Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7902

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/01979
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Productiegebouw en op hetzelfde perceel staande laboratorium i.c. als één onroerende zaak aan te merken. Onjuiste objectafbakening. Bovenwoning niet in gebruik bij belanghebbende. De ten name van haar als gebruiker genomen beschikking wordt eveneens vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/01979

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van Burgemeester en wethouders van de gemeente P, de verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 24 april 1998, ingediend door drs. A RA (B Accountants en Adviseurs) te Q als gemachtigde van belanghebbende en aangevuld bij schrijven van 27 augustus 1998.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de verweerder, gedagtekend 10 maart 1998, betreffende de ten name van belanghebbende als gebruiker genomen beschikkingen waarbij de waarden van de onroerende zaken a-straat 1, a-straat 3 en a-straat 3 LAB, alle gelegen te Z, zijn vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.

Bij de beschikkingen, die in één geschrift met dagtekening 15 maart 1997 waren verenigd, zijn de waarden naar de waardepeildatum 1 januari 1995 als volgt vastgesteld:

nr. 1 ¦ 1.030.000

nr. 3 ¦ 147.000

nr. 3 LAB ¦ 92.000

Na bezwaar tegen de beschikkingen zijn bij de bestreden uitspraak de vastgestelde waarden van nr. 3 en nr. 3 LAB gehandhaafd en is de waarde van nr. 1 verminderd tot ¦ 755.000.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de verweerder en, uiteindelijk, primair tot vernietiging van de beschikkingen en subsidiair tot vermindering van alle vastgestelde waarden tot nihil, dan wel tot ¦ 189.000 (nr. 1), ¦ 73.000 (nr. 3) en ¦ 23.000 (nr. 3 LAB).

De verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 10 maart 1999 zijn verschenen mevrouw mr. C als gemachtigde van belanghebbende, alsmede D namens de verweerder. Ter zitting heeft zowel de gemachtigde van belanghebbende als de vertegenwoordiger van de verweerder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van beide nota's geldt de inhoud als hier ingelast.

Bij brief van de griffier van 16 maart 1999 heeft het Hof inlichtingen ingewonnen bij de verweerder. Deze heeft die verschaft bij brief van 26 maart 1999. De gemachtigde van belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 5 mei 1999. Bij brief van de griffier van 19 mei 1999 heeft het Hof nadere inlichtingen ingewonnen bij de verweerder. Deze heeft gereageerd bij brief van 10 augustus 1999. De gemachtigde van belanghebbende is in de gelegenheid gesteld op dit stuk te reageren, en deze heeft zulks gedaan bij brief van 8 september 1999. Van deze brief is op 16 september 1999 een kopie gezonden aan de verweerder. Beide partijen hebben vervolgens medegedeeld geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge toelichting.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De onroerende zaken a-straat 1, a-straat 3 en a-straat 3 LAB te Z zijn alle gelegen op het kadastrale perceel sectie X, nr. 9999. Het perceel heeft een oppervlakte van 4950 m2.

2.2. A-straat 1 betreft een gebouw voor fabricage/productie met kantoor, magazijn en terrein. A-straat 3 LAB betreft een laboratoriumruimte. A-straat 3 is een woning van één bouwlaag, die is gelegen boven de zojuist genoemde laboratoriumruimte.

2.3. Nr. 1 en nr. 3 LAB waren op 1 januari 1997 bij belanghebbende in gebruik als bedrijfsruimten en -terrein.

2.4. In 1990 heeft Ingenieursbureau E een bodemonderzoek uitgevoerd op het onder 2.1. hiervóór vermelde perceel. Het daarvan uitgebrachte rapport vermeldt dat de grond van het bedrijfsterrein zwaar is vervuild, dat algehele sanering een nader onderzoek vergt en dat algehele sanering naar schatting ¦ 4.000.000 zal kosten.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil:

- of ten name van belanghebbende terecht beschikkingen zijn genomen met betrekking tot de onder 2.1. hiervóór bedoelde onroerende zaken; en zo ja,

- of deze onroerende zaken een waarde hebben van nihil, zoals belanghebbende verdedigt, dan wel de waarde die door de verweerder aan de zaken is toegekend in de bestreden uitspraak.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering ervan wordt verwezen naar de stukken van dit geding.

Ter zitting is door partijen daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

namens belanghebbende:

De enig aandeelhouder van belanghebbende is eigenaar van de hier in het geding zijnde onroerende zaken. De bedrijfsruimten zijn bij belanghebbende in gebruik. De gemeente heeft ten onrechte afzonderlijke objecten in aanmerking genomen. In 1996 is er een gebruikerswisseling geweest met betrekking tot het complex.

namens de verweerder:

In de overgelegde taxatierapporten van Kantoor F zijn inderdaad nogal wat verschrijvingen geslopen. Er is evenwel bedoeld een taxatie te geven van de nrs. 1, 3 en 3 LAB en wel op de in het beroep verdedigde waarden.

Bij de taxatierapporten is uitgegaan van ernstige vervuiling: zie in die rapporten steeds onder G.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. A-straat 1 en 3 LAB betreffen bedrijfsruimten met bijbehorend terrein. Deze zaken zijn, beoordeeld naar de toestand per 1 januari 1997, alle eigendom van de aandeelhouder van belanghebbende, worden door belanghebbende gebruikt voor haar ondernemingsuitoefening en zijn in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen op één kadastraal perceel.

5.1.2. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting hebben partijen zich in hun brieven van 26 maart 1999 respectievelijk 5 mei 1999 nader op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de zaken a-straat 1 en 3 LAB sprake is van een samenstel van eigendommen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet). Het Hof acht dit standpunt, gelet op hetgeen met betrekking tot de de zaken is komen vast te staan, juist en zal partijen daarin volgen. A-straat 1 en 3 LAB vormen derhalve voor de toepassing van de Wet één onroerende zaak.

5.1.3. Het vorenstaande leidt tot de gevolgtrekking dat de door de verweerder met betrekking tot de nummers 1 en 3 LAB afzonderlijk genomen beschikkingen dienen te worden vernietigd.

5.2.1. Ook de ten name van belanghebbende gestelde beschikking met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 3 is genomen ter zake van het gebruik van de onroerende zaak per 1 januari 1997.

5.2.2. De verweerder heeft omtrent het gebruik van de onroerende zaak gesteld dat naar zijn oordeel belanghebbende als gebruiker van de bovenwoning is aan te merken, aangezien belanghebbende in 1996 als nieuwe gebruiker van het gehele complex aan de a-straat ging optreden en de bovenwoning op 1 januari 1997 nog niet bewoond was. Volgens de verweerder wijst het bevolkingsregister uit dat de bovenwoning heeft leeggestaan van 7 augustus 1995 tot en met 19 februari 1997.

5.2.3. Belanghebbende heeft daarentegen gesteld dat met ingang van 1 november 1996 de bovenwoning is betrokken door een van haar werknemers. Ter staving van deze stelling heeft zij een kopie van een huurovereenkomst, gedagtekend 19 december 1996, volgens welke overeenkomst de heer G met ingang van 1 november 1996 de bovenwoning a-straat 3 van belanghebbende huurde.

5.2.4. Met hetgeen onder 5.2.3. hiervóór is vermeld, is naar het oordeel van het Hof aannemelijk dat de bovenwoning op 1 januari 1997 door genoemde G metterdaad werd gebezigd ter bevrediging van zijn behoeften. Belanghebbende kan dan niet worden aangemerkt als gebruiker in de zin van de Wet van de onroerende zaak a-straat 3.

5.2.5. Het vorenstaande houdt in dat de beschikking, nu zijn is genomen ten aanzien van belanghebbende als gebruiker van de onroerende zaak aan het begin van het tijdvak, dat wil zeggen op 1 januari 1997, in zoverre onjuist is en derhalve dient te worden vernietigd. Een beoordeling van de door de verweerder vastgestelde waarde kan in de onderhavige procedure derhalve niet plaatsvinden.

5.3. Het Hof komt tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende gegrond is en dat de beschikkingen alle dienen te worden vernietigd.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de verweerder niet in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig de verweerder op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. Deze kosten worden met inachtneming van de normen van het Besluit proceskosten fiscale procedures vastgesteld op 3 (A1: 1,3 en 2 maal 5) maal ¦ 710 maal 1 (factor voor gewicht van de zaak) = ¦ 2.130.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de verweerder;

- vernietigt de beschikkingen;

- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van

belanghebbende tot het beloop van ¦ 2.130 en wijst de

gemeente Ouder-Amstel aan als rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen;

- gelast de verweerder het betaalde griffierecht ad ¦ 80 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 17 november 1999 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht van ¦ 630 verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.