Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7863

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/2682
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval gaat het om de vraag of de economische eigendom van het eenachtste aandeel in het kantoorpand begin 1992 door belanghebbende aan haar directeur-grootaandeelhouder is overgedragen. De waarde in het economische verkeer op het hiervoor genoemde moment van overdracht is niet in geschil.

Gemachtigde heeft tegenover de andersluidende stelling van de inspecteur aangevoerd dat de economische eigendom in 1992 door de vennootschap aan belanghebbende is overgedragen. De bewijslast dat zulks is geschied rust op belanghebbende. Het Hof acht belanghebbende met de door haar ter zitting overgelegde beëdigde verklaringen in dat bewijs geslaagd. Het Hof heeft geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Daaruit volgt genoegzaam dat in 1992 tot overdracht van de economische eigendom is besloten en dat deze toen ook is geëffectueerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/32
V-N 2000/11.10

Uitspraak

98/2682

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 12 juni 1998, ingediend door A te R als haar gemachtigde en aangevuld bij brief van 14 september 1998.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 30 mei 1998, betref-fende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1993.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 96.761 met een desinvesteringsbetaling ter grootte van ƒ 19.367. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en de bestreden belastingaanslag.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 17 maart 1999 zijn verschenen de gemachtigde voornoemd alsmede de inspec-teur, tot bijstand vergezeld door de heren B en C. De gemachtigde en de inspecteur hebben beiden ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. De gemachtigde heeft bij de pleitnota twee bijlagen overgelegd van welke stukken de inspecteur heeft kunnen kennisnemen en over welke hij zich heeft kunnen uitlaten. Met toestemming van partijen zijn ter zitting gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en die van A B.V. (vennootschapsbelasting 1993), D (inkomstenbelasting 1993) en E (inkom-stenbelasting 1993), bij het Hof geregistreerd onder de nummers 98/2683, 98/2681 en 98/2941. De in elk van de vier zaken overgelegde stukken gelden als overgelegd in alle zaken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De heer E (de directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) van belanghebbende) is van beroep registeraccountant en is met ingang van 1 januari 1983 toegetreden tot de maatschap A (hierna: de maatschap), een maatschap van registeraccountants. De maatschap houdt vanaf 1986 kantoor aan de a-laan 26 tot en met 30 te S, en daarvóór aan de a-laan 28 en 30.

2.2. Op 15 augustus 1986 heeft de heer E tezamen met de zeven andere leden van de maat-schap de eigendom van het kantoorpand aan de a-laan 26 te S verworven. Het onverdeelde eenachtste aandeel in voornoemd kantoorpand heeft de heer E tot het ondernemingsvermogen gerekend, aangezien het kantoorpand ten behoeve van de maatschap werd gebruikt.

2.3. De door de heer E gedreven onderneming werd per 1 januari 1990 geruisloos ingebracht in belanghebbende, die daartoe was opgericht en de naam droeg B B.V. In dit kader is de eco-nomische eigendom van het eenachtste aandeel in voornoemd kantoorpand in belanghebbende ingebracht. Op 24 december 1992 werd de naam van belanghebbende gewijzigd in X B.V.

2.4. Volgens de op 22 februari 1994 ingediende aangifte vennootschapsbelasting 1992 van belanghebbende heeft op 12 januari 1992 overdracht van de economische eigendom van het eenachtste aandeel in het kantoorpand a-laan 26 aan de heer E plaatsgevonden. Terzake van deze overdracht heeft belanghebbende een boekwinst verantwoord van ƒ 109.893, zijnde het verschil tussen de overdrachtswaarde van het onverdeelde eenachtste deel minus de boekwaarde (ƒ 225.000 - ƒ 115.107 = ƒ 109.893).

2.5. Na onderhandelingen rond de jaarwisseling van 1991/1992 tussen de toenmalige deelge-noten werden in februari 1992 respectievelijk december 1993 de onverdeelde aandelen in de eigendom van het kantoorpand a-laan 26 van drie van de acht deelgenoten verdeeld met uitsluiting van de drie uittredende deelgenoten. Door deze verdeling is belanghebbendes aandeel gestegen van eenachtste naar -uiteindelijk- eenvijfde.

2.6. Op 15 december 1993 zijn de kantoorpanden a-laan 26 tot en met 36 verkocht aan een Duitse belegger. Het kantoorpand a-laan 26 werd verkocht voor ƒ 2.952.483 (na aftrek van kosten). De heer E ontving uit dien hoofde een bedrag van ƒ 590.496, zijnde het eenvijfde deel van de verkoopprijs. De maatschap werd vervolgens huurder van de kantoorpanden.

2.7. Belanghebbende deed voor het onderhavige jaar aangifte van een belastbaar bedrag van negatief ƒ 160.116. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de volgende correcties aange-bracht: boekwinst verkoop pand a-laan 26 ƒ 262.265 en -af- negatief exploitatieresultaat a-laan 26 ƒ 5.388, en het belastbaar bedrag vastgesteld op ƒ 96.761. Voorts werd ter zake van de vervreemding van het pand a-laan 26 een desinvesteringsbetaling in aanmerking genomen ten bedrage van ƒ 19.367.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terzake van de verkoop van het kantoorpand a-laan 26 te S aan de Duitse belegger een voordeel heeft laten ontgaan, dat tot haar winst moet worden gerekend.

4. Standpunten van partijen

Verwezen wordt naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld.

Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

belanghebbende:

In de visie van de inspecteur zij de heren D en E in 1993 om de tafel gaan zitten met de bedoeling om achteraf een feitencomplex samen te stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat in 1992 de overdracht van de economische eigendom van het onverdeelde eenachtste aandeel in het kantoorpand a-laan 26 heeft plaatsgevonden. Een dergelijke stellingname heeft tot gevolg dat de verklaring van de heer G niet conform de werkelijkheid is en hij derhalve als registeraccountant meineed zou hebben gepleegd. Ik acht een dergelijke gang van zaken ondenkbaar. Immers, als al kan worden gezegd dat belanghebbende valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd, dan zou hij hebben kunnen volstaan met het vervalsen van een onderhandse akte. Ik realiseer mij dat het ontbreken van een onderhandse akte in een geval als het onderhavige ongelukkig voorkomt, maar met het door belanghebbende naar voren gebrachte bewijsaanbod kan naar mijn mening worden volstaan.

Naar aanleiding van het verzoek van de inspecteur is er wel gezocht naar stukken met externe dagtekening. Deze stukken zijn echter niet aangetroffen.

Voorzover ik kan nagaan is onderdeel B van het besluitenregister van A B.V. niet achteraf opgemaakt. Ik heb echter niet meer gegevens voorhanden.

inspecteur:

Tijdens het boekenonderzoek heb ik vragen gesteld omdat er geen onderhandse akte kon worden overgelegd. Uiteindelijk worden in een laat stadium alsnog verklaringen overgelegd van de heer F en de heer G. Deze gang van zaken heeft mij doen vermoeden dat achteraf, in 1993, is besloten om tot overdracht van het onverdeelde aandeel in de economische eigendom in het kantoorpand a-laan 26 aan de heer E over te gaan.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De beslissing in het onderhavige geval hangt af van het antwoord op de vraag of de eco-nomische eigendom van het eenachtste aandeel in het kantoorpand a-laan 26 begin 1992 door belanghebbende aan haar dga is overgedragen.

5.2. Niet in geschil is dat de bij een overdracht als onder 5.1. bedoeld in aanmerking te nemen waarde in het economische verkeer ƒ 225.000 (1/8 x ƒ 1,8 miljoen) bedraagt.

5.3. De gemachtigde heeft tegenover de andersluidende stelling van de inspecteur aangevoerd dat de economische eigendom in 1992 door belanghebbende aan haar dga is overgedragen. De bewijslast dat zulks toen is geschied rust op belanghebbende.

5.4. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling dat in 1992 de overdracht van de economische eigendoom heeft plaatsgevonden verklaringen van twee voormalige deelge-noten, de heren F en G, overgelegd alsmede een kopie uit het besluitenregister van belangheb-bende. De inspecteur heeft de bewijskracht van deze verklaringen in twijfel getrokken, aange-zien de opstellers naar zijn oordeel niet als volledig onafhankelijk kunnen worden beschouwd. Op belanghebbendes verzoek hebben de heren F en G beiden afzonderlijk in handen van een Nederlandse notaris de eed afgelegd inhoudende de bevestiging, dat de ten overstaan van deze notaris herhaalde verklaringen de waarheid en niets dan de waarheid bevatten. De beëdigde verklaring van de heer G bevat onder meer de volgende passage: "(...) Samen met de heren D en E heb ik toen het voor en tegen besproken. Anders dan zij ben ik begin negentienhonderd-tweeënnegentig niet tot overdracht overgegaan om redenen van te betalen vennootschapsbe-lasting over de boekwinst alsmede terug te betalen investeringspremies. (...)".

5.5. Het Hof acht belanghebbende in dat onder 5.3. bedoelde bewijs geslaagd met de ter zitting overgedragen beëdigde verklaringen van de heren F en G, met name waar de heer G verklaart, zoals hiervoor onder 5.4. weergegeven. Het Hof heeft geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Daaruit volgt genoegzaam dat reeds begin 1992 tot overdracht van de economische eigendom is besloten, en dat deze toen ook is geëffectueerd. Hetgeen belanghebbende overigens als bewijs heeft aangedragen -wat daarvan ook de bewijskracht is- is daarmee niet in tegenspraak.

5.6. De inspecteur kan worden toegegeven dat in het verkeer tussen de dga en de eigen B.V. een nauwkeurige vastlegging van onderlinge transacties gewenst is. Niettemin heeft de inspecteur met zijn stellingen de bewijskracht van de hiervoor onder 5.4. aangehaalde verklaringen niet ontzenuwd. Dat aan de overige stellingen van belanghebbende geen of weinig aanvullende bewijskracht valt te ontlenen, is alsdan niet van betekenis; het tegendeel van het bewezenverklaarde valt er ook niet uit af te leiden.

5.7. Op grond van het vorenstaande komt het Hof tot de slotsom dat het belastbare bedrag van belanghebbende dient te worden vastgesteld op nihil.

5.8. Met betrekking tot hetgeen gemachtigde in zijn pleitnota heeft gesteld terzake van de als-nog in aanmerking te nemen afschrijving van de indertijd ingebrachte en, als gevolg van het zijns inziens buiten toepassing moeten blijven van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbe-lasting 1964, te activeren goodwill, merkt het Hof op dat deze stelling geen bespreking behoeft aangezien het belastbare bedrag in het onderhavige jaar reeds negatief is.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur moet worden vernietigd en de aanslag verminderd acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Daarbij gelden de zaken met de nummers 98/2681, 98/2682, 98/2683 en 98/2941 als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Het Hof stelt de kosten met inachtne-ming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op 2 (aantal punten) x ƒ 710 (waarde per punt) x 2 (wegingsfactor) x 1,5 (factor in verband met samenhangende zaken) = ƒ 4.260. Van dit bedrag wordt in elk van de vermelde zaken een kwart als vergoe-ding toegerekend, derhalve ƒ 1.065.

7. Beslissing

Het Hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil en zonder desinvesteringsbetaling;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 1.065 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te betalen;

gelast de inspecteur het gestorte griffierecht ad ƒ 80 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 2 juni 1999 door mrs. Schaap, Faase en Van Loon, in tegen-woordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.