Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7931

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-1999
Datum publicatie
27-10-1999
Zaaknummer
99/352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende houdt naastgelegen woning - na periode van verhuur - aan in verband met voorgenomen verkoop samen met door hem bewoonde woning. Om de woning een bewoonde indruk te geven zijn er onder meer enkele meubelen in geplaatst.

Hof: aldus is geen sprake van gebruik op grond waarvan OZB-gebruikersbelasting kan worden geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/98
FED 1999/757
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/352

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achtste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Haarlem, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Haarlem, de verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 25 januari 1999, aangevuld bij schrijven van 6 april 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de verweerder, gedagtekend 21 december 1998, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaak-belastingen voor het jaar 1997 wegens het gebruik van de onroerende zaak a-weg 7 te Haarlem.

Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de verweerder en van de aanslag.

De verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting (..)

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Gelet op de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat het navolgende vast.

2.2. Belanghebbende bewoonde samen met zijn vader - en voorheen ook zijn broer - in de woning a-weg 9 te Haarlem (hierna: nr. 9).

2.3. De daaraan grenzende kleinere woning a-weg 7 (hierna ook: nr. 7), eigendom van belanghebbende en zijn broer, was tot in 1991 verhuurd. Na het vertrek van de laatste huurder is besloten nr. 7 in lege staat aan te houden in verband met de - op termijn - voorgenomen gezamenlijke verkoop van nr. 9 en nr. 7.

Die gezamenlijke verkoop heeft in 1998 plaatsgevonden.

2.4. Omdat belanghebbende en zijn broer niet wensten te worden lastiggevallen door mensen die nr. 7 wilden huren of kopen én om kraken te voorkomen, zijn in nr. 7 onder meer een bankstel, enige stoelen en een kachel geplaatst. Voorts brandde er 's avonds licht, opdat het een bewoonde indruk maakte. De aansluitingen op gas, water en electra zijn gehandhaafd.

2.5. De verweerder is van oordeel dat belanghebbende nr. 7 bij het begin van het kalenderjaar - naar de omstandigheden beoordeeld - gebruikt in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 1997. Deswege is met dagtekening 28 februari 1997 een aanslag in de gebruikersbelasting ad f 242 opgelegd, berekend naar een - niet in geschil zijnde - waardegrondslag van f 160.000.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht in de gebruikersbelasting is betrokken.

4. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van dit geding. Ter zitting zijn daaraan geen nieuwe argumenten toegevoegd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De enkele omstandigheid dat een eigenaar de bevoegdheid heeft over een onroerende zaak te beschikken, bestempelt hem niet tot gebruiker van die zaak in de zin van de Verordening (en van de Gemeentewet). Daarvan is met name geen sprake indien die onroerende zaak wordt aangehouden voor handels- of beleggingsdoeleinden.

5.2. Aldus kan het aanhouden van een woning met het oog op een voorgenomen verkoop, waarvan in casu sprake is, niet als gebruik in voormelde zin worden aangemerkt.

5.3. Daaraan doet niet af dat de eigenaren om de onder 2.4. vermelde redenen maatregelen hebben getroffen met als uitsluitend doel de woning - in afwachting van de verkoop tezamen met nr. 9 - een bewoonde indruk te geven.

6. Proceskosten

Van ingevolge het Besluit proceskosten fiscale procedures voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de verweerder en de aanslag;

- gelast de verweerder het betaalde griffierecht ad f 85 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 27 oktober 1999 door Mr. Schaap, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van Mr. Koning als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit Gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt het griffierecht f 160. Indien de verweerder beroep in cassatie instelt, is een griffierecht van f 630 verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.