Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7905

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20065
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende gebruikt studeerkamer voor beheer van haar vermogen. Aanwezigheid van collectie kinderboeken en een slaapbank op die kamer staan er niet aan in de weg dat die kamer moet worden aangemerkt als te zijn onttrokken aan persoonlijke leven. In dat geval geen toetsing aan het vergelijkingscriterium. Gelet op omvang en samenstelling vermogen is het gebruiken van een werkkamer normaal te achten. Kosten aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1999/750
V-N 2000/9.10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/20065

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 juli 1997, ingediend door drs. A (B Belastingadviseurs) te Q als gemachtigde van belanghebbende en aangevuld bij schrijven van 26 september 1997.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 juni 1997, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 90.228. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van (primair, na bijstelling in de hierna te noemen pleitnota) ¦ 87.813. dan wel (subsidiair) ¦ 88.072, dan wel (meer subsidiair) ¦ 89.606.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 1 april 1998 zijn verschenen belanghebbende en haar gemachtigde, tot bijstand vergezeld van dr. C en D, alsmede de inspecteur. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar in dienstbetrekking werkzaam bij de instelling E. Uit deze dienstbetrekking genoot zij een loon van ¦ 33.162.

2.2. Belanghebbende heeft een vermogen dat voor de vermogensbelasting voor het jaar 1996 ¦ 2.611.000 bedroeg. De bezittingen bestonden met name uit onroerende zaken, aandelen, obligaties en tegoeden bij banken.

2.3. De tot het vermogen van belanghebbende behorende onroerende zaken zijn, naast de eigen woning met een waarde van ¦ 180.000, de volgende:

- een boerderij te R, voor 3/5 in volle eigendom en voor 2/5 in blote eigendom, waarde van het volle-eigendomsgedeelte ¦ 250.000; opbrengst in 1995 ¦ 18.065 aan huur en ¦ 1.560 aan subsidie;

- de helft van de volle eigendom van een drietal panden in Z, waarde van het aandeel van belanghebbende ¦ 100.000, huuropbrengst in 1995 ¦ 8.983 (het beheer van deze onroerende zaken is uitbesteed aan een makelaar);

- een pand in Q, waarde ¦ 150.000, huuropbrengst 1995 ¦ 3.650;

- een onroerende zaak in F-land, waarde ¦ 6.000.

2.4. Het effectenbezit van belanghebbende per 1 januari 1996 was als volgt gespecificeerd:

2481 aandelen Noro Sunbelt ¦ 29.176

792 aandelen Koninklijke Olie ¦ 178.200

in depot bij bank ¦ 1.777.459

¦ 1.984.835.

2.5. Voorts behoorden tot het vermogen een vordering op de moeder van belanghebbende (¦ 15.123), spaartegoeden (¦ 32.256) en tegoeden op bank- en girorekeningen (¦ 80.794).

2.6. Als inkomsten uit aandelen in 1995 vermeldde belanghebbende in haar aangifte:

Nederlandse dividenden

Koninklijke Olie ¦ 7.088

depot bij bank ¦ 28.522

Herkapitalisatiedividenden ¦ 2.160

Buitenlandse dividenden (depot) ¦ 4.794

Fictief rendement Noro Sunbelt ¦ 719

¦ 43.283

bewaarloon ¦ 1.600

provisie en overige kosten ¦ 1.005

¦ 2.605

¦ 40.678.

2.7. Als in 1995 ontvangen rente gaf belanghebbende in haar aangifte aan:

rente van bank- en girorekeningen ¦ 188

rente van spaartegoeden en vorderingen ¦ 1.604

rente van obligaties ¦ 8.338

¦ 10.130

kosten ¦ 67

¦ 10.063.

2.8. Tot het vermogen van belanghebbende behoorden voorts twee schulden, één ter zake van de eigen woning en één ter zake van overige onroerende zaken, elk groot ¦ 100.000.

2.9. In haar aangifte trok belanghebbende bij de vraag inzake de inkomsten uit overige onroerende zaken onder meer af een bedrag van ¦ 5.302 aan kosten van vermogensbeheer, als volgt gespecificeerd:

werkkamer thuis 15% x 2 3/7 x ¦ 7.560 ¦ 2.754

energiekosten ¦ 422

OZB/waterschap ¦ 133

assurantie ¦ 126

afschrijving inboedel (10 jr) ¦ 200

afschrijving computer (3 jr) ¦ 1.667

¦ 5.302.

Het aangegeven belastbare inkomen bedroeg ¦ 84.926.

2.10. Bij brief van 5 augustus 1996 heeft D namens belanghebbende de aangifte aangevuld, in die zin dat de inspecteur werd medegedeeld dat bij de aftrek van de kosten van de werkkamer ten onrechte ¦ 2.754 in aanmerking was genomen. Dit had moeten zijn 15% van 2 3/7 x ¦ 4.760, of ¦ 1.734.

2.11. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de onder 2.9. hiervóór vermelde posten niet in aftrek toegelaten en het aangegeven inkomen daarmee gecorrigeerd. De aanslag werd opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ 84.926 plus ¦ 5.302 = ¦ 90.228. Het tegen de aanslag ingediende bezwaar, waarbij belanghebbende opkwam tegen de correctie inzake de aftrek van de kosten van de werkkamer ad ¦ 2.615 (¦ 1.734 + ¦ 422 + ¦ 133 + ¦ 126 + ¦ 200) werd bij de bestreden uitspraak afgewezen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de kosten ter zake van de werkkamer, door belanghebbende in beroep door het laten vallen van de post van ¦ 200 gesteld op ¦ 2.415, in aftrek kunnen worden gebracht bij de bepaling van de zuivere inkomsten uit vermogen van belanghebbende in 1995.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering ervan wordt verwezen naar de stukken van dit geding.

Daaraan is ter zitting -zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd:

door belanghebbende:

In de werkkamer zijn inderdaad enkele boekenplanken gevuld met een verzameling kinderboeken en enkele andere hobbyboeken. Verder staan er ordners en ligt de verdere vermogensadministratie in die kamer.

In de werkkamer lees ik kranten (onder meer het Financieel Dagblad) die mij op de hoogte houden van de economische situatie. Ik houd van alles bij over mijn effectenportefeuille. Zo leg ik in mijn personal computer bestanden aan van aandelenkoersen. Ik lees jaarverslagen van beursfondsen. Met het beheer van mijn aandelen ben ik toch wel zo'n 10 uur per week bezig. De verpachting van de boerderij levert mij ook het nodige werk op, bijvoorbeeld door de wijziging van de Pachtwet. De pachtprijzen moesten worden aangepast. Daarbij heb ik mij laten adviseren door een rentmeester. Regelmatig moet ik afrekeningen, ook contante, in mijn boekhouding verwerken.

Ik bewoon het huis sinds 1972. Het heeft beneden kamers en suite, op de eerste verdieping twee kamers en op de zolder zijn nog eens twee kamers.

Ik heb toegestemd in een bezoek door de inspecteur toen hij mijn woning wilde bekijken. Ik wist toen niet dat ik kon weigeren.

namens belanghebbende:

De inspecteur heeft zich telefonisch tot belanghebbende gewend met het verzoek de woning te mogen bezichtigen. Belanghebbende heeft dit verzoek inderdaad ingewilligd. De inspecteur mag zich echter niet tot de belastingplichtige wenden. Hij had zijn verzoek moeten richten tot de gemachtigde of tot de rechter.

De enkele aanwezigheid van een slaapbank en een reeks kinderboeken doet aan de zakelijkheid van de werkkamer geen afbreuk.

Een goed beheer van een effectenportefeuille kan ook erin uitmonden dat fondsen worden aangehouden. Het aantal mutaties in de portefeuille zegt nog niets over de omvang van de werkzaamheden. De beurs heeft bewezen dat stil zitten vaak de beste beslissing is.

door de inspecteur:

Ik heb met belanghebbende telefonisch gewoon een afspraak gemaakt om even bij haar langs te gaan om de situatie met betrekking tot de werkkamer te bekijken. Ik heb mij daarbij niet beroepen op een bepaling in de Algemene wet inzake rijksbelastingen op grond waarvan mij toegang tot de woning zou moeten worden verleend. Ik heb van zulke bevoegdheden dus geen gebruik gemaakt, zodat het bewijs dat ik naar voren breng niet onrechtmatig is verkregen.

In de kamer die belanghebbende aanmerkt als werkkamer voor haar vermogensbeheer zag ik een slaapbank staan. Verder stond er een verzameling kinderboeken. Ik vind daarom dat de kamer ook wordt gebruikt voor het persoonlijke leven.

Ik zie in de effectenspecificaties van belanghebbende dat in de portefeuille van belanghebbende niet veel verandering is gekomen in het onderhavige jaar.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar alleen woonde, stelt dat zij de kamer waarvoor de uitgaven zijn gedaan aan haar persoonlijke leven heeft onttrokken doordat zij die kamer uitsluitend gebruikt voor haar werkzaamheden voor het beheer van haar vermogen. De inspecteur bestrijdt deze stelling, en voert daarbij aan dat hij bij een bezoek aan de woning van belanghebbende op 31 december 1997 heeft geconstateerd dat zich in de kamer een verzameling kinderboeken bevindt alsmede een slaapbank.

5.1.2. De enkele constateringen van de inspecteur als zojuist bedoeld, staan er niet aan in de weg dat de kamer moet worden aangemerkt als te zijn onttrokken aan het persoonlijke leven van belanghebbende. De aanwezigheid van deze voorwerpen, die naar belanghebbende stelt en het Hof aannemelijk acht, dienen ter stoffering van de kamer, bewerkstelligt niet dat aan een voor zakelijke doeleinden gebruikte kamer het zakelijke karakter komt te ontvallen.

5.2. In verband met het vorenstaande kan in het midden blijven of de inspecteur zich beroept op bewijsmiddelen die, zoals belanghebbende stelt, op onrechtmatige wijze zijn verkregen, doordat de inspecteur zich in de beroepsfase zich rechtstreeks en onaangekondigd tot belanghebbende heeft gewend en de situatie in haar woning heeft opgenomen.

5.3. Nu naar het oordeel van het Hof in casu geen sprake is van kosten die mede samenhangen met het persoonlijke leven van belanghebbende, is er geen plaats voor een op het zogenaamde vergelijkingscriterium van artikel 35, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gebaseerde aftrekbeperking. Het desbetreffende verweer van de inspecteur faalt derhalve.

5.4.1. De inspecteur heeft voorts gesteld dat de omvang van kosten van de werkkamer het gebruikelijke te boven gaat. Hij heeft in dat verband gewezen op de omstandigheden dat het beheer van een deel van het bezit aan onroerende zaken van belanghebbende is uitbesteed aan een makelaar, dat het pand in Amsterdam is verhuurd aan vier personen en dat de boerderij te Arum reeds lange tijd aan dezelfde persoon wordt verhuurd.

5.4.2. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, gelet op de samenstelling van het vermogen, de omvang ervan en van de inkomsten die uit het vermogen werden verworven, in redelijkheid kunnen beslissen een vertrek in haar woning te bestemmen voor het beheer van haar vermogen. Het beheer van de verschillende onroerende zaken, waarbij bij één ervan sprake is van een gedeeltelijk vruchtgebruik bij een derde, van een omvangrijke gevarieerde effectenportefeuille, en van de uitstaande tegoeden, brengt, naar belanghebbende stelt en het Hof aannemelijk acht, zodanige werkzaamheden met zich mee dat het daarvoor gebruiken van een werkkamer normaal te achten is. Het Hof wijst daarbij op de door belanghebbende ter zitting gegeven toelichting, welke toelichting het Hof geloofwaardig acht. De omstandigheid dat het beheer van één van de onroerende zaken is uitbesteed doet hieraan onvoldoende af.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat de kosten ter zake van de kantoorruimte in aftrek kunnen worden toegelaten. Belanghebbende becijfert deze kosten op een bedrag van ¦ 2.415. Deze berekening is als zodanig door de inspecteur niet bestreden, zodat het Hof deze zal volgen. Beslist moet worden conform het primaire standpunt van belanghebbende.

6. Proceskosten

Nu de bestreden uitspraak niet in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. Met inachtneming van de normen van het Besluit proceskosten fiscale procedures stelt het Hof deze kosten vast op 2 (punten voor proceshandelingen) maal ¦ 710 maal 0,5 (factor voor gewicht van de zaak) = ¦ 710.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ¦ 87.813;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van

belanghebbende tot een bedrag van ¦ 710 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet voldoen;

- gelast de inspecteur belanghebbende het door haar betaalde griffierecht ad ¦ 80 te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 17 november 1999 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Koning als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt dit griffierecht ¦ 160. Indien verweerder beroep in cassatie instelt is een griffierecht van ¦ 630 verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.