijen.

2. Gedurende een periode van 2 jaar na het einde van het dienstverband zult U, behoudens schriftelijke toestemming van de E, geen activiteiten uitoefenen welke gelijk aan of anderszins concurrerend zijn met de activiteiten van D B.V., voor zover deze activiteiten betrekking hebben op cliënten uit de ten tijde van het dienstverband bestaande klantenkring van D B.V.

De verboden activiteiten dienen in ruime zin te worden opgevat, dat wil zeggen ongeacht de wijze en/of vorm ervan en ongeacht of er sprake is van handelen op eigen naam dan wel door middel van en/of in samenwerking met, dan wel in dienstverband van andere natuurlijke of rechtspersonen.

3. Indien U in strijd met het hierboven sub 1 en 2 bepaalde handelt, verbeurt U aan D B.V. c.q. de E een onmiddellijk opeisbare boete van f.25.000,-- (vijfentwintig duizend gulden) per dag per overtreding (een gedeelte van een dag als dag gerekend) voor elke dag dat de overtreding na mededeling van ontdekking daarvan door D B.V. c.q. de E voortduurt, onverminderd het recht van D B.V. c.q. de E en/of haar werkmaatschappijen vergoeding te vorderen van de werkelijk geleden schade.

4. Onder werkmaatschappijen dienen in dit verband te worden verstaan de ondernemingen met wie de E, na de voorgenomen juridische herstructurering in het kader van de overname door G (en/of een met deze verbonden vennootschap), in één concern-verband is opgenomen. "

Belanghebbende heeft de hiervoor bedoelde brief en het vorenbedoelde geheimhoudings- en non-concurrentiebeding voor akkoord getekend.

Aan ongeveer 200 van de circa 900 werknemers van E is een bonus uitbetaald. De hoogte daarvan varieerde van f a tot f b en was afhankelijk van de functie van de betrokken werknemer. Ten behoeve van de uitbetaling van de bonussen is een zogeheten employee fund in het leven geroepen. Dit employee fund is in overleg tussen E en G tot stand gekomen. G heeft x gulden gedoteerd ten behoeve van het employee fund. Zulks blijkt uit een brief van 24 oktober 1991 van de bestuursvoorzitter van M, de moedermaatschappij van G, gericht aan de voorzitters van de directie en commissarissen van E, luidende als volgt:

" We further commit to an amount of DFL x (...) for employees of the Company as an inducement to remain with the Company and participate actively in its developments. We will work together with the management of the Company to effect this in the most efficient way. "

In oktober 1996 heeft belanghebbende de eerste termijn van de vorenbedoelde bonus, groot f c, ontvangen. Bij haar aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar, welke uitkwam op een belastbaar inkomen van f d heeft belanghebbende verzocht om toepassing van het bijzondere tarief van 45 percent als bedoeld in artikel 57, eerste lid, onderdeel i, en tweede lid van de Wet over de in dat inkomen begrepen bonus van f c. Aan dat verzoek heeft de inspecteur niet voldaan.

Geschil

In geschil is of de hiervoor onder 0 bedoelde termijn wordt belast naar het bijzondere tarief, bedoeld in artikel 57 van de Wet dan wel op de voet van de tarieftabel, bedoeld in artikel 53a van de Wet.

Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan het volgende toegevoegd.

Namens belanghebbende: Het y-kantoor waarvoor belanghebbende werkt, is gevestigd te Z. Na de overname van D BV door E, is belanghebbende in Z blijven werken. Het kantoor heet nu M Z. Bij die overname is geen concurrentiebeding gesloten. Belanghebbende is, als een van de weinigen, niet door L benaderd. Er zijn 18 functionarissen overgestapt van E naar L. Het kan niet anders dan dat daarbij aanzienlijke verbetering van de arbeidsvoorwaarden heeft plaatsgevonden. Strategisch minder belangrijke werknemers hebben een eenmalige uitkering gekregen. Het arrest van 11 maart 1998, nr. 32.948, BNB 1998/131, heeft betrekking op een dergelijke eenmalige uitkering. 39 werknemers, waaronder belanghebbende, hebben in verband met hun strategische positie een hogere uitkering in termijnen gekregen, waarvoor zij wel een non-concurrentiebeding moesten tekenen.

Namens de inspecteur: Ik zie niet in waarom het arrest van 11 maart 1998 niet van toepassing is. De omvang van de uitkering en de uitbetaling in termijnen zijn voor de tarieftoepassing niet relevant. De stelling van belanghebbende dat rechtsoverweging 6.1 van Hof 's-Gravenhage onbegrijpelijk is, wordt door de Hoge Raad niet gedeeld.

Beoordeling van het geschil

Belanghebbende stelt primair dat zij de onder 0 bedoelde bonus heeft genoten ter vervanging van te derven inkomsten, te weten de hogere arbeidsbeloning die zij in een andere werkkring zou kunnen bedingen en dat de bonus derhalve op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 57, eerste lid, onderdeel i, en tweede lid, van de Wet is onderworpen aan het bijzondere tarief van 45 percent. De inspecteur heeft deze stelling betwist. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende geen andere werkkring heeft aanvaard en ook geen aanbod heeft gehad om een andere dienstbetrekking aan te gaan, zodat zij had rechtens geen aanspraak op een in die andere werkkring mogelijk te bedingen hogere arbeidsbeloning. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat zij deze arbeidsbeloning heeft gederfd of zou derven als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet (Hoge Raad 4 januari 1989, nr. 25.310, BNB 1989/77, en Hoge Raad 17 juni 1992, nr. 27.048, BNB 1992/295). De bonus is naar het oordeel van het Hof dan ook niet genoten ter vervanging van te derven inkomsten. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.

Belanghebbende stelt subsidiair dat de onder 0 bedoelde bonus verband houdt met het staken of nalaten van werkzaamheden, omdat de bonus haar feitelijk verhinderde haar dienstbetrekking met E te beëindigen en dat de bonus derhalve op grond van artikel 31, tweede lid, in verbinding met artikel 57, eerste lid, onderdeel i, en tweede lid, van de Wet is onderworpen aan het bijzondere tarief van 45 percent. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat zij de bonus geniet omdat zij haar werkzaamheden voor E niet staakt, maar voortzet en dat de bonus derhalve is genoten ter zake van het staken, verwerpt het Hof belanghebbendes stelling. De bonus is immers niet genoten ter zake van het staken van werkzaamheden of diensten, maar juist ter zake van het niet staken van werkzaamheden of diensten. Het gelijk is ook in zoverre aan de inspecteur.

Voor zover belanghebbende met haar hiervoor onder 0 bedoelde stelling heeft bedoeld te stellen dat belanghebbende de onder 0 genoemde bonus heeft genoten ter zake van het nalaten van werkzaamheden in dienst van concurrenten van E in het algemeen en van L in het bijzonder, overweegt het Hof het volgende. Een uitkering die een werknemer ontvangt in het belang van de continuïteit van de onderneming en niet om verstoring van concurrentieverhoudingen te voorkomen die mogelijkerwijs zouden kunnen optreden indien hij elders zou gaan werken, is niet genoten ter zake van het staken of nalaten van werkzaamheden of diensten (Hoge Raad 19 juni 1985, nr. 23.192, BNB 1985/243). Uit de hiervoor onder 0 aangehaalde brief van E aan belanghebbende leidt het Hof af dat E met de toekenning van de onderhavige bonus aan belanghebbende vooral het oogmerk had haar aan E te binden en zo in de toekomst van haar diensten verzekerd te zijn. Indien en voor zover de bonus tevens tot doel had verstoring van concurrentieverhoudingen te voorkomen door belanghebbende te verhinderen in dienst te treden bij L, kan deze bonus, naar het oordeel van het Hof, wel zijn genoten ter zake van het staken of nalaten van werkzaamheden en diensten. Het Hof is van oordeel dat daartoe tevens is vereist dat een redelijke kans bestaat dat belanghebbende bij afwezigheid van de bonus en het non-concurrentiebeding daadwerkelijk werkzaamheden ten behoeve van L zou zijn gaan verrichten. Nu de inspecteur dit heeft bestreden, is het aan belanghebbende aannemelijk te maken dat zulks zich in dit geval voordoet. Belanghebbende heeft daartoe gesteld dat zij, in tegenstelling tot de belanghebbende in de procedure die heeft geleid tot Hoge Raad 11 maart 1998, nr. 32.948, BNB 1998/131, akkoord diende te gaan met een geheimhoudings- en non-concurrentiebeding, dat ruim 15 functionarissen, waaronder een directielid, de weg naar L - de concurrent - hebben gevonden en dat belanghebbende bij indiensttreding bij een concurrerende makelaar een (aanzienlijke) inkomensverbetering zou hebben kunnen realiseren. Ter zitting heeft de gemachtigde echter verklaard dat belanghebbende niet door L of een andere concurrent van E is benaderd met het verzoek aldaar in dienst te treden. Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk dat belanghebbende bij afwezigheid van de bonus en het non-concurrentiebeding daadwerkelijk werkzaamheden ten behoeve van L zou zijn gaan verrichten. Het Hof acht evenmin aannemelijk gemaakt dat de bonus aan belanghebbende is toegezegd met het meer dan bijkomstige doel te voorkomen dat belanghebbende bij een concurrent in dienst te treden, welke indiensttreding de concurrentieverhoudingen zou hebben verstoord. De bonus is, naar 's Hofs oordeel, niet genoten ter zake van het staken of nalaten van werkzaamheden of diensten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wet. Ook in zoverre is het gelijk aan de inspecteur.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 12 oktober 1999 door mrs. Van Ballegooijen, voorzitter, Van der Ouderaa en Van Vijfeijken, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De uitspraak is op die datum ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt dit griffierecht f 160. Indien verweerder beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd van f 630.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.