Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7861

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/2941
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

98/2941

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 29 juni 1998, ingediend door A te R als zijn gemachtigde en aangevuld bij brief van 25 augustus 1998.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 27 mei 1998, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 1993.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 201.265. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 47.524.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermin-dering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.817.

Ter zitting van 17 maart 1999 zijn verschenen de gemachtigde voornoemd alsmede de inspec-teur, tot bijstand vergezeld door de heren B en C. De gemachtigde en de inspecteur hebben beiden ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. De gemachtigde heeft bij de pleitnota twee bijlagen overgelegd van welke stukken de inspecteur heeft kunnen kennisnemen en over welke hij zich heeft kunnen uitlaten. Met toestemming van partijen zijn ter zitting gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en die van D (inkomstenbelasting 1993), A B.V. (vennootschapsbelasting 1993) en B B.V. (ven-nootschapsbelasting 1993), bij het Hof geregistreerd onder de nummers 98/2681, 98/2683 en 98/2682. De in elk van de vier zaken overgelegde stukken gelden als overgelegd in alle zaken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is van beroep registeraccountant en is met ingang van 1 januari 1983 toegetreden tot de maatschap A (hierna: de maatschap), een maatschap van registeraccoun-tants. De maatschap houdt vanaf 1986 kantoor aan de a-laan 26 tot en met 30 te S, en daar-vóór aan de a-laan 28 en 30.

2.2. Op 15 augustus 1986 heeft belanghebbende tezamen met de zeven andere leden van de maatschap de eigendom van het kantoorpand aan de a-laan 26 te S verworven. Het onverdeel-de eenachtste aandeel in voornoemd kantoorpand heeft belanghebbende tot het ondernemings-vermogen gerekend, aangezien het kantoorpand ten behoeve van de maatschap werd gebruikt.

2.3. Belanghebbende bracht zijn onderneming per 1 januari 1990 geruisloos in in de daartoe opgerichte besloten vennootschap C B.V. In dit kader is de economische eigendom van het eenachtste aandeel in voornoemd kantoorpand in de vennootschap ingebracht. Op 24 decem-ber 1992 werd de naam van de vennootschap gewijzigd in B B.V. (hierna: de vennootschap).

2.4. Volgens de op 22 februari 1994 ingediende aangifte vennootschapsbelasting 1992 van de vennootschap heeft op 12 januari 1992 overdracht van de economische eigendom van het eenachtste aandeel in het kantoorpand a-laan 26 aan belanghebbende plaatsgevonden. Terzake van deze overdracht heeft de vennootschap een boekwinst verantwoord van ƒ 109.893, zijnde het verschil tussen de overdrachtswaarde van het onverdeelde eenachtste deel minus de boekwaarde (ƒ 225.000 - ƒ 115.107 = ƒ 109.893).

2.5. Na onderhandelingen rond de jaarwisseling 1991/1992 tussen de toenmalige deelgenoten werden in februari 1992 respectievelijk december 1993 de onverdeelde aandelen in de eigendom van het kantoorpand a-laan 26 van drie van de acht deelgenoten verdeeld, met uitsluiting van de drie uittredende deelgenoten. Door deze verdeling is belanghebbendes aandeel gestegen van eenachtste naar - uiteindelijk - eenvijfde.

2.6. Op 15 december 1993 zijn de kantoorpanden a-laan 26 tot en met 36 verkocht aan een Duitse belegger. Het kantoorpand a-laan 26 werd verkocht voor ƒ 2.952.483 (na aftrek van kosten). Belanghebbende ontving uit dien hoofde een bedrag van ƒ 590.496, zijnde het eenvijfde deel van de verkoopprijs. De maatschap werd vervolgens huurder van de kantoorpanden.

2.7. Belanghebbende deed over het onderhavige jaar aangifte van een belastbaar inkomen van ƒ 47.524. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de volgende correcties aangebracht: winstuitdeling in verband met het pand a-laan (ƒ 144.060), eliminatie negatief exploitatiere-sultaat pand a-laan 26 (ƒ 5.388) en correctie afschrijving panden a-laan 32 tot en met 36 (ƒ 4.293), en het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 201.265. De correctie ad ƒ 144.060 is door de inspecteur als volgt onderbouwd: een overdracht van het eenachtste aandeel van de vennootschap heeft niet plaatsgevonden. Genoemde vennootschap had daarom recht op eenachtste van ƒ 2.952.483, ofwel ƒ 369.060, welk bedrag diende te worden verantwoord als opbrengst van haar aandeel in de onroerende zaak a-laan 26. Als zodanig is slechts verant-woord ƒ 225.000. Het verschil (ƒ 144.060) vormt een uitdeling van winst door de vennoot-schap aan belanghebbende, aan wie zij de verkoopopbrengst heeft gelaten.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terzake van de verkoop van het kantoorpand a-laan 26 te S aan de Duitse belegger inkomsten uit vermogen in de zin van artikel 24 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft genoten.

4. Standpunten van partijen

Verwezen wordt naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld.

Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

belanghebbende:

In de visie van de inspecteur zijn de heer D en belanghebbende in 1993 om de tafel gaan zitten met de bedoeling om achteraf een feitencomplex samen te stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat in 1992 de overdracht van de economische eigendom van het onverdeelde eenachtste aandeel in het kantoorpand a-laan 26 heeft plaatsgevonden. Een dergelijke stellingname heeft tot gevolg dat de verklaringen van de heer F niet conform de werkelijkheid zijn en hij derhalve als registeraccountant meineed zou hebben gepleegd. Ik acht een dergelijke gang van zaken ondenkbaar. Immers, als al kan worden gezegd dat belanghebbende valsheid in geschrifte zou hebben gepleegd, dan zou hij hebben kunnen volstaan met het vervalsen van een onderhandse akte. Ik realiseer mij dat het niet voorhanden zijn van een onderhandse akte in een geval als het onderhavige ongelukkig voorkomt. Met het door belanghebbende naar voren gebrachte bewijsaanbod kan naar mijn mening worden volstaan.

Naar aanleiding van het verzoek van de inspecteur is er wel gezocht naar stukken met externe dagtekening. Deze stukken zijn echter niet aangetroffen.

Voorzover ik kan nagaan is onderdeel B van het besluitenregister van A B.V. niet achteraf opgemaakt. Ik heb echter niet meer gegevens voorhanden.

Met hetgeen de inspecteur subsidiair stelt met betrekking tot de afschrijvingscorrectie terzake van de panden a-laan 32 tot en met 36 en de hogere afschrijvingsbasis van het pand a-laan 26 als gevolg van de hogere historische kostprijs, ga ik akkoord.

De inspecteur:

Tijdens het boekenonderzoek heb ik vragen gesteld omdat er geen onderhandse akte kon worden overgelegd. Uiteindelijk worden in een laat stadium alsnog verklaringen overgelegd van de heren E en F. Deze gang van zaken heeft mij doen vermoeden dat achteraf, in 1993, is besloten tot overdracht van het onverdeelde aandeel in de economische eigendom in het kantoorpand a-laan 26 aan belanghebbende over te gaan.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De beslissing in het onderhavige geval hangt af van het antwoord op de vraag of de eco-nomische eigendom van het eenachtste aandeel in het kantoorpand a-laan 26 begin 1992 door de vennootschap aan haar directeur-grootaandeelhouder (belanghebbende) is overgedragen.

5.2. Niet in geschil is dat de waarde in het economische verkeer die bij een overdracht als onder 5.1. bedoeld in aanmerking zou moeten worden genomen ƒ 225.000 (1/8 x ƒ 1,8 miljoen) bedraagt.

5.3. Gemachtigde heeft tegenover de andersluidende stelling van de inspecteur aangevoerd dat de economische eigendom in 1992 door de vennootschap aan belanghebbende is overgedra-gen. De bewijslast dat zulks toen is geschied rust op belanghebbende.

5.4. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat in 1992 de overdracht van de economische eigendom heeft plaatsgevonden verklaringen van twee voormalige deelge-noten, de heren E en F, overgelegd alsmede een kopie uit het besluitenregister van de vennootschap. De inspecteur heeft de bewijskracht van deze verklaringen in twijfel getrokken, aangezien de opstellers naar zijn oordeel niet als volledig onafhankelijk kunnen worden beschouwd. Op belanghebbendes verzoek hebben de heren E en F beiden afzonderlijk in handen van een Nederlandse notaris de eed afgelegd inhoudende de bevestiging, dat de ten overstaan van deze notaris herhaalde verklaringen de waarheid en niets dan de waarheid bevatten. De beëdigde verklaring van de heer F bevat onder meer de volgende passage: "(...) Samen met de heer D en belanghebbende heb ik toen het voor en tegen besproken. Anders dan zij ben ik begin negentienhonderdtweeënnegentig niet tot overdracht overgegaan om redenen van te betalen vennootschapsbelasting over de boekwinst alsmede terug te betalen investeringspremies. (...)".

5.5. Het Hof acht belanghebbende in dat onder 5.3. bedoelde bewijs geslaagd met de ter zitting overgedragen beëdigde verklaringen van de heren E en F, met name waar de heer F verklaart, zoals hiervoor onder 5.4. weergegeven. Het Hof heeft geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Daaruit volgt genoegzaam dat reeds begin 1992 tot overdracht van de economische eigendom is besloten en dat deze toen ook is geëffectueerd. Hetgeen belanghebbende overigens als bewijs heeft aangedragen -wat daarvan ook de bewijskracht is- is daarmee niet in tegenspraak.

5.6. De inspecteur kan worden toegegeven dat in het verkeer tussen de directeur-grootaan-deelhouder en de eigen B.V. een nauwkeurige vastlegging van onderlinge transacties gewenst is. Niettemin heeft de inspecteur met zijn stelling de bewijskracht van de bewijsmiddelen van belanghebbende zoals hiervoor onder 5.5. weergegeven niet ontzenuwd. Dat aan de overige stellingen van belanghebbende geen of weinig aanvullende bewijskracht valt te ontlenen, is alsdan niet van betekenis; het tegendeel van het bewezenverklaarde valt er ook niet uit af te leiden.

5.7. Op grond van het vorenstaande en mede in aanmerking genomen dat belanghebbende de subsidiaire stelling van de inspecteur niet betwist, naar gemachtigde ter zitting heeft ver-klaard, komt het Hof tot de slotsom dat het belastbare inkomen van belanghebbende dient te worden vastgesteld op ƒ 51.817.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur moet worden vernietigd en de aanslag verminderd acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Daarbij gelden de zaken met de nummers 98/2681, 98/2682, 98/2683, en 98/2941 als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Het Hof stelt de kosten met inachtne-ming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op 2 (aantal punten) x ƒ 710 (waarde per punt) x 2 (wegingsfactor) x 1,5 (factor in verband met samenhangende zaken) = ƒ 4.260. Van dit bedrag wordt in elk van de vermelde zaken een kwart als vergoeding toegekend, derhalve ƒ 1.065.

7. Beslissing

Het Hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.817;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 1.065 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te betalen;

gelast de inspecteur het gestorte griffierecht ad ƒ 80 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 2 juni 1999 door mrs. Schaap, Faase en Van Loon, in tegen-woordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.