Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7823

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/00149
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het niet aangeven van als souteneur genoten inkomsten leidt tot toepassing van art. 29,2 AWR . Geen onredelijke of willekeurige schatting van de op de verklaringen van de prostituees gebaseerde inkomsten verminderd met in de branche gebruikelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/00149

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is op 14 januari 1998 ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ontvangen, gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 15 december 1997, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994. Mr. A heeft als gemachtigde van belanghebbende, de gemachtigde, het beroepschrift aangevuld bij brief van 10 mei 1999.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 97.015.

Het bezwaar tegen de aanslag is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aans1ag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van uiteindelijk ¦ 45.344 .

Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert uiteindelijk primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 74.016.

Bij aangetekend verzonden kennisgeving van 2 september 1999 heeft de griffier partijen meegedeeld dat de mondelinge behandeling van het beroep zal plaatsvinden ter zitting van 22 oktober 1999. Het op 6 oktober 1999 van de gemachtigde ontvangen verzoek tot uitstel van deze behandeling is afgewezen.

Ter zitting van 22 oktober 1999 zijn verschenen de gemachtigde en namens verweerder B, vergezeld van C en D.

Partijen hebben ieder een tot de gedingstukken te rekenen pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de door belanghebbende ingestelde en bij het gerechtshof onder kenmerk 97/21808 en 98/00151 geadministreerde beroepen betreffende de respectievelijk voor het jaar 1993 en 1995 aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in het jaar 1973, heeft in het onderhavige jaar een uitkering ontvangen van de Stichting E te Q ter grootte van ƒ 3.391.

2.2. In de periode oktober 1993 - september 1995 heeft belanghebbende meisjes voor zich laten werken als prostituee. Bij vonnis van 21 juni 1996 van de arrondissementsrechtsbank te R is in verband hiermee aan belanghebbende een gevangenisstraf opgelegd van vijf jaar, welk vonnis door het gerechtshof te Amsterdam is bekrachtigd.

2.3. In de door belanghebbende gedane aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar, gedagtekend 30 november 1996, is aangifte gedaan van evenvermelde uitkering en van een belastbaar inkomen van ƒ 3.119.

2.4.1. Bij het regelen van de aanslag is het aangegeven belastbare inkomen verhoogd met inkomsten uit de onder 2.2. vermelde werkzaamheden.

Voor de berekening van de hoogte van deze inkomsten heeft verweerder gebruik gemaakt van het in het kader van de Plukze-wetgeving berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij deze berekening is ter bepaling van de inkomsten uitgegaan van de - in een proces-verbaal opgenomen, tot de gedingstukken behorende - verklaringen van vorenbedoelde meisjes en, ter bepaling van de kosten, van branchegegevens.

2.4.2. Verweerder heeft de aldus in het onderhavige jaar genoten netto inkomsten nader berekend op:

F:

januari-maart 10 vijfdaagse werkweken ƒ 44.250

G:

april-juli 14 zesdaagse werkweken ƒ 50.275

H

november-december zes weken ƒ 17.750

correctie ƒ 112.275.

2.5. In de pleitnota van gemachtigde worden de door F, G en H in 1994 behaalde netto opbrengsten berekend op respectievelijk ƒ 14.875, ƒ 14.100 en ƒ 12.250, in totaal derhalve op ƒ 41.225.

3. Geschil

In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag de inkomsten van belanghebbende heeft gecorrigeerd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting is daaraan nog toegevoegd door

de gemachtigde van belanghebbende:

Belanghebbende is ervan op de hoogte dat vandaag de mondelinge behandeling van het beroep plaatsvindt. Hij had een "onder ede"-verklaring willen afleggen, maar nu dat in fiscale procedures geen extra bewijskracht heeft, is er van onze kant geen bezwaar dat ik namens hem het woord voer.

Ik betwist de branchegegevens niet, want die zijn van algemene bekendheid. Bij de verklaringen van de dames moet eraan gedacht worden dat zij blij waren dat de heren vastzaten, ze hadden er dus belang bij om zwaardere verklaringen af te leggen. Er is bij G na drie weken raamprostitutie geld opgehaald door een ander, belanghebbende zat toen vast. Hij heeft die inkomsten niet genoten. Dat de anderen niet bekend zijn bij verweerder kan mogelijkerwijs te maken hebben met het feit dat zij een café hadden en daarom onder een andere eenheid vallen. In het jaar 1995 is door F vrijwillig gewerkt, de desbetreffende inkomsten zijn niet door belanghebbende genoten, als dat in geschil is moet F worden opgeroepen. Bij het lezen van de stukken moet bedacht worden dat iemand anders dezelfde voornaam heeft als belanghebbende.

Belanghebbende komt half december vrij, hij heeft geen afgemaakte opleiding. Als de aanslagen gehandhaafd blijven, heeft hij grote financiële problemen.

Verweerder:

Belanghebbende had vier dames voor zich werken, zij moesten dat onder dwang doen en de inkomsten aan hem afdragen. Perioden van ongesteldheid weerhielden hen er niet van werkzaamheden te verrichten. Uit blz. 3 van het vonnis blijkt dat F vanaf september 1993 bij belanghebbende was. Wat betreft de toerekening van door anderen opgehaalde gelden, zie blz. 7 van het vonnis, het geld is doorgesluisd naar belanghebbende. Zie ook blz. 8 van het vonnis, belanghebbende belde elke dag op. Daaruit kan worden afgeleid dat een ander tijdelijk zijn zaken regelde. Bovendien heeft belanghebbende vaker vastgezeten, het is niet voorstelbaar dat hij geld opzij zetten ten behoeve van een ander. Over die anderen heb ik geen gegevens. Er is er een verhuisd naar een ander ambtsgebied. Ik betwist de berekening van de gemachtigde in zijn pleitnota.

De berekening van de wederrechtelijk verkregen voordelen in het kader van de Plukze-wetgeving geschiedt bij het Bureau Financiële Ondersteuning (BFO), dat meestal bij de politie is ondergebracht. De verklaringen doen het meest recht aan wat er is gebeurd, maar aangezien daaruit - behoudens in een geval - niet kan worden afgeleid wat de kosten zijn geweest, is het redelijk in alle gevallen voor de berekening van kosten uit te gaan van de branchegegevens.

Bij dwangmatige prostitutie wordt achter elkaar, zeven dagen in de week, gewerkt.

Ook de door F in 1995 verdiende gelden werden aan belanghebbende afgedragen, zie blz. 5 van het vonnis onder 3.1.10, proces-verbaal van 13 september 1995, blz. 259. Bovendien als het alleen hierom gaat, dan heeft dit geen gevolgen voor mijn primaire standpunt, zie pleitnota. F heeft gedurende zes maanden (oktober 1993 - maart 1994) ƒ 96.000 verdiend voor belanghebbende. Daarvan is de opbrengst van drie maanden toegerekend aan 1993 en die van de andere drie maanden aan 1994; na aftrek van de kosten resteert ƒ 44.250 voor 1993 en eenzelfde bedrag voor 1994. Deze wijze van berekening is ook bij alle anderen gevolgd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof leidt uit de verklaring van gemachtigde ter zitting af dat het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling is ingetrokken en dat zowel belanghebbende als gemachtigde akkoord gaat met de behandeling van het beroep zonder de aanwezigheid van belanghebbende.

5.2. Verweerder heeft gesteld dat belanghebbende niet in de aangifte opgenomen inkomsten heeft genoten. Reeds omdat belanghebbende dit tot een bedrag van ƒ 41.225 niet langer betwist, oordeelt het Hof dat hij gelet op het wel aangegeven inkomen ad ƒ 3.119 tot een aanzienlijk te laag bedrag - en mitsdien niet de vereiste - aangifte heeft gedaan.

5.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient de rechter het beroep in een zodanig geval af te wijzen, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak of de belastingaanslag onjuist is. Deze bepaling laat evenwel onverlet dat verweerder niet een onredelijke of willekeurige schatting van de niet aangegeven inkomsten aan de aanslag ten grondslag mag leggen.

5.4. Voor het onderhavige jaar is tussen partijen niet in geschil dat de drie onder 2.4.2. genoemde meisjes voor belanghebbende hebben gewerkt.

Niet gebleken is dat deze meisjes minder dagen c.q. weken hebben gewerkt dan de door verweerder aan de hand van de door die meisjes afgelegde verklaringen in aanmerking genomen dagen c.q. weken. Het Hof gaat voorbij aan de op geen enkele wijze onderbouwde en met die verklaringen in strijd zijnde stelling dat ieder meisje over elke periode van circa vier weken één week niet kon werken. Voorts heeft belanghebbende geen bewijs geleverd voor zijn door de inspecteur betwiste stelling dat G gedurende een periode van acht weken niet voor hem heeft gewerkt. De enkele omstandigheid dat de behaalde opbrengst in die weken door haar aan een ander is overhandigd is daartoe onvoldoende.

5.5. Verweerder heeft de netto-opbrengst van de gewerkte dagen c.q. weken nader berekend op ƒ 112.275. Niet gebleken is dat deze berekening onjuist is. De enkele stelling dat van netto dagopbrengsten ad ƒ 425 (straatprostitutie) en ƒ 500 (raamprostitutie) moet worden uitgegaan kan niet als een bewijs van die onjuistheid worden aanvaard.

5.6. Verweerder heeft enerzijds de verklaringen van de meisjes aan de berekening ten grondslag gelegd en anderzijds de in de branche gebruikelijke kosten. Het Hof is van oordeel dat een zodanige berekening niet kan worden aangemerkt als een onredelijke of willekeurige berekening.

5.7. ’s Hofs oordeel brengt mee dat voor vermindering van de aanslag geen reden is, te meer niet nu in het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen niet ƒ 112.275 maar slechts ƒ 93.896 niet aangegeven inkomsten zijn begrepen.

5.8. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Hieraan doet niet af dat belanghebbende mogelijkerwijs de op deze aanslag verschuldigde belasting niet kan voldoen, nu de voldoening van belasting betekenis mist voor de vraag of die belasting tot het juiste bedrag is vastgesteld.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 3 december 1999 door mrs. Onnes, Kwantes en Rijkels, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt dit griffierecht ƒ 160. Indien verweerder beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd van ƒ 630.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.